Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3149

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-04-2021
Datum publicatie
15-04-2021
Zaaknummer
8787542 CV EXPL 20-34120
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Drinkwaterlevering. Onbetaalde afrekening en voorschotnota. Toewijzing vordering hoofdsom en WR. Gemachtigde eiseres heeft 14-dagenbrief ten onrechte naar het oude adres gestuurd. Afwijzing BIK.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8787542 CV EXPL 20-34120

uitspraak: 9 april 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de naamloze vennootschap

Evides N.V., handelend onder de naam Waterbedrijf,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 17 augustus 2020,

gemachtigde: Flanderijn Gerechtsdeurwaarders te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als “Evides” respectievelijk “ [gedaagde] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken:

 de dagvaarding, met producties;

 de brief van Evides van 1 oktober 2020, waarin zij verzoekt de eis te verminderen met een bedrag van € 74,89;

 de aantekeningen van de griffier van het mondelinge antwoord van [gedaagde] ;

 de ten behoeve van de rolzitting van 16 december 2020 door [gedaagde] ingediende schriftelijke reactie;

 de conclusie van repliek, met producties;

 de schriftelijke reactie van [gedaagde] .

1.2.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1.

Tussen partijen bestaat een overeenkomst met betrekking tot het leveren van drinkwater ten behoeve van het adres [adres 1] (hierna: het leveringsadres).

2.2.

Evides heeft [gedaagde] op 21 augustus 2019 een nota gestuurd voor een bedrag van in totaal € 195,83, bestaande uit een periodeafrekening ad € 131,61 en een voorschotnota ad € 64,22. De nota is verstuurd naar het leveringsadres. [gedaagde] diende deze nota binnen veertien dagen te betalen. In de nota staat hierover:

“(…) Het te betalen bedrag wordt op of omstreeks 04-09-2019 automatisch afgeschreven van rekeningnummer (…) onder vermelding van het machtigingsnummer [nummer] . (…)”

2.3.

Bij brief van 21 september 2019, verstuurd naar het leveringsadres, heeft Evides [gedaagde] als volgt bericht:

“(…) Helaas is het ons niet gelukt om het openstaand bedrag van € 195,83 via automatische incasso van rekeningnummer (…) af te schrijven. Omdat niet binnen de gestelde termijn is

betaald, bent u in verzuim. Wij vragen u dit bedrag binnen de betalingstermijn van 14 dagen na ontvangst van deze brief te betalen. (…)”

2.4.

Op 22 april 2020 heeft Evides [gedaagde] als volgt bericht:

“(…) Hartelijk dank voor uw bericht van 20 april jl. waarin u een aangeeft dat het correspondentieadres gewijzigd mag worden en dat er geen verbruik is op uw adres: [adres 1] .

U geeft aan dat uw woonsituatie op boven genoemd adres onhoudbaar is. Wij hopen dat hier snel een verbetering in komt.

Wij hebben uw correspondentie adres gewijzigd naar: [adres 2] en het verbruik op leegstand gezet.

Geeft aub. aan wanneer u weer gaat wonen op: [adres 1] . Wij gaan dan het correspondentieadres en het verbruik weer aanpassen aan de situatie die nodig is. (…)”

2.5.

Evides heeft deze adreswijziging bij brief van 6 mei 2020 aan [gedaagde] bevestigd. Deze brief is verstuurd naar het adres [adres 2] .

2.6.

Bij brief van 2 juli 2020 heeft de gemachtigde van Evides [gedaagde] aangemaand om het openstaande bedrag te betalen binnen vijftien dagen nadat deze brief bij hem is bezorgd. Voorts staat in de brief het volgende:

“Voor het bedrag van € 195,83 zijn de incassokosten nog niet aangezegd. Als u dit bedrag

niet betaalt binnen de genoemde termijn, dan moet u over dit bedrag ook een vergoeding

voor buitengerechtelijke incassokosten betalen. Deze kosten zijn € 40,00.”

Deze brief is verstuurd naar het leveringsadres.

3. Het geschil

3.1.

Evides heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen € 239,37, vermeerderd met de wettelijke rente over de (nog openstaande) hoofdsom, vanaf de dag van dagvaarding tot er is betaald, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding.

3.2.

Aan haar vordering heeft Evides - zakelijk weergegeven en voor zover thans van

belang - het volgende ten grondslag gelegd. [gedaagde] heeft de nota van € 195,83 niet binnen veertien dagen (volledig) betaald. Evides heeft [gedaagde] meerdere keren gevraagd om het verschuldigde bedrag te betalen en heeft hem ook in gebreke gesteld. Hij heeft tot nu toe echter niet volledig betaald en verkeert daarmee in verzuim. Evides maakt daarom aanspraak op vergoeding van de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW, die berekend vanaf 4 september 2019 tot de datum van dagvaarding € 3,54 bedraagt. Vanwege de toerekenbare tekortkoming van [gedaagde] had Evides geen andere keuze dan haar vordering over te dragen aan haar gemachtigde. Op 2 juli 2020 is aan [gedaagde] een veertiendagenbrief verstuurd. Omdat deze brief niet heeft geleid tot betaling van het openstaande bedrag vordert Evides tevens vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten ad € 40,00. Het totaal van de vordering komt daarmee neer op € 239,37.

3.3.

Evides heeft haar eis verminderd in verband met een betaling van € 74,89, geboekt op 24 augustus 2020.

3.4.

[gedaagde] heeft de vordering betwist en heeft daartoe - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd. [gedaagde] is het niet eens met de vordering. Hij wil de hoofdsom betalen, maar niet de extra kosten. Sinds 7 augustus 2017 heeft hij niet meer op het adres [adres 1] verbleven en hij heeft meerdere malen aangegeven dat de correspondentie naar een ander adres moest worden gestuurd. Het is dus de schuld van Evides dat [gedaagde] niet heeft betaald. Evides is gemachtigd om verschuldigde bedragen van de rekening van [gedaagde] af te schrijven en doet dat ook regelmatig. Dit verklaart ook dat op de eerste rolzitting werd gemeld dat een deel van de hoofdsom was betaald, zonder dat [gedaagde] daarvan weet had. Evides had dus ook het andere deel van de vordering kunnen incasseren, om een nodeloze procedure te vermijden.

4. De beoordeling

4.1.

Na het uitbrengen van de dagvaarding heeft Evides een bedrag van € 74,89 van [gedaagde] ontvangen. Op grond van artikel 6:44 lid 1 BW strekt deze (deel)betaling allereerst in mindering op de door Evides gemaakte kosten, daarna in mindering op de verschenen rente en ten slotte op de gevorderde hoofdsom.

4.2.

De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] de verschuldigdheid van de hoofdsom niet heeft betwist, maar dat hij het niet eens is met de bijkomende kosten (de kantonrechter begrijpt: zowel de vervallen wettelijke rente als de buitengerechtelijke incassokosten), omdat hij de brieven van Evides niet heeft ontvangen en Evides het openstaande bedrag bovendien had kunnen incasseren, waarmee een procedure had kunnen worden voorkomen.

4.3.

De kantonrechter zal - met het oog op de correcte toepassing van artikel 6:44 lid 1 BW - daarom eerst een oordeel geven over de door Evides gevorderde verschenen wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten.

4.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat Evides omstreeks 4 september 2019 heeft geprobeerd het bedrag van € 195,83 van de rekening van [gedaagde] te incasseren en dat dit niet is gelukt. Evides stelt gelet daarop terecht dat [gedaagde] met betrekking tot zijn betalingsverplichting jegens haar in verzuim is komen te verkeren.

4.4.1.

Ook de brief van Evides van 21 september 2019, waarin zij melding maakt van de mislukte incasso, heeft niet geleid tot betaling door [gedaagde] . Die brief heeft Evides gestuurd naar het leveringsadres. De stelling van [gedaagde] , dat hij meerdere malen heeft aangegeven dat de correspondentie naar een ander adres gestuurd moest worden, heeft hij echter onvoldoende onderbouwd. In ieder geval is niet gebleken dat [gedaagde] vóór 20 april 2021 een adreswijziging aan Evides heeft doorgegeven. Dat hij voor die tijd geen kennis heeft genomen van de brieven van Evides (waaronder die van 21 september 2019), omdat hij feitelijk niet op het leveringsadres verbleef, komt dan ook voor zijn risico en kan er niet aan afdoen dat hij reeds vanaf 4 september 2019 in verzuim verkeerde. Hetzelfde geldt voor de stelling van [gedaagde] , dat Evides het restant had kunnen incasseren. Gelet op de inhoud van de brief van 21 september 2019 lag het immers op de weg van [gedaagde] om er zelf zorg voor te dragen dat de betaling alsnog binnen de termijn van twee weken zou worden verricht.

4.4.2.

Gelet op het verzuim van [gedaagde] vordert Evides terecht vergoeding van de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW ad € 3,54.

4.5.

Evides maakt voorts aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De vordering dient beoordeeld te worden aan de hand van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding komt echter niet voor toewijzing in aanmerking. De gemachtigde van Evides heeft de veertiendagenbrief van 2 juli 2020 immers naar het leveringsadres verstuurd, terwijl [gedaagde] op dat moment al een adreswijziging aan Evides had doorgegeven, die door Evides bovendien ook al aan hem was bevestigd. [gedaagde] mocht er daarom van uitgaan dat Evides op het gewijzigde adres met hem zou communiceren. Dat haar gemachtigde kennelijk niet op de hoogte was van die adreswijziging, komt voor rekening van Evides. Dat (de gemachtigde van) Evides ná 2 juli 2020 een brief naar het adres [adres 2] heeft gestuurd, waarin (opnieuw) de buitengerechtelijke incassokosten zijn aangezegd, is gesteld noch gebleken. Gelet hierop is de kantonrechter van oordeel dat Evides heeft nagelaten een afschrift van een kosteloze aanmaning als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW over te leggen.

4.6.

Conform artikel 6:44 lid 1 BW dient de betaling van het bedrag van € 74,89 eerst in mindering te worden gebracht op de verschenen rente ad € 3,54. Het restant van € 71,35 dient vervolgens in mindering te worden gebracht op de hoofdsom van € 195,83. Dit betekent dat [gedaagde] nog (€ 195,83 minus € 71,35 =) € 124,48 aan Evides dient te betalen. De kantonrechter zal dit bedrag toewijzen.

4.7.

Nu [gedaagde] geen afzonderlijk verweer heeft gevoerd tegen de gevorderde wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening, zal de kantonrechter ook deze vordering toewijzen.

4.8.

[gedaagde] wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, die tot aan deze uitspraak aan de zijde van Evides worden vastgesteld op € 209,09 aan verschotten (€ 85,09 aan dagvaardingskosten en € 124,00 aan griffierecht) en € 74,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten à € 37,00 per punt).

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan Evides tegen kwijting te betalen € 124,48, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW daarover vanaf 17 augustus 2020 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Evides vastgesteld op € 209,09 aan verschotten en € 74,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. D.L. Spierings en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44478