Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3139

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-04-2021
Datum publicatie
15-04-2021
Zaaknummer
8955722 CV EXPL 21-412
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

“Zacht” consumentenkrediet. Kredietwaardigheidstoets niet uitgevoerd. Kredietovk nietig, vordering niet toewijsbaar op die grondslag, wel op grond van onverschuldigde betaling. Beroep op verjaring slaagt niet. Geen WR. Geen BIK ivm rauwelijks dagvaarden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&E FR 2021/14, UDH:S&E FR/50427 met annotatie van Jan Willem van der Velden
NJF 2021/244
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8955722 CV EXPL 21-412

uitspraak: 2 april 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Kedin Consumenten Financieringen B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 20 oktober 2020,

gemachtigde: Valkenpoort Fiscalisten en Bedrijfsjuristen te Oostvoorne,

tegen

[persoon A] ,

wonende te [woonplaats A] ,

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als “Kedin” respectievelijk “ [persoon A] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken:

 de dagvaarding, met producties;

 de conclusie van antwoord, met productie;

 de conclusie van repliek, met productie;

 de conclusie van dupliek.

1.2.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1.

Kedin als kredietgever en [persoon A] als kredietnemer hebben op 6 maart 2017 een kredietovereenkomst gesloten, uit hoofde waarvan Kedin aan [persoon A] een krediet heeft verstrekt ter grootte van € 118,80. Partijen zijn overeengekomen dat het krediet een looptijd heeft van 24 maanden en dat [persoon A] het krediet in maandelijkse termijnen van elk € 4,95 uiterlijk op 6 maart 2019 aflost.

2.2.

[persoon A] heeft een betalingsachterstand laten ontstaan, waarover partijen op 22 september 2017 telefonisch hebben gesproken.

2.3.

Op 25 september 2017 heeft [persoon A] een bedrag van € 49,50 aan Kedin betaald.

3. Het geschil

3.1.

Kedin heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, voor zover uitvoerbaar bij voorraad, [persoon A] te veroordelen:

1. om aan Kedin, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen € 49,50, te vermeerderen

met de wettelijke rente, vanaf de dag der dagvaarding, althans de dag van opeising, tot aan

de dag van de algehele voldoening;

2. subsidiair om aan Kedin, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen € 49,50;

3. meer subsidiair om aan Kedin, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen € 49,50;

4. uiterst subsidiair om aan Kedin, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen € 49,50;

5. primair, subsidiair, meer subsidiair dan wel uiterst subsidiair in de kosten van deze

procedure, hieronder begrepen het salaris van de gemachtigde en eventueel met de BTW

over de daarvoor in aanmerking komende kosten.

3.2.

Aan haar vordering heeft Kedin - zakelijk weergegeven en voor zover thans van

belang - het volgende ten grondslag gelegd. Kedin heeft [persoon A] op 5 september 2017 gemaand het volledige bedrag binnen vijftien dagen te betalen, bij gebreke waarvan Kedin de overeenkomst zal beëindigen en het volledige restant van het kredietbedrag opeisbaar zal worden. Op 20 september 2017 heeft Kedin de kredietovereenkomst beëindigd en het volledige saldo opgeëist. Kedin maakt op grond van artikel 7 sub 1 van de ‘Algemene kredietvoorwaarden aflopend consumentenkrediet zonder rente en kosten Kedin’ aanspraak op de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW. Bij het openstaande saldo is rekening gehouden met de gedane betalingen, waaronder de € 49,50 die op 25 september 2017 is voldaan. Subsidiair vordert Kedin de betaling van de reeds vervallen, maar niet-betaalde maandtermijnen, te weten (10 x € 4,95 =) € 49,50. Meer subsidiair vordert Kedin de betaling van het verschil tussen het aan [persoon A] geleende bedrag en het door hem betaalde bedrag, te weten (€ 118,80 minus € 69,30 =) € 49,50. Uiterst subsidiair is sprake van ongerechtvaardigde verrijking, op grond waarvan [persoon A] voornoemd verschil van € 49,50 aan Kedin dient te betalen.

3.3.

[persoon A] heeft de vordering betwist en heeft daartoe - voor zover thans van belang - bij conclusie van antwoord aangevoerd dat hij reeds op 25 september 2017 het bedrag van € 49,50 heeft betaald. Voorts heeft [persoon A] aangevoerd dat hij dacht dat hij slechts één maal € 49,50 was verschuldigd vóór 30 september 2017. Dat hij iets anders of meer was verschuldigd, zoals Kedin stelt, heeft [persoon A] niet begrepen uit het telefoongesprek op 22 september 2017. Vanaf 30 september 2017 tot de datum van dagvaarding heeft [persoon A] bovendien geen aanmaningen van Kedin ontvangen. Kedin heeft [persoon A] dus rauwelijks gedagvaard. Bovendien is de vordering inmiddels verjaard. Met deze vordering maakt Kedin misbruik van procesrecht. Indien de vordering wel toewijsbaar is, verzoekt [persoon A] om afwijzing van de gevorderde vergoeding van de proceskosten.

4. De beoordeling

4.1.

Ambtshalve dient beoordeeld te worden of de bepalingen van de WCK (de Wet op het consumentenkrediet) en/of titel 2A van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: titel 7:2A BW) van toepassing zijn. In die regelingen en de daaraan gelieerde regelingen is dwingend voorgeschreven aan welke vereisten kredietgevers moeten voldoen.

4.2.

Voor het bepalen van de toepasselijkheid van voornoemde regeling(en) is de datum van de totstandkoming van de overeenkomst van belang. Uit de door Kedin overgelegde stukken blijkt dat de overeenkomst tot stand is gekomen na 31 december 2016. De overeenkomst valt daarom in beginsel onder de reikwijdte van titel 7:2A BW zoals deze na deze datum geldt en de daaraan gelieerde regelingen.

4.3.

In de hiervoor genoemde regelingen en de daaraan gelieerde regelingen is bepaald dat de kredietgever jegens de kredietnemer-consument een aantal verplichtingen heeft. Een daarvan is de verplichting van de kredietgever om in het belang van de consument voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst informatie in te winnen over diens financiële positie en om, ter voorkoming van overkreditering van de consument, te controleren of het aangaan van de overeenkomst verantwoord is (artikel 4:34 lid 1 Wft, de Wet op het financieel toezicht). Dit is de zogeheten kredietwaardigheidstoets. De informatie over de financiële situatie van de kredietnemer moet worden onderbouwd met bewijsstukken, bijvoorbeeld met loonstroken.

4.4.

Hoewel Kedin heeft gesteld dat zij de kredietwaardigheid van door [persoon A] verstrekte financiële gegevens heeft getoetst voordat de overeenkomst tot stand is gekomen, heeft zij daarvan geen stukken overgelegd. De kantonrechter kan dan ook niet vaststellen of en wanneer Kedin de kredietwaardigheidstoets heeft uitgevoerd en gaat er daarom van uit dat Kedin de verplichting die artikel 4:34 lid 1 Wft haar oplegt, in dit geval niet heeft nageleefd.

4.5.

Die verplichting vormt de implementatie van artikel 8 van Richtlijn 2008/48 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot onttrekking van Richtlijn 87/102/EEG van de Raad. Consumenten-beschermende bepalingen in het nationale recht, zoals artikel 4:34 lid 1 Wft, die voortvloeien uit (een omzetting van) bedoelde richtlijn, moeten gelijkgesteld worden aan regels die naar nationaal recht van openbare orde zijn.

4.6.

Dat betekent dat als, zoals hiervoor is aangenomen, de kredietwaardigheidstoets niet is nageleefd, niet is voldaan aan een regel van openbare orde. De kredietovereenkomst is daarom op grond van artikel 3:40 lid 1 BW nietig. Dat brengt met zich dat de vordering niet kan worden toegewezen op grond van de kredietovereenkomst.

4.7.

Kedin heeft echter wel een geldbedrag aan [persoon A] beschikbaar gesteld. Nu er sprake is van een nietige kredietovereenkomst, heeft zij dat geldbedrag zonder rechtsgrond verstrekt. [persoon A] dient het ter beschikking gestelde geldbedrag daarom op grond van artikel 6:203 BW (onverschuldigde betaling) terug te betalen. Op dat geldbedrag strekt in mindering de (eventueel) reeds in rekening gebrachte rente, kosten en betalingen. Omdat de standpunten van partijen over het restant van het ter beschikking gestelde geldbedrag uiteenlopen, zal de kantonrechter hiermee beginnen.

4.8.

Kedin heeft - onweersproken - gesteld dat [persoon A] aanvankelijk alleen de termijnen van april, mei, juni en augustus 2017 ad € 4,95 heeft voldaan en de overige 20 maandtermijnen onbetaald heeft gelaten. [persoon A] heeft deze stelling niet weersproken. Gelet hierop staat tussen partijen vast dat ten tijde van het telefoongesprek op 22 september 2017 een door [persoon A] terug te betalen bedrag van (€ 118,80 - € 19,80 =) € 99,00 resteerde.

4.9.

Kedin heeft gesteld, dat [persoon A] op 25 september 2017 weliswaar € 49,50 heeft betaald, maar dat dat slechts de eerste van de twee afgesproken termijnen was. Kedin heeft een overzicht overgelegd, waarin te zien is aan welke termijnen zij dit bedrag heeft toegerekend - te weten juni 2017 en september 2017 tot en met mei 2018 - en dat de maanden juni 2018 tot en met maart 2019 (tien maanden) nog open stonden. Hiertegen heeft [persoon A] slechts aangevoerd dat hij uit het telefoongesprek op 22 september 2017 niet had begrepen dat hij niet één maar twee termijnen van € 49,50 diende te voldoen. Daarmee heeft [persoon A] echter niet betwist dat - na zijn betaling op 25 september 2017 - nog een openstaand bedrag van € 49,50 resteerde. Ook dat staat daarom tussen partijen vast.

4.10.

Het meest verstrekkende verweer van [persoon A] is dat de vordering tot betaling van het bedrag van € 49,50 aan Kedin inmiddels is verjaard.

4.10.1.

Op grond van artikel 3:309 lid 1 BW verjaart een rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger is bekend geworden en in ieder geval twintig jaren nadat de vordering is ontstaan.

4.10.2.

De (nietige) kredietovereenkomst is gesloten op 6 maart 2017 en dit is dus ook de datum waarop Kedin het bedrag van € 118,80 onverschuldigd aan [persoon A] heeft betaald. Sinds die datum zijn echter nog geen vijf jaren verstreken. Dit betekent dat het beroep van [persoon A] op verjaring niet slaagt.

4.11.

Het voorgaande betekent dat het door Kedin gevorderde bedrag van € 49,50 wordt toegewezen. Voor het toewijzen van de wettelijke rente zoals door Kedin gevorderd, bestaat onder deze omstandigheden geen grondslag. Dit deel van de vordering wordt dan ook afgewezen.

4.12.

Met betrekking tot de proceskosten is de kantonrechter van oordeel dat het op de weg van Kedin had gelegen om, alvorens [persoon A] na ruim drie jaar in rechte te betrekken, hem na zijn betaling van 25 september 2017 tenminste nog één maal aan te schrijven dan wel anderszins te benaderen om duidelijk te maken dat er nog een bedrag openstond, dat door Kedin onverschuldigd aan [persoon A] is betaald. Daarom is in dit geval sprake van rauwelijks dagvaarden, waarvan de kosten voor rekening van Kedin komen. Kedin wordt daarom als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van [persoon A] . Die proceskosten worden begroot op nihil, omdat [persoon A] in persoon procedeert.

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [persoon A] om aan Kedin tegen kwijting te betalen € 49,50;

veroordeelt Kedin in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [persoon A] begroot op nihil;

verklaart dit vonnis voor zover het voormelde veroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. Kemp-Randewijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44478