Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:318

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-01-2021
Datum publicatie
21-01-2021
Zaaknummer
10/253609-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Vrijspraak witwassen. Door het Openbaar Ministerie is geen onderzoek gedaan naar de concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring van de verdachte dat het geld niet van misdrijf afkomstig is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/253609-20

Proces-verbaal van de openbare terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Rotterdam op 15 januari 2021.

Tegenwoordig als:

politierechter mr. J.H. Janssen,

officier van justitie mr. N.S. Valk,

griffier mr. M. Eekhout.

De zaak tegen na te noemen verdachte (hierna: de verdachte) wordt uitgeroepen.

De verdachte, op de terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de politierechter te zijn genaamd:

[naam verdachte] ,

geboren [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] , zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats.

De politierechter heeft door deze ondervraging de identiteit van de verdachte vastgesteld.

Als raadsvrouw van de verdachte is aanwezig mr. C. Ihataren, advocaat te Rotterdam.

De politierechter zegt de verdachte dat hij niet tot antwoorden is verplicht en dat hij goed moet opletten.

De officier van justitie draagt de zaak voor.

De politierechter deelt mondeling de korte inhoud van de stukken van het voorbereidend onderzoek en alle overige stukken van onderzoek mee, voor zover van belang met het oog op de door de politierechter te nemen beslissingen. Deze stukken betreffen:

  1. Proces-verbaal met dossiernummer [nummer dossier 1] van politie Rotterdam-Rijnmond, met bijlagen.

  2. Proces-verbaal met dossiernummer [nummer dossier 2] van politie Rotterdam-Rijnmond.

  3. Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 januari 2021.

  4. Brief van de officier van justitie van 10 oktober 2020 aan de verdachte.

  5. Brief van mr. C. Ihataren van 4 december 2020 aan de officier van justitie.

De verdachte verklaart:

De verdenking klopt niet. Ik heb geen geld witgewassen. Het is wel zo dat er € 7.150,-- in mijn capuchon zat. Dat waren allemaal briefjes van € 50,-- . Ik had dat geld daar gestopt, omdat ik mijn sportkleren aan had. Het geld had ik geleend van twee vrienden. Mijn advocaat heeft de namen en adressen van die vrienden aan de officier van justitie doorgegeven.

Ik heb geen woning. Ik ben op zoek naar een baan. Ik ben leraar Arabisch. Het klopt dat ik nauwelijks documentatie heb.

De officier van justitie houdt haar requisitoir. Zij vordert dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit wordt vrijgesproken en dat het geld aan de verdachte wordt teruggegeven.

De politierechter merkt op dat de brief van de officier van justitie van 10 oktober 2020 aan de verdachte behoorlijk ingewikkeld is. In de brief wordt (bijna) letterlijk jurisprudentie aangehaald die voor menig strafrechtjurist al complex is, laat staan voor een verdachte. Ook is niet helemaal duidelijk hoe de brief is bedoeld. De raadsvrouw van de verdachte heeft gereageerd op de brief, maar daarop komt dan geen reactie meer van de officier van justitie en nu staan we hier.

De raadsvrouw voert het woord tot verdediging en bepleit vrijspraak. Zij legt daarbij pleitnotities over die als voorgehouden zullen worden beschouwd. De pleitnotities zijn aan dit proces-verbaal gehecht en maken daarvan deel uit.

De verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken en verklaart: ik ben geen witwasser.

De politierechter verklaart het onderzoek gesloten en zegt mondeling vonnis te zullen geven.

De politierechter spreekt het vonnis uit ter openbare terechtzitting.

Aantekening van het mondeling vonnis

Tenlastelegging

Aan de verdachte wordt verweten dat:

hij, op of omstreeks 10 oktober 2020, te Rotterdam, althans in Nederland, van één of meerdere voorwerpen, te weten een hoeveelheid geld (van in totaal zevenduizend en honderdvijftig euro)

- de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of heeft verborgen en/of heeft verhuld, wie de rechthebbende op dit voorwerp c.q. deze voorwerpen is/zijn en/of

dit voorwerp c.q. deze voorwerpen.

- heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit voorwerp c.q. die voorwerpen,

geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf.

Vrijspraak

De verdachte zat op 10 oktober 2020 rond 02.30 uur in een auto op een parkeerplaats van een Gamma. In zijn capuchon is € 7.150,-- in briefjes van € 50,-- gevonden.

De eerste vraag is of deze feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat dit geld uit een misdrijf afkomstig is. Deze vraag is nog niet meteen met een volmondig ‘ja’ te beantwoorden. Veel briefjes van € 50,-- bij je hebben is weliswaar een aanwijzing voor zo’n vermoeden, maar het contante bedrag is ook relatief klein. Voor de overige omstandigheden, meer in het bijzonder de plek van aantreffen van het geld, heeft de verdachte een verklaring gegeven die niet (totaal) onaannemelijk is of kan worden weerlegd met andere vaststellingen.

Als al wel van een gerechtvaardigd witwasvermoeden kan worden uitgegaan, is de verklaring van de verdachte dat het geld geleend is van vrienden die hij - via zijn raadsvrouw - met naam en toenam noemt, een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring dat het geld niet van misdrijf afkomstig is. Bij die beoordeling vormt het witwasvermoeden als het ware een communicerend vat met de door de verdachte afgelegde verklaring. Anders gezegd: het op zijn best ‘zwakke’ witwasvermoeden staat hier tegenover een ‘relatief stevige’ verklaring van de verdachte.

De officier van justitie had daarom in ieder geval nader onderzoek moeten doen naar de verklaring van de verdachte. Nu dit is uitgebleven, kan niet bewezen worden dat het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Dit betekent dat niet is bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde geldbedrag heeft witgewassen.

De verdachte zal daarom worden vrijgesproken en de € 7.150,-- moet worden teruggegeven aan de verdachte.

Beslissing

De politierechter:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- gelast de teruggave aan verdachte van: € 7.150,--.

Dit proces-verbaal is vastgesteld door de politierechter en de griffier en ondertekend door de politierechter. De griffier is buiten staat dit proces-verbaal mede te ondertekenen.