Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3131

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-04-2021
Datum publicatie
12-04-2021
Zaaknummer
10/960104-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Deelneming aan een terroristische organisatie en voorbereiden van terroristische misdrijven.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan deelneming aan een terroristische organisatie in Syrië, te weten IS. Zij heeft zich bovendien schuldig gemaakt aan het daartoe eigen maken van het radicale en extremistische gedachtegoed van de gewapende jihadstrijd van die organisatie. De verdachte heeft haar echtgenoot, die lid was van IS, gefaciliteerd, propaganda voor IS gevoerd via social media, getracht anderen te bewegen af te reizen naar Syrië en vuurwapens voorhanden gehad.

Veroordeling tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/960104-16

Uitspraakdatum: 12 april 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zwolle,

bijgestaan door mr. T.M.D. Buruma, raadsvrouw te Amsterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 11 februari en 31 maart 2021. Het onderzoek is gesloten op de terechtzitting van 31 maart 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting van 11 februari 2021 overeenkomstig de vordering nadere omschrijving tenlastelegging van de officier van justitie is gewijzigd.
De tekst van de nader omschreven tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. G. Sannes heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar met aftrek van voorarrest en met oplegging van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel, als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna Sr).

4. Inleiding

De verdachte wordt – kort gezegd – verweten dat zij in de periode van 21 november 2013 tot en met 30 oktober 2019 heeft deelgenomen aan de terroristische organisatie Islamitische Staat (hierna IS), voorheen Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) en Islamic State of Iraq and Levant (ISIL) genoemd en dat zij voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen heeft verricht tot het plegen van terroristische misdrijven.

5. Waardering van het bewijs

5.1.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft – overeenkomstig de inhoud van de door haar aan de rechtbank overgelegde pleitaantekeningen – betoogd dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van het aan haar tenlastegelegde. Zij heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat er geen bewijs is dat de verdachte deel uitmaakte van een terroristische organisatie in de zin van artikel 140a Sr (feit 1). De verdachte is in jeugdige naïviteit afgereisd en haar handelingen kunnen hooguit worden opgevat als burgerschap in het IS-gebied. Evenmin heeft de verdachte voorbereidings- dan wel bevorderingshandelingen (feit 2) verricht teneinde een terroristisch misdrijf te plegen. Voor de onder A, B, C en D feitelijk omschreven handelingen geldt dat deze hebben plaatsgevonden buiten de tenlastegelegde periode en reeds daarom niet kunnen worden bewezen. Voor de onder A, D, E, F en G omschreven feitelijke handelingen is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden om tot een bewezenverklaring te komen. Daar komt bij dat de ten laste gelegde feitelijke handelingen niet hebben plaatsgevonden met het oogmerk ter voorbereiding of bevordering van een terroristisch misdrijf.

5.2.

Bespreking van de verweren

Een groot deel van de belastende stukken uit het dossier bestaat uit chat- en facebookberichten. De raadsvrouw heeft verschillende bewijsverweren ten aanzien van die berichten gevoerd.

Chatgesprekken met [naam persoon 1]

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte de aangetroffen chatgesprekken met [naam persoon 1] in december 2013 niet heeft gevoerd. De verdachte beschikte in die periode niet over haar telefoon nu zij in het ziekenhuis lag. Die gesprekken moeten zijn gevoerd door [naam persoon 2] die gebruik moet hebben gemaakt van de telefoon van de verdachte.

De rechtbank stelt vast dat uit de inhoud van de bewijsmiddelen volgt dat in de periode van 8 december tot en met 11 december 2013 is gecommuniceerd tussen de telefoons van [naam persoon 3] en de verdachte ( [naam medeverdachte] ).

Op de computer van [naam persoon 1] , een bekende van de verdachte, is een groepschat aangetroffen met berichten die zijn gestuurd met de telefoon van de verdachte in de periode dat de verdachte in het ziekenhuis lag. Aan die groepschat nam ook [naam persoon 2] deel. De verdachte en [naam persoon 2] reageerden op elkaars berichten. Voorts zijn er berichten van [naam medeverdachte] uit diezelfde periode waarin zij persoonlijke informatie deelt over haar medische situatie en over haar moeder. Verder zijn er berichten aan Laari dat zij een koffer van de verdachte moet ophalen bij de moeder van de verdachte, met aanwijzingen over de omvang en de inhoud van de koffer.

De stelling van de verdachte dat [naam persoon 2] die berichten heeft gestuurd is gelet op het voorgaande dan ook niet geloofwaardig. Voor de stelling dat [naam persoon 2] zich zou voordoen als de verdachte zijn geen aanwijzingen. [naam persoon 2] , zou dan in de visie van de verdachte, dan berichten vanaf de telefoon van de verdachte sturen en daarop met haar eigen telefoon op reageren. De rechtbank gaat er vanuit de verdachte degene is geweest die de berichten aan [naam persoon 1] heeft gestuurd.

Facebookaccount [naam facebookaccount]

De raadsvrouw heeft daarnaast aangevoerd dat het Facebook-account [naam facebookaccount] niet toebehoort aan de verdachte, zodat de door de gebruiker van dat account geplaatste berichten niet aan de verdachte kunnen worden toegeschreven.

Het facebookaccount [naam facebookaccount] heeft berichten geplaatst in juni 2014 blijkens het screenshot onder de gebruikersnaam [naam medeverdachte] . Onder andere in het bericht van 19 juni 2014, waarin een aantal foto’s van wapens en bomgordels wordt gepost door de gebruiker [naam medeverdachte] staat vermeld “with [naam persoon 3] Al Belgykiya” wordt in de Nederlandse taal gereageerd door [naam persoon 3] . De stelling dat het facebookaccount [naam facebookaccount] niet door de verdachte is gebruikt, is niet geloofwaardig. Er is geen enkele aanwijzing dat een andere Nederlandstalige vrouw, met dezelfde gebruikersnaam [naam medeverdachte] in contact was met [naam persoon 3] . Ook voor de stelling dat [naam persoon 3] dit account zou gebruiken is niet geloofwaardig, nu zijn zelf reageert op de post onder haar eigen naam.

De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de communicatie zoals die zich in het dossier bevindt onder de naam [naam medeverdachte] van de verdachte afkomstig is.

5.3.

Beoordeling van het onder 1 ten laste gelegde feit

Vast staat dat de verdachte op 11 juli 2013 is uitgereisd naar Syrië. Aldaar is zij op 30 juli 2013 naar islamitisch recht getrouwd met de Belgische jihadist [naam echtgenoot verdachte] (hierna [naam echtgenoot verdachte] ). Zij woonden in Kafr Hamra, een buitenwijk van Aleppo, en voerden een gezamenlijk huishouden met [naam persoon 4] en diens vrouw [naam persoon 5] . In februari 2014 hebben de verdachte en haar man zich gevestigd in Raqqa en eind 2014 verhuisden zij naar Deir al-Zor, gebieden waar de terroristische organisatie IS de feitelijke macht had. In april 2015 en september 2016 zijn de kinderen van de verdachte en [naam echtgenoot verdachte] geboren. Volgens opgave van de verdachte is [naam echtgenoot verdachte] op 31 augustus 2017 omgekomen bij een bombardement en hebben zij tot die tijd een gezin gevormd. Na het overlijden van haar man heeft de verdachte gewoond in diverse IS-vrouwenhuizen. In maart 2019 is de verdachte vanuit Baghouz gevlucht naar het Koerdische vluchtelingenkamp Al-Hol en op 30 oktober 2019 heeft zij zich gemeld bij de Nederlandse ambassade in Ankara. Op 19 november 2019 is de verdachte op Schiphol aangekomen, waarna zij is aangehouden.

Ter terechtzitting heeft de verdachte bevestigd dat zij zich voorafgaand aan haar uitreis heeft verdiept in de situatie in het strijdgebied en wist dat er oorlog was. Niettemin heeft zij zich aldaar gevestigd. Ze heeft eveneens verklaard dat zij wel dacht dat haar man werkte voor IS.

Haar echtgenoot is in 2015 in België tot vijf jaar gevangenisstraf voor terrorismefeiten veroordeeld. In het dossier bevinden zich een door de AIVD op 25 november 2019 uitgebracht ambtsbericht, inhoudende dat [naam echtgenoot verdachte] een ISIS-strijder was en Belgische uitvoeringsstukken met een verklaring van [naam persoon 6] - een actieve deelnemer aan de gewelddadige strijd in Syrië – dat [naam echtgenoot verdachte] bij ISIS zat.

Op 30 juni 2014, één dag nadat IS haar kalifaat heeft uitgeroepen, post de verdachte een reactie op een facebook bericht van [naam persoon 2] waarin zij aangeeft heel blij te zijn dat zij, door tussenkomst van haar man, de eed van trouw mag afleggen aan (voormalig) IS-leider [naam (voormalig) IS-leider] . Haar verklaring dat zij dit alleen heeft gepost omdat zij bang was voor [naam persoon 2] , die werkzaam was voor de politie, is niet geloofwaardig. Zij had nauw en vriendschappelijk contact met [naam persoon 2] , die, naar eigen zeggen, voor haar zorgde toen zij in het ziekenhuis lag en waarbij zij woonde toen haar man was overleden.

De rechtbank leidt hieruit af dat de verdachte wist dat haar man lid was van IS. Daarnaast heeft de verdachte diverse berichten en afbeeldingen geplaatst op Facebook die in verband staan met de gewapende strijd. Uit de inhoud van die berichten volgt dat de verdachte de gewapende jihadstrijd verheerlijkte, de vechtende strijders steunde en achter IS stond. Ook heeft de verdachte propaganda gevoerd op Facebook en getracht [naam persoon 1] te bewegen af te reizen naar Syrië door de situatie aldaar te verheerlijken en haar reisadviezen te geven. Daarnaast heeft de verdachte vuurwapens voorhanden gehad. Deze bevonden zich in de echtelijke woning. Uit een chatgesprek met [naam persoon 1] op 11 december 2013 volgt daarnaast dat de verdachte ook weleens met haar man mee ging om te schieten. De rechtbank leidt daaruit af dat zij ook op die momenten een vuurwapen voorhanden had. Daarnaast heeft de verdachte op 19 juni 2014, blijkens een door haar geplaatste foto op Facebook, (hand)vuurwapens, granaten en munitie voorhanden gehad. Tot slot heeft de verdachte uitvraag gedaan naar vuurwapens.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte, op grond van voornoemde feitelijke omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, kan worden beschouwd als lid van en (daarmee) deelnemer aan de terroristische organisatie IS. Van louter burgerschap, zoals de verdediging heeft betoogd, is geen sprake. Zij heeft zich als een lid van IS gedragen en zich aldus schuldig gemaakt aan deelneming aan een organisatie die het oogmerk heeft tot het plegen van terroristische misdrijven. De rechtbank betrekt in haar overtuiging tevens de kennelijk hechte band van de verdachte met prominenten van IS zoals [naam persoon 2] die deel uitmaakte van de IS-politie en wier echtgenoot [naam persoon 7] was van de religieuze politie van IS in Raqqa. Voor beiden geldt dat zij evident een maatschappelijke functie hebben bekleed binnen IS. Daarnaast ziet de rechtbank als aanwijzing voor het lidmaatschap van IS van de verdachte dat zij zich jarenlang, tot de val van het kalifaat in maart 2019, heeft opgehouden in en heeft gereisd naar door IS gecontroleerde gebieden.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 21 november 2013 tot en met 30 oktober 2019 deelgenomen heeft aan een terroristische organisatie, te weten IS, welke op de betreffende EU en VN lijsten is opgenomen als terroristische organisatie en mitsdien als zodanig heeft te gelden.

5.4.

Beoordeling van het onder 2 ten laste gelegde feit

Juridisch kader

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat voldoende is om tot een bewezenverklaring van, kort gezegd, de in artikel 96 lid 2 Sr bedoelde voorbereiding of bevordering van de in artikel 289a Sr omschreven misdrijven te komen, indien het oogmerk van de verdachte op het begaan van die misdrijven is gericht, zonder dat een concretisering van het voor te bereiden of te bevorderen misdrijven naar tijdstip, plaats en wijze van uitvoering is vereist. De Hoge Raad overweegt in dit verband dat gelet op de wetsgeschiedenis de voor toepassing van artikel 46 Sr vereiste mate van concretisering ook geldt voor artikel 96 lid 2 Sr.
Vereist is daarom slechts dat met voldoende bepaaldheid blijkt op welk in artikel 289a Sr omschreven misdrijf de nader aan artikel 96 lid 2 Sr ontleende voorbereidings- of bevorderingshandelingen waren gericht.1

Beoordeling
Aan de verdachte is, in het kader van de strafbaarstelling van artikel 96 lid 2 Sr, een aantal gedragingen ten laste gelegd die strekken tot het opzettelijk met het (terroristisch) oogmerk voorbereiden en/of bevorderen van het plegen van brandstichting en/of teweegbrengen van een ontploffing, doodslag en/of moord. Deze gedragingen zijn feitelijk omschreven onder A tot en met G.

Onderdeel A

Uit hetgeen hiervoor onder 5.3. is overwogen over het lidmaatschap van de verdachte van IS, volgt dat de verdachte aanhanger was van het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende strijd.

Onderdeel C

Dat de verdachte heeft verbleven in door IS gecontroleerde gebied in Syrië, volgt uit hetgeen hiervoor onder 5.3. is overwogen.

Nu de verdachte de reis naar Syrië heeft gemaakt buiten de ten laste gelegde periode, wordt zij vrijgesproken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Onderdelen B en D

Nu de onder B en D omschreven handelingen buiten de ten laste gelegde periode hebben plaatsgevonden spreekt de rechtbank verdachte van die onderdelen vrij.

Onderdeel E

Dat de echtgenoot van de verdachte lid van was IS volgt uit hetgeen hiervoor onder 5.3. is overwogen.

In een door dr. [naam dr.] opgemaakte rapportage, getiteld: ‘Vrouwen en Jihad’ van 29 maart 2018, wordt onder andere het volgende vermeld:

“(…) IS heeft het afleggen van de eed van trouw ook verplicht gesteld voor vrouwen. Bij de opbouw van het kalifaat lijken vrouwen voornamelijk de rol van echtgenote en moeder te krijgen toebedeeld. Uit verschillende studies blijkt dat vouwen daarnaast worden ingezet als propagandisten, rekruteurs en hoedsters van de strenge islamitische regels die door IS in de door haar bezette gebieden wordt opgelegd.

Een studie naar de connectiviteit van vrouwen in extremistische netwerken, gepubliceerd in juni 2016, concludeert dat vrouwen van IS on- en offline een cruciale rol spelen bij het

voortbestaan van de organisatie.”

Dat de verdachte een dergelijke bijdrage heeft geleverd terwijl zij in IS-gebied verbleef, volgt uit de berichten die zij heeft geplaatst op haar Facebookaccounts en uit het feit dat zij heeft getracht [naam persoon 1] te bewegen af te reizen naar Syrië.

Onderdeel F
Dat de verdachte propaganda heeft gemaakt voor IS, en heeft getracht [naam persoon 1] te bewegen af te reizen naar Syrië en uitvraag heeft gedaan naar vuurwapens, volgt uit hetgeen hiervoor onder 5.3. is overwogen.

Onderdeel G

Dat de verdachte vuurwapens voorhanden heeft gehad, volgt uit hetgeen hiervoor onder 5.3. is overwogen.

Tussenconclusie

De verdachte, die evenals haar (toenmalige) partner het radicaal extremistisch gedachtegoed aanhangt (onderdeel A), heeft door te verblijven in door IS gecontroleerde gebieden in Syrië (onderdeel C), hem gelegenheid gegeven om als jihadstrijder deel te nemen aan de gewapende strijd ter verwezenlijking van het oogmerk van IS; het plegen van terroristische misdrijven. Aldus heeft de verdachte haar partner, een IS-strijder, gefaciliteerd (onderdeel E). Ook heeft de verdachte in het kalifaat een ondersteunende rol voor IS gehad door zowel voor hun kinderen als voor het huishouden te zorgen. Daarnaast heeft de verdachte vanuit het kalifaat op Facebook berichten geplaatst die betrekking hebben op de gewapende strijd, propaganda gemaakt, vuurwapens voorhanden gehad, uitvraag gedaan naar vuurwapens en getracht [naam persoon 1] te bewegen af te reizen naar Syrië (onderdelen F en G). De handelingen onder A, C, E, F en G kunnen derhalve bewezen worden.

Conclusie

Met de bewezenverklaarde feitelijkheden – in onderling verband en samenhang bezien – heeft de verdachte aan anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen verschaft tot het deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië en derhalve tot het plegen van de omschreven terroristische misdrijven.

Ook heeft zij een ander getracht te bewegen om de omschreven terroristische misdrijven (door deelname aan IS) te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, door ‘reclame’ te maken voor het leven bij IS in het strijdgebied. De verdachte heeft aldus beoogd de in de tenlastelegging genoemde terroristische misdrijven voor te bereiden dan wel te bevorderen.

5.5.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.
zij

in de periode van 21 november 2013 tot en met

30 oktober 2019 in Syrië,

heeft deelgenomen aan de terroristische organisatie Islamitische

Staat (IS), welke organisatie tot oogmerk had en heeft het plegen van terroristische misdrijven, te weten,

A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl

daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten

gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te)

begaan met een terroristisch oogmerk en/of

B. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in

artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel

289/289a jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

D. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot

eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en/of 289a en/of

96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

E. het voorhanden hebben van een of meerdere wapens en/of munitie van de

categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet wapens

en munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om

een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals

bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de Wet wapens en munitie).

2.

zij

in de periode van 21 november 2013 tot en met

30 oktober 2019 in Syrië ,

met het oogmerk om ter voorbereiding en/of ter bevordering van de te plegen misdrijven:

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl

daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten

gevolge heeft, (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in

artikel 157 jo 176a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

- doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel

288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

- moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289(a)

jo 83 van het Wetboek van Strafrecht)

- een ander heeft trachten te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen

of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid,

middelen of inlichtingen te verschaffen en/of

- gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan

zichzelf of aan anderen heeft verschaft en/of

- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan zij wist dat zij bestemd waren tot

het plegen van het misdrijf

immers heeft zij, verdachte

A. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd

met een terroristisch oogmerk, gevoerd door de terroristische organisatie

Islamitische Staat (verder IS), eigen gemaakt en

C verbleven in het

strijdgebied in Syrië en

E. in Syrië en

bijgedragen aan de gewapende Jihadstrijd gevoerd door de (terroristische)

organisatie IS en

F. zich (middels internet / social media(kanalen) / mediaplatform(s))

geuit en met (een) ander(en) perso(o)n(en) gechat/gecommuniceerd en berichten en/of afbeeldingen geplaatst en/of gedeeld, met betrekking tot en/of

inhoudende (onder meer) (gewelddadig) jihadistisch getinte en/of

(pro)IS-gerelateerde content/propaganda en/of geïnformeerd naar en/of

gevraagd om vuurwapens en

G. in Syrië vuurwapens voorhanden gehad,

in welke gewapende Jihadstrijd moord en/of doodslag en/of brandstichting

en/of het teweegbrengen van ontploffingen worden gepleegd, telkens met een

terroristisch oogmerk.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

6. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven.

2.

met het oogmerk om opzettelijk brand stichten en/of ontploffingen teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft, en/of moord en/of doodslag, telkens te begaan met een terroristisch oogmerk, voor te bereiden en/of te bevorderen, zich/een ander gelegenheid en middelen verschaffen en voorwerpen voorhanden hebben waarvan zij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

7. Strafbaarheid verdachte

Beroep op externe en psychische overmacht

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte een beroep op externe en psychische overmacht toekomt. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het onmogelijk was voor de verdachte om te vertrekken uit het strijdgebied vanwege haar persoonlijke situatie en de feitelijke situatie aldaar. De verdachte werd streng in de gaten gehouden en stond onder grote druk van [naam echtgenoot verdachte] en [naam persoon 4] , [naam persoon 5] , [naam persoon 2] en [naam persoon 7] . De verdachte vreesde voor haar leven en welzijn als zij dingen deed die deze personen niet beviel. Dit in combinatie met haar jonge leeftijd en het feit dat zij verbleef in een onbekend land, maakte dat de verdachte de druk niet kon weerstaan om mee te gaan in de plannen van anderen en was zij niet volledig in staat tot een andere wilsuitdrukking te komen. Pas na het overlijden van [naam echtgenoot verdachte] in augustus 2017 nam de verdachte weer zelfstandig beslissingen. Zij heeft vanaf dat moment herhaaldelijk pogingen ondernomen om het IS-gebied te ontvluchten, maar door omstandigheden buiten haar macht mislukten deze telkens.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Niet strafbaar is degene die een feit begaat waartoe hij door overmacht is gedwongen. Daarvan is in dit geval geen sprake. Vast staat dat de verdachte geheel zelfstandig naar het strijdgebied in Syrië is vertrokken en daar jarenlang heeft verbleven zonder kenbaar te maken dat zij daar weg wilde, ofschoon zij regelmatig contact had met haar familie. Dat zij niet kon vertrekken is niet gebleken. Haar huisgenote en schoonzus [naam persoon 5] is op enig moment wel vertrokken naar haar thuisland. Dat bleek dus wel mogelijk. Onder die omstandigheden is het enkele verblijf in het strijdgebied onvoldoende om aan te nemen dat de verdachte niet kón vertrekken.

Van psychische overmacht is sprake bij een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kan en ook niet hoeft te bieden.

Van dergelijke omstandigheden is niet gebleken. Dat de situatie moeilijk is geweest in het kalifaat is aannemelijk, maar de verdachte is daar zelf naar toe gereisd en had nauwe contacten met leden van IS die voor haar zorgden, ook toen haar man was overleden. Er zijn geen aanwijzingen dat de verdachte geen weerstand kon bieden aan de druk om deel te nemen aan IS. Ook de triplerapportage die over de verdachte is opgesteld bevat geen aanwijzingen dat de verdachte geen weerstand zou kunnen bieden aan de situatie.

Het verweer wordt verworpen.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

8. Motivering straf

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan, alsmede de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte is in juli 2013 op zeventienjarige leeftijd uitgereisd naar Syrië. Zij heeft zich een lange tijd schuldig gemaakt aan deelname aan de terroristische organisatie IS en heeft zich tot de val van het kalifaat opgehouden in door IS gecontroleerde gebieden. Vast staat dat IS tot doel heeft het omverwerpen van het regime van Assad en het vestigen van een islamitische staat. Vast staat ook dat het geweld dat deze terroristische organisatie gebruikt om zijn doel te bereiken buitengewoon wreed is en dat er jegens andersdenkenden ernstige mensenrechtenschendingen worden gepleegd zoals standrechtelijke executies, moord, martelingen en verminking van krijgsgevangenen en van burgers. Veel van die misdrijven worden bovendien gepleegd met het uitdrukkelijke doel de bevolking in deze gebieden vrees aan te jagen en zijn daarmee ontegenzeggelijk terroristische misdrijven. Ten slotte wordt terrorisme internationaal gezien als een van de ernstigste misdrijven.

Daarnaast heeft de verdachte zich het gedachtengoed van IS eigen gemaakt, in het strijdgebied in Syrië verbleven, zich aangesloten bij IS en haar echtgenoot, die lid was van IS, heeft gefaciliteerd, propaganda voor IS gevoerd via social media, getracht anderen te bewegen af te reizen naar Syrië en vuurwapens voorhanden gehad.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op een uittreksel justitiële documentatie van 15 januari 2021 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de inhoud van het over de verdachte uitgebrachte Pro Justitiarapport van psychiater [naam psychiater] , klinisch psycholoog [naam klinisch psycholoog] en forensisch milieuonderzoeker [naam forensisch milieuonderzoeker] , gedateerd 22 juli 2020.

De rapporteurs komen tot de conclusie dat er geen aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van een psychiatrische problematiek in engere zin, ontwikkelings- of persoonlijkheidsproblematiek bij de verdachte in de periode voorafgaand aan haar vertrek naar Syrië. Tijdens haar verblijf in Syrië heeft zij door de blootstelling aan traumatische gebeurtenissen weliswaar een posttraumatische stressstoornis en een somatisch-symptoomstoornis ontwikkeld, maar niet kan worden aangegeven in welke mate en op welke manier dit van invloed is geweest op de door haar gemaakte keuzes. Nu er geen verband tussen de stoornissen en het ten laste gelegde aantoonbaar is, kan het ten laste gelegde haar worden toegerekend. Na de terugkeer uit het IS-strijdgebied is bij de verdachte sprake van ontgoocheling en spijt. Het risico om opnieuw naar Syrië uit te reizen wordt als laag geschat. Het risico dat betrokkene (opnieuw) radicale netwerken gaat opzoeken en zich actief bezig gaat houden met radicale ideologie wordt als matig beoordeeld.

De rechtbank neemt de conclusies over en maakt die tot de hare.

Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies gedateerd 5 februari 2021 van [naam reclasseringsmedewerker 1] en [naam reclasseringsmedewerker 2] , reclasseringswerkers bij Reclassering Nederland. Het reclasseringsrapport houdt onder meer in dat de reclassering zorgen heeft over de probleemhantering van de verdachte en over het sociale netwerk waarin zij zich heeft begeven. De reclassering adviseert een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden en de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het toezicht.

De verdachte heeft verklaard bereid te zijn zich aan de bijzondere voorwaarden te houden.


In het voordeel van de verdachte houdt de rechtbank rekening met de jeugdige leeftijd van de verdachte toen zij zich aansloot bij IS. In het nadeel van de verdachte weegt de lengte van haar verblijf in Syrië. Zij heeft jarenlang verbleven in het strijdgebied zonder serieuze pogingen om te vertrekken.

Gelet op de ernst van de feiten en de lengte van het verblijf van de verdachte in Syrië is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van substantiële duur passend en geboden is.

De rechtbank houdt ook rekening met het volgende. De verdachte is geboren en opgegroeid in Nederland en is op 17 jarige leeftijd, mede onder invloed van anderen, zeer tegen de wens van haar familie, uitgereisd naar Syrië. En alhoewel zij heeft zich aangesloten bij IS en een bijdrage heeft geleverd aan de daden van IS, is er ook sprake van een onvolwassen en impulsieve daad en heeft zij de gevolgen van haar daad niet overzien.

In Syrië is zij moeder geworden van twee kinderen. Zij heeft, zoals onder meer blijkt uit de rapportages van de Raad voor de Kinderbescherming, onder heel moeilijke omstandigheden heel goed voor haar kinderen gezorgd en een hechte band met hen opgebouwd. Haar kinderen zijn bij aankomst in Nederland van haar gescheiden, onder toezicht geplaatst en zijn woonachtig bij de zus van de verdachte. De Minister heeft, tegen het advies van het Openbaar Ministerie in en voordat er een strafrechtelijke veroordeling is, de Nederlandse nationaliteit ingetrokken en haar tot ongewenst vreemdeling verklaard. Dat betekent dat de verdachte niet in Nederland woonachtig mag zijn als zij vrij komt. Welke gevolgen dat heeft voor haar kinderen, die de Nederlandse nationaliteit wel bezitten, is thans onduidelijk.

De rechtbank zal bij het bepalen van de straf dan ook rekening houden met de belangen van de kinderen van de verdachte nu die de Nederlandse nationaliteit bezitten en dit direct raakt aan de belangen van de verdachte. De rechtbank zal de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, waarvan 16 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar. De rechtbank heeft bij het vaststellen van deze strafmodaliteit acht geslagen op de hiervoor vermelde belangen van de kinderen van de verdachte zulks mede gelet op de (huidige) nationaliteitsstatus van de verdachte. Aan het voorwaardelijk deel zullen de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals geformuleerd door de reclassering. De rechtbank acht geen termen aanwezig om de door de officier van justitie gevorderde gedragsbeïnvloedende maatregel ex artikel 38z Sr op te leggen.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aard van het delict en de omstandigheden waaronder dit is begaan, blijkend uit de diverse bovenvermelde rapportages, er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank zal daarom de dadelijk uitvoerbaarheid bevelen van de opgelegde bijzondere voorwaarden.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen:
14a, 14b, 14c, 14d, 57, 83a, 96, 140a, 157, 176a, 176b, 288a, 289 en 289a van het Wetboek van Strafrecht, alsmede op de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en Munitie.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 (achtenveertig) maanden;

bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte, groot 16 (zestien) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

stelt als bijzondere voorwaarden:

1. de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland op het adres [adres reclassering] te [locatie reclassering] , zolang en frequent de reclassering dat noodzakelijk vindt. De veroordeelde dient op een constructieve wijze mee te werken aan gesprekken en openheid van zaken te geven over de door de reclassering bepaalde gespreksonderwerpen;

2. de veroordeelde zal zich niet begeven op de internationale luchthavens Schiphol, The Hague Airport, Eelde, Eindhoven en Maastricht, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De veroordeelde dient op 2 kilometer afstand van de landsgrenzen te blijven en gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering. Tevens wordt het de veroordeelde verboden om op of in de nabijheid van het adres van haar zus (pleegouders van haar kinderen) te komen zonder toestemming van de Reclassering (in samenspraak met Jeugdzorg), dit betreft het adres
[adres] , [postcode 1] te [plaats 1] en op of in de nabijheid van de school van de kinderen, te weten [naam school] school, [adres school] , [postcode school] te [locatie school] . De veroordeelde dient medewerking te verlenen aan elektronische controle op dit locatieverbod.

3. de veroordeelde zal gedurende het toezicht op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig zijn op het verblijfadres [verblijfadres] , [postcode 2] [plaats 2] , zolang het Openbaar Ministerie dat nodig vindt. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met de veroordeelde en afhankelijk van de dagbesteding. Op doordeweekse dagen met dagbesteding heeft de veroordeelde een aaneengesloten blok van twaalf (12) uur dat zij niet op het verblijfadres hoeft te zijn. Zonder dagbesteding is dat twee (2) uur. In de weekenden heeft de veroordeelde een aaneengesloten blok van vier (4) uur per dag vrij te besteden. Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering de genoemde bloktijden veranderen. De veroordeelde dient medewerking te verlenen aan elektronische controle op dit locatiegebod. Een ander adres voor het locatiegebod is slechts mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft;

4. de veroordeelde zal op geen enkele wijze – direct of indirect – contact hebben met:
[naam persoon 8] , geboren op [geboortedatum 8]
[naam persoon 1] , geboren op [geboortedatum 1]
[naam persoon 9] , geboren op [geboortedatum 9]
[naam persoon 10] , geboren op [geboortedatum 10]

[naam persoon 5]

[naam persoon 11]

[naam persoon 2]

[naam persoon 7]

[naam persoon 12] , geboren op [geboortedatum 12]

De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod;

5. de veroordeelde zal haar medewerking verlenen aan gesprekken met een door de reclassering aan te wijzen externe theologisch deskundige;

6. de veroordeelde zal ter controle van de onder 2 en 3 genoemde voorwaarden gebruik maken van door Reclassering Nederland aangewezen technische hulpmiddelen ter ondersteuning van het elektronisch toezicht, na ingang van de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering verantwoord vindt;

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de genoemde bijzondere voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J. van der Groen, voorzitter,

mr. A. Boer en mr. D. van Putten, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Ince, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 april 2021.

Bijlage I

Tekst nader omschreven tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

zij op één of meerdere tijdstippen in de periode van 21 november 2013 tot en met

30 oktober 2019 in één of meer plaats(en) in Syrië en/of Irak,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

heeft deelgenomen aan een (terroristische) organisatie, te weten Islamitische

Staat (IS), dan wel, Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) of Islamic State of

Iraq and Levant (ISIL), althans (telkens) een aan IS gelieerde organisatie,

althans (een) organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat/voorstaan, welke organisatie tot oogmerk had en/of heeft het plegen van terroristische misdrijven, te weten,

A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl

daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten

gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te)

begaan met een terroristisch oogmerk en/of

B. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in

artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel

289/289a jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

D. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot

eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en/of 289a en/of

96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

E. het voorhanden hebben van een of meerdere wapens en/of munitie van de

categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet wapens

en munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om

een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals

bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de Wet wapens en munitie).

2.

zij op één of meerdere tijdstippen in de periode van 21 november 2013 tot en met

30 oktober 2019 in één of meer plaats(en) in Syrië en/of Irak,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, telkens

met het oogmerk om ter voorbereiding en/of ter bevordering van de/het

(meermalen) te plegen misdrij(f) (ven):

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl

daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten

gevolge heeft, (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in

artikel 157 jo 176a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

- doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel

288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

- moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289(a)

jo 83 van het Wetboek van Strafrecht)

- een ander heeft trachten te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen

of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid,

middelen of inlichtingen te verschaffen en/of

- gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan

zichzelf of aan anderen heeft verschaft en/of

- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan zij wist dat zij bestemd waren tot

het plegen van het misdrijf

immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s)

A. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd

met een terroristisch oogmerk, gevoerd door de (terroristische) organisatie

zoals de Islamitische Staat (verder IS), dan wel Islamic State of Iraq and

Shaam (ISIS) of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL), althans een aan

voornoemde organisatie(s) gelieerde Jihadistische strijdgroep, althans (een)

organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, eigen gemaakt en/of

B. zich laten informeren over het afreizen naar en/of verblijven in het

strijdgebied in Syrië en/of Irak en/of

C. de reis naar Syrië en/of Irak gemaakt teneinde zich te begeven naar het

strijdgebied, althans naar door een terroristische organisatie, zoals

IS(IS/IL), gecontroleerd gebied en/of (gedurende enige tijd) verbleven in

bedoeld (strijd)gebied in Syrië en/of Irak en/of

D. zich gevoegd bij één of meer mededader(s) en/of IS(IS/IL) strijder(s),

althans (telkens) perso(o)n(en) gelieerd aan (een) terroristische organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat en/of is zij, verdachte (op Islamitische wijze), een

huwelijk aangegaan met (een) IS(IS/IL) strijder(s), althans een persoon die

(eveneens) deelnam aan een terroristische organisatie die de gewapende

Jihadstrijd voorstaat en/of

E. met één of meer mededader(s) in Syrië en/of Irak deelgenomen en/of

bijgedragen aan de gewapende Jihadstrijd gevoerd door de (terroristische)

organisatie IS(IS/IL), althans (een) aan IS(IS/IL) gelieerde terroristische

organisatie, althans (een) terroristische organisatie die de gewapende

Jihadstrijd voorstaat en/of

F. zich (middels internet / social media(kanalen) / mediaplatform(s))

geuit en/of met (een) ander(en) perso(o)n(en) gechat/gecommuniceerd en/of

berichten en/of afbeeldingen geplaatst en/of gedeeld, met betrekking tot en/of

inhoudende (onder meer) (gewelddadig) jihadistisch getinte en/of

(pro)IS-gerelateerde content/propaganda en/of geïnformeerd naar en/of

gevraagd om (één of meer) (vuur)wapen(s) en/of

G. in Syrië en/of Irak (één of meer) (automatisch(e)) (vuur)wapen(s) gebruikt

en/of gedragen en/of voorhanden gehad,

in welke gewapende Jihadstrijd moord en/of doodslag en/of brandstichting

en/of het teweegbrengen van ontploffingen worden gepleegd, telkens met een

terroristisch oogmerk;

welke gedragingen en/of voorwerp(en) en/of informatie al dan niet in combinatie

met elkaar, kennelijk bestemd waren tot het in vereniging en/of alleen begaan van

dat/die misdrijf/misdrijven.

1 Vgl. Hoge Raad 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:416.