Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3142

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-04-2021
Datum publicatie
15-04-2021
Zaaknummer
9048246 VV EXPL 21-84
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Gebruik gehuurde als Covid19-testlocatie ipv kantoorruimte, ontzegging toegang. Kort geding leent zich niet voor uitleg huurovereenkomst dmv bewijslevering. Uitkomst reconventie hangt samen met oordeel in conventie over opschorting huur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 9048246 VV EXPL 21-84

uitspraak: 7 april 2021

vonnis in kort geding ex artikel 254 lid 5 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[bedrijf A]

,

gevestigd te [vestigingsplaats A] ,

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

gemachtigde: mr. W. Suttorp te Rotterdam,

tegen

1. [bedrijf B]

[bedrijf B] .,

gevestigd te [vestigingsplaats B] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. E.M. de Bie te Amsterdam.

2. [bedrijf C]

[bedrijf C] ,

gevestigd te [vestigingsplaats C] ,

gedaagde, eiseres in reconventie,

gemachtigde: mr. E.M. de Bie te Amsterdam.

3. [bedrijf D]

[bedrijf D] ,

gevestigd te [vestigingsplaats D] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. F.L.J. van Dijk te Amstelveen.

Eiseres wordt hierna aangeduid als “ [bedrijf A] ”. Gedaagden worden hierna aangeduid als respectievelijk “ [bedrijf B] ”, “ [bedrijf C] ”, dan wel tezamen als “ [bedrijf B en bedrijf C] ”, en “ [bedrijf D] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

 het exploot van dagvaarding van 9 maart 2021, met producties;

 het faxbericht van 23 maart 2021 van [bedrijf D] , met producties;

 het faxbericht van 23 maart 2021 van [bedrijf B en bedrijf C] , tevens eis in reconventie van [bedrijf B en bedrijf C]

Holding, met producties;

 het e-mailbericht van 23 maart 2021 van [bedrijf A] , met productie.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 maart 2021. Namens [bedrijf A] zijn verschenen de heer [persoon 1] en de heer [persoon 2] , beiden indirect bestuurder, bijgestaan door de gemachtigde van [bedrijf A] . Namens [bedrijf B en bedrijf C] is verschenen de heer [persoon 3] , werkzaam bij HVK Stevens, bijgestaan door de gemachtigde van [bedrijf B en bedrijf C] . Namens [bedrijf D] is verschenen de heer [persoon 4] , asset manager bij [bedrijf D] , bijgestaan door de gemachtigde van [bedrijf D] . De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen ter zitting is besproken.

1.3.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

In het kader van de onderhavige procedure kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.1.

[bedrijf A] is een onderneming die zich bezighoudt met medische aangelegenheden, waaronder medische laboratoria, trombosediensten en overig behandelingsondersteunend onderzoek.

2.2.

[bedrijf D] is eigenares en verhuurster van het bedrijfsverzamelgebouw genaamd “Wilhelminatoren”, gelegen aan het Wilhelminaplein [huisnummers] te Rotterdam.

2.3.

Tussen [bedrijf C] als (onder)verhuurster en [bedrijf A] als (onder)huurster bestaat met ingang van 1 december 2020 een huurovereenkomst met betrekking tot een bedrijfsruimte, die zich bevindt op de eerste etage van de Wilhelminatoren (hierna: het gehuurde).

2.4.

Uit hoofde van de huurovereenkomst is [bedrijf A] per maand een bedrag van € 1.936,00 inclusief btw aan [bedrijf C] verschuldigd. [bedrijf A] heeft tot heden geen huur betaald aan [bedrijf C] .

2.5.

[bedrijf A] heeft het gehuurde omstreeks medio december in gebruik genomen als COVID-19 testlocatie (hierna: testlocatie).

2.6.

Bij brief van 16 december 2020 heeft [bedrijf D] [bedrijf A] gesommeerd om de testlocatie met onmiddellijke ingang te sluiten, gesloten te houden en de voor medische doeleinden ingerichte ruimte te ontmantelen.

2.7.

Bij brief van 23 december 2020 heeft [bedrijf A] [bedrijf B] onder meer aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden en nog te lijden schade en gesommeerd om [bedrijf A] binnen 24 uur toegang te verlenen tot het gehuurde en haar in staat te stellen haar activiteiten uit te voeren.

2.8.

Bij brief van 20 januari 2021 heeft [bedrijf A] [bedrijf C] gesommeerd om de huurovereenkomst na te komen, te weten dat [bedrijf A] haar bedrijfsactiviteiten in het gehuurde kan verrichten zonder belemmerd te worden in het ontvangen van klanten, en heeft zij [bedrijf C] en [bedrijf D] gesommeerd om binnen veertien dagen een schadebedrag van € 93.000,00 aan haar te voldoen.

3. Het geschil in conventie

De vordering in conventie

3.1.

[bedrijf A] heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I [bedrijf B] en/of [bedrijf C] te veroordelen tot nakoming van de huurovereenkomst met [bedrijf A] , in die zin dat het [bedrijf A] wordt toegelaten om een COVID-19 testlocatie te exploiteren, bij gebreke waarvan [bedrijf B] en/of [bedrijf C] een dwangsom verbeurt van € 1.000,-- per dag en met een maximum van € 100.000,-- althans een dwangsom door de kantonrechter in goede justitie te bepalen;

II [bedrijf D] te veroordelen tot toelaten van [bedrijf A] tot het gehuurde, in die zin dat het [bedrijf A] wordt toegelaten om een COVID-19 testlocatie te exploiteren, bij gebreke waarvan [bedrijf D] een dwangsom verbeurt van € 1.000,-- per dag en met een maximum van € 100.000,-- althans een dwangsom door de kantonrechter in goede justitie te bepalen;

III Gedaagden (hoofdelijk) te veroordelen in de kosten van deze procedure, inclusief de gebruikelijke nakosten, te vermeerderen met € 101,-- ingeval van betekening en te bepalen dat gedaagde de wettelijke rente over deze kosten verschuldigd zal zijn als deze niet

binnen 14 dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis zullen zijn voldaan.

3.2.

Aan die vordering heeft [bedrijf A] - zakelijk weergegeven en voor zover thans van

belang - het volgende ten grondslag gelegd. [bedrijf B en bedrijf C] schiet toerekenbaar tekort in de nakoming van de huurovereenkomst, nu zij [bedrijf A] niet toelaat tot het gehuurde en het gehuurde niet aan [bedrijf A] ter beschikking stelt. [bedrijf A] lijdt hierdoor ernstige schade, omdat zij vanaf 16 december 2020 wordt belet om haar activiteiten te exploiteren. [bedrijf D] handelt onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 BW jegens [bedrijf A] door aan haar de toegang tot het gehuurde te ontzeggen en de exploitatie van de testlocatie te blokkeren. [bedrijf D] maakt daarmee inbreuk op het huurrecht van [bedrijf A] , waarvoor iedere rechtvaardiging ontbreekt. Bij het aangaan van de huurovereenkomst heeft [bedrijf A] duidelijk kenbaar gemaakt dat zij een testlocatie zou gaan exploiteren. Dit is ook expliciet besproken tussen [bedrijf A] en [bedrijf B en bedrijf C] . Enig beletsel heeft [bedrijf B en bedrijf C] niet aan de orde gesteld. Voor [bedrijf A] bestond er dan ook geen enkele aanleiding te twijfelen of zij een testlocatie zou mogen exploiteren.

Het verweer in conventie

3.3.

[bedrijf B] heeft tegen de vordering - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd. [bedrijf B] is geen partij bij de huurovereenkomst met [bedrijf A] . Zij verzoekt de kantonrechter dan ook de vordering van [bedrijf A] , voor zover die zich richt tegen [bedrijf B] ., niet-ontvankelijk te verklaren en [bedrijf A] te veroordelen in de kosten van [bedrijf B] .

3.4.

[bedrijf C] heeft tegen de vordering - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd. [bedrijf A] heeft nog steeds toegang tot het gehuurde. Er is dus geen sprake van een blokkade of anderszins van een belemmering van toegang,

zodat het spoedeisend belang ontbreekt. [bedrijf A] is op grond van de huurovereenkomst bevoegd het gehuurde te gebruiken als kantoorruimte, maar niet als testlocatie. [bedrijf B en bedrijf C] verwijst naar een e-mail van 23 maart 2021 van mevrouw [persoon 5] (hierna: [persoon 5] ), waarin deze stelt dat zij er niet van op de hoogte was dat [bedrijf A] de ruimte als teststraat zou gaan gebruiken. Dat [bedrijf A] schade lijdt, is niet nader onderbouwd en is, mocht al van enige schade sprake zijn, ook niet aan [bedrijf B en bedrijf C] tegen te werpen. [bedrijf A] heeft niet aangetoond op grond waarvan zij had mogen verwachten dat zij in een bedrijfsverzamelgebouw als het onderhavige een testlocatie mocht exploiteren. Op grond van het voorgaande dient de vordering van [bedrijf A] te worden afgewezen.

3.5.

[bedrijf D] heeft tegen de vordering - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd. Primair stelt [bedrijf D] zich op het standpunt dat [bedrijf A] niet kan worden ontvangen in haar vorderingen jegens [bedrijf D] , nu tussen [bedrijf A] en [bedrijf D] geen rechtsverhouding bestaat en de kantonrechter als voorzieningenrechter

niet absoluut bevoegd is om van deze vordering kennis te nemen. Subsidiair stelt [bedrijf D] dat zij geen inbreuk maakt op het huurrecht van [bedrijf A] . [bedrijf D] heeft [bedrijf A] namelijk nimmer gesommeerd om het gehuurde niet te gebruiken, maar enkel om de exploitatie van de teststraat te staken. [bedrijf D] had een gerechtvaardigd belang bij die sommatie. [bedrijf A] heeft vervolgens (terecht) zelf gehoor gegeven aan deze sommatie. Daarmee is geen sprake van een onrechtmatige daad aan de zijde van [bedrijf D] , laat staan dat daardoor schade zou zijn ontstaan. [bedrijf A] heeft overigens niet eens een begin gemaakt met aantonen dat zij

schade zou hebben geleden als gevolg van het handelen van [bedrijf D] en heeft eveneens nagelaten aan te tonen wat het causaal verband is tussen de beweerdelijk geleden schade en het handelen van [bedrijf D] . [bedrijf A] heeft gesteld, noch bewezen dat wordt voldaan aan het

relativiteitsvereiste. [bedrijf D] concludeert dan ook tot niet-ontvankelijkheid van [bedrijf A] in haar vorderingen dan wel tot afwijzing daarvan wegens ongegrondheid daarvan, met veroordeling van [bedrijf A] in de kosten van dit geding,

3.6.

Op hetgeen partijen in conventie verder nog hebben aangevoerd, wordt hierna, voor zover voor de uitkomst van de procedure van belang, teruggekomen.

4. Het geschil in reconventie

De vordering in reconventie

4.1.

[bedrijf C] heeft gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. [bedrijf A] te veroordelen de door haar van [bedrijf C] gehuurde kantoorruimte aan het adres Wilhelminaplein [huisnummers] te Rotterdam, gelegen op de [locatie] , binnen drie dagen na het in deze zaak te wijzen vonnis te verlaten en te ontruimen, onder medeneming van al het hare en de haren, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor elke dag of gedeelte daarvan dat [bedrijf A] hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000,-, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie nader te bepalen dwangsom;

2. [bedrijf A] te veroordelen om de betalingsachterstand ter hoogte van € 7.895,25 te voldoen, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de respectieve vervaldata van de facturen lot de dag der algehele voldoening;

3. [bedrijf A] te veroordelen per april 2021 aan [bedrijf C] de contractuele huur en servicekosten van in totaal € 1.936,- inclusief BTW per maand te betalen tot aan de dag van de ontruiming van het gehuurde;

4. [bedrijf A] te veroordelen tot betaling van de proceskosten van [bedrijf C] en [bedrijf B] . De na de uitspraak nog vallende kosten (de nakosten) worden voor wat betreft het salaris voor de advocaat (het nasalaris) forfaitair berekend op € 157,- zonder betekening in conventie of reconventie/voor de vordering of voor de tegenvordering, € 246,- zonder betekening in conventie en reconventie/voor de vordering en voor de tegenvordering tezamen, en verhoogd met € 82,- in geval van betekening.

4.2.

Aan die vordering heeft [bedrijf C] - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd. [bedrijf A] heeft de huur onbetaald gelaten, waardoor er thans een huurachterstand is van € 7.895,25. Door in het geheel niet te betalen is [bedrijf A] tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens [bedrijf C] . Gezien de hoogte van de achterstand, meer dan vier maanden huur, is tevens de vordering tot ontruiming van het gehuurde gerechtvaardigd. Het spoedeisend belang bij die vordering is aanwezig vanwege de huurachterstand die thans reeds vier maanden bedraagt, en almaar verder oploopt. Om [bedrijf A] een prikkel te geven het gehuurde vrijwillig te verlaten, vordert [bedrijf C] tevens een dwangsom.

Het verweer in reconventie

4.3.

[bedrijf A] heeft tegen de vordering - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd. [bedrijf A] heeft de huurbetalingen opgeschort omdat zij geen toegang heeft tot het gehuurde en [bedrijf B en bedrijf C] zich het gehuurde heeft toegeëigend en daar spullen heeft opgeslagen. Dat blijkt uit de foto’s die op 23 maart 2021 zijn gemaild. Omdat [bedrijf C] het gehuurde niet aan [bedrijf A] ter beschikking stelt, is sprake van schuldeisersverzuim. De noodzaak voor het vorderen van een dwangsom is op geen enkele wijze aangetoond. De eis in reconventie moet daarom worden afgewezen.

4.4.

Op hetgeen partijen in reconventie verder nog hebben aangevoerd, wordt hierna, voor zover voor de uitkomst van de procedure van belang, teruggekomen.

5. De beoordeling

in conventie

Ontvankelijkheid en bevoegdheid

5.1.

Uit de door [bedrijf A] overgelegde huurovereenkomst blijkt reeds dat haar contractspartij [bedrijf C] is en niet [bedrijf B] . Ook de facturen met betrekking tot de maandelijkse huurbetalingen zijn afkomstig van [bedrijf C] . Gelet hierop heeft [bedrijf A] [bedrijf B] ten onrechte in rechte betrokken. Nu echter geen sprake is van een niet-bestaande (rechts)persoon, leidt het dagvaarden van een verkeerde (rechts)persoon niet tot niet-ontvankelijkheid maar tot afwijzing van de vordering.

5.2.

In artikel 94 lid 2 Rv is het volgende bepaald:

Indien een zaak meer vorderingen betreft en tenminste één daarvan een vordering is als bedoeld in artikel 93 onder c of d, worden deze vorderingen alle door de kantonrechter behandeld en beslist, voor zover de samenhang tussen de vorderingen zich tegen afzonderlijke behandeling verzet.

5.2.1.

De vordering in conventie van [bedrijf A] tegen [bedrijf C] en de vordering in reconventie van [bedrijf C] zijn vorderingen als bedoeld in artikel 93 onder c Rv, omdat deze de (onder)huurovereenkomst tussen [bedrijf A] en [bedrijf C] betreffen.

5.2.2.

Nu [bedrijf D] de eigenaar is van de Wilhelminatoren, is zij tevens aan te merken als hoofdverhuurder. Daarmee is naar het oordeel van de kantonrechter sprake van een mate van samenhang, die zich verzet tegen afzonderlijke behandeling van de door [bedrijf A] ingestelde vorderingen. De kantonrechter is daarom van oordeel dat hij bevoegd is om ook kennis te nemen van de vordering in conventie van [bedrijf A] tegen [bedrijf D] .

Spoedeisend belang

5.3.

Nu [bedrijf A] de testlocatie al sinds 16 december 2020 (de datum van de sommatie) niet meer heeft kunnen exploiteren, rijst de vraag of zij (thans nog) een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen.

5.3.1.

De kantonrechter heeft dit ter zitting met partijen besproken, mede in het licht van de brief van 23 december 2020 van een voormalige gemachtigde van [bedrijf A] , waarin een termijn van 24 uur wordt gesteld (productie 4 van [bedrijf A] ), en de brief van 20 januari 2021 van een andere voormalige gemachtigde van [bedrijf A] , waarin een termijn van twee weken wordt gesteld (productie 5). Eerst op 9 maart 2021 - dus ruim tweeënhalve maand na de sommatie - is de dagvaarding betekend.

5.3.2.

Van de zijde van [bedrijf A] is ter zitting verklaard dat zij niet tevreden was over de eerdere gemachtigden en dat de huidige gemachtigde vrijwel direct is overgegaan tot het dagvaarden van gedaagden.

5.3.3.

Alles in aanmerking nemende en gelet op de omstandigheid, dat [bedrijf A] de testlocatie niet meer kan exploiteren en daaruit dus in het geheel geen inkomsten kan genereren, is de kantonrechter van oordeel dat voldoende is gebleken dat zij een spoedeisend belang heeft bij de door haar gevorderde voorziening, zodat zij in zoverre ontvankelijk is in haar vordering.

Inhoudelijk

5.4.

In dit kort geding dient, mede op basis van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vordering van [bedrijf A] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

5.5.

De kern van het geschil betreft de vraag wat [bedrijf A] en [bedrijf C] bij het aangaan van de huurovereenkomst voor ogen heeft gestaan, in het bijzonder met betrekking tot de bestemming van het gehuurde.

5.5.1.

Het gaat hier dus om de uitleg van de onderlinge afspraken waarin de verplichtingen uit de tussen partijen geldende huurovereenkomst (nader) zijn geregeld. Die uitleg kan niet alleen worden gegeven op grond van een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen ervan, maar daarbij komt het tevens aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkanders verklaringen en gedragingen en aan de context van de overeenkomst mochten toekennen en op wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 Haviltex).

5.5.2.

Naar het oordeel van de kantonrechter geeft de huurovereenkomst zelf in ieder geval geen aanknopingspunt voor de stelling van [bedrijf A] dat zij in het gehuurde een testlocatie mocht exploiteren, nu van een dergelijke bestemming in de huurovereenkomst geen melding wordt gemaakt. Daar komt nog bij dat artikel 5.1 van de algemene voorwaarden van [bedrijf C] - daargelaten dat [bedrijf A] de toepasselijkheid van die algemene voorwaarden betwist - ander gebruik dan het gebruik als kantoorruimte verbiedt:

The member shall only use the accommodation as an office. The office may not be used for retail or medical purposes in which there are frequent visits by the public.

Het kan echter niet op voorhand worden uitgesloten dat [bedrijf A] en [bedrijf C] mondeling iets anders hebben afgesproken en daarmee dus hebben beoogd af te wijken van hetgeen op papier staat.

5.5.3.

Ter zitting heeft de heer [persoon 1] desgevraagd verklaard hoe [bedrijf A] en [bedrijf C] met elkaar in contact zijn gekomen. Een kennis van [persoon 1] huurde al van [bedrijf B en bedrijf C] en heeft het eerste contact gelegd met [persoon 5] . Die kennis heeft daarbij aangegeven dat [bedrijf A] op zoek was naar een locatie voor het uitvoeren van preventieve COVID-19 tests. [persoon 5] zou daarop gezegd hebben dat er in de Wilhelminatoren geen zieke mensen mochten langskomen en toen door die kennis werd bevestigd dat daarvan geen sprake zou zijn, mocht de heer [persoon 1] langskomen. Tijdens het gesprek tussen [persoon 1] en [persoon 5] heeft zij nogmaals gevraagd of het wel echt om preventief testen zou gaan. Toen [persoon 1] dat bevestigde, heeft hij de huurovereenkomst getekend, is hij in de bedrijfsruimte gaan kijken hoe deze kon worden ingericht en hebben drie mensen van [bedrijf B en bedrijf C] hem de dagen daarna geholpen met de inrichting ervan.

5.5.4.

Hier tegenover staat de door [bedrijf C] overgelegde e-mail van 23 maart 2021 van [persoon 5] , waarin staat:

“(…) Ik heb de dagvaarding van [bedrijf A] gelezen met de bijlagen.

Ik heb nooit geweten dat [bedrijf A] de ruimte als COVID-19 teststraat zou gaan gebruiken zoals in de dagvaarding omschreven. (…)”

5.5.5.

De inhoud van die e-mail wordt weersproken door de door [bedrijf A] overgelegde email van 11 februari 2021 van haar voormalige gemachtigde mr. N. Rachid, waarin staat:

“Middels dit schrijven kan ik u bevestigen dat ik - in mijn hoedanigheid als advocaat - op 15 december 2020 contact heb gehad met mevrouw [persoon 5] , chief bij [bedrijf B] .

Mevrouw [persoon 5] gaf tijdens het gesprek aan dat [bedrijf B en bedrijf C] wel degelijk wist wat de activiteiten vanuit [bedrijf A] zouden inhouden bij het aangaan van de huurovereenkomst. Tevens gaf mevrouw [persoon 5] aan dat zij niet begreep waarom de eigenaar van het pand zich zo verzette tegen de activiteiten van [bedrijf A] nu zij verwachtte dat de activiteiten van [bedrijf A] in de zeer nabije toekomst niet meer uit het normale straatbeeld weg te denken zouden zijn. Mevrouw [persoon 5] heeft aangegeven dat zij zou pogen om de eigenaar van het pand het voorgaande in te laten zien.(…)”

5.6.

Gegeven de uiteenlopende standpunten van [bedrijf A] en [bedrijf C] over de gemaakte afspraken met betrekking tot de bestemming van het gehuurde, kan niet op voorhand worden vastgesteld wat de bedoeling van partijen is geweest bij het aangaan van de huurovereenkomst. Ter beantwoording van die vraag acht de kantonrechter een nader onderzoek naar de feiten nodig middels bewijslevering, waaronder mogelijk het horen van getuigen. De kort geding-procedure leent zich echter naar zijn aard niet voor dergelijke nadere bewijslevering.

5.7.

Op grond van het voorgaande kan niet geconcludeerd worden dat een ordemaatregel thans vereist is dan wel dat het zodanig aannemelijk is dat in een bodemprocedure geoordeeld zal worden dat de vorderingen van [bedrijf A] een zodanige kans van slagen hebben, dat toewijzing daarvan reeds nu gerechtvaardigd is.

5.8.

Dit betekent dat de vorderingen van [bedrijf A] zullen worden afgewezen.

5.9.

[bedrijf A] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten in conventie. Die kosten worden tot aan deze uitspraak aan de zijde van [bedrijf C] en [bedrijf B] vastgesteld op € 249,00 aan salaris voor de gemachtigde (1 punt à € 249,00 per punt). Tot aan deze uitspraak worden de kosten aan de zijde van [bedrijf D] eveneens vastgesteld op € 249,00 aan salaris voor de gemachtigde (1 punt à € 249,00 per punt).

in reconventie

5.10.

Ter zitting is niet gebleken dat [bedrijf C] en/of [bedrijf D] [bedrijf A] categorisch verbiedt om het gehuurde te betreden. Het verbod ziet alleen op het gebruik van het gehuurde als testlocatie. Zolang in conventie niet vaststaat of [bedrijf A] het gehuurde heeft gehuurd als testlocatie dan wel als kantoor, kan de kantonrechter in reconventie niet beoordelen of [bedrijf A] de huurbetalingen al dan niet terecht heeft opgeschort vanwege de gestelde tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst door [bedrijf C] . Het oordeel of [bedrijf C] haar verplichtingen uit de huurovereenkomst jegens [bedrijf A] al dan niet nakomt, hangt immers ook af van het oordeel in conventie over de uitleg van de huurovereenkomst.

5.11.

Op grond van het voorgaande kan dus niet geconcludeerd worden dat het zodanig aannemelijk is dat in een bodemprocedure geoordeeld zal worden dat de reconventionele vordering van [bedrijf C] een zodanige kans van slagen heeft, dat toewijzing daarvan reeds nu gerechtvaardigd is.

5.12.

Dit betekent dat de vorderingen van [bedrijf C] zullen worden afgewezen.

5.13.

[bedrijf C] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten in reconventie. Gelet op het feit dat de reconventionele vordering niet of nauwelijks tot extra werkzaamheden aan de zijde van [bedrijf A] heeft geleid, worden deze kosten begroot op nihil aan salaris voor de gemachtigde.

6. De beslissing

De kantonrechter,

rechtdoende in kort geding:

in conventie

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [bedrijf A] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [bedrijf C] en [bedrijf B] vastgesteld op € 249,00 aan salaris voor de gemachtigde;

veroordeelt [bedrijf A] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [bedrijf D] vastgesteld op € 249,00 aan salaris voor de gemachtigde;

in reconventie

wijst de vordering af;

veroordeelt [bedrijf C] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [bedrijf A] vastgesteld op nihil;

in conventie en reconventie

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R. van Tongeren en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44478