Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3129

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-04-2021
Datum publicatie
12-04-2021
Zaaknummer
C/10/553314 / HA ZA 18-622
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om tussentijds hoger beroep. Verzekeringsrecht. Brand. Oorzaak. Schade. Verzoek toegestaan, nu oordeel in tussenvonnis invloed heeft op partijdebat over schade dat nog moet volgen in eerste aanleg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/553314 / HA ZA 18-622

Vonnis van 7 april 2021

in de zaak van

de naamloze vennootschap ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

eiseres,

advocaat mr. A.P.E. de Ruiter te Zwolle,

tegen

1. [naam gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats gedaagde 1] ,

2. [naam gedaagde 2],

wonende te [woonplaats gedaagde 2] ,

3. [naam gedaagde 3],

wonende te [woonplaats gedaagde 3] ,

gedaagden,

advocaat mr. F.R.A. Schaaf te 's-Gravenhage.

Eiseres zal hierna Achmea genoemd worden. Gedaagden zullen hierna gezamenlijk [gedaagden] en afzonderlijk respectievelijk [naam gedaagde 1] , [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 17 februari 2021 (hierna: het tussenvonnis) en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

  • -

    de brief van 23 februari 2021 van mr. Schaaf met het hierna te bespreken verzoek;

  • -

    het e-mail bericht van 29 maart 2021 van mr. de Ruiter in reactie op dat verzoek.

2. Het verzoek en de reactie daarop

2.1.

[gedaagden] heeft verzocht tussentijds hoger beroep open te stellen tegen het tussenvonnis. [gedaagden] heeft daartoe aangevoerd dat tussentijds hoger beroep kan worden toegestaan indien is beslist op een controversiële rechtsvraag, hetgeen doorwerkt in de verdere behandeling van de zaak, omdat een andere beslissing tot een aanzienlijke bekorting van de procedure zou hebben geleid, omdat een kostbaar onderzoek is gelast waarvan het nut is betwist of omdat de behandeling van samenhangende zaken anders uiteen dreigt te lopen. Volgens [gedaagden] is een dergelijke situatie in de onderhavige zaak aan de orde gelet op i) de aanwezigheid c.q. reikwijdte van de door de rechtbank aangenomen zorgplicht bij werkzaamheden als de onderhavige, ii) het verkorten van de procedure (immers: geen voortgezet schadedebat) indien het hof ter zake tot een ander oordeel komt terwijl in eerste aanleg nog aanzienlijke tijd en kosten gemoeid zal zijn met de kwestie van de schadeomvang en iii) de natuurlijke “knip” in de procedure omdat de rechtbank zich thans heeft uitgelaten over de aansprakelijkheidsvraag.

2.2.

Achmea heeft geen bezwaar gemaakt tegen het verzoek van [gedaagden]

3. De beoordeling

3.1.

Bij het nemen van de beslissing op het verzoek tot het toestaan van tussentijds appel wordt in aanmerking genomen dat het verzoek ertoe strekt een uitzondering te maken op de in artikel 337 lid 2 Rv neergelegde hoofdregel dat hoger beroep van tussenvonnissen slechts is toegestaan tegelijk met dat tegen het eindvonnis. Uit de wetsgeschiedenis van vorenbedoelde bepaling kan worden afgeleid dat het de bedoeling is om bij het toestaan van tussentijds hoger beroep terughoudendheid te betrachten.

3.2.

In het tussenvonnis is geoordeeld dat [gedaagden] een toerekenbare onrechtmatige daad jegens Audio-Time heeft gepleegd en dat een nader debat over de schade is aangewezen. Hetgeen [gedaagden] hebben aangevoerd ter onderbouwing van hun standpunt snijdt hout. De beslissing ter zake het onrechtmatig handelen van [gedaagden] werkt door in de verdere behandeling van de zaak. Mocht het hof in hoger beroep tot een ander oordeel komen, dan is het thans nog te voeren debat over de schade nodeloos geweest. De rechtbank ziet hierin aanleiding om, mede gelet op de reactie van Achmea, om proceseconomische redenen tussentijds hoger beroep van het vonnis van 17 februari 2021 toe te staan.

4. De beslissing

De rechtbank

4.1.

bepaalt dat van het tussenvonnis hoger beroep kan worden ingesteld voordat het eindvonnis is gewezen,

4.2.

bepaalt dat partijen de aktes, tot het nemen waarvan partijen in het tussenvonnis in de gelegenheid zijn gesteld, niet behoeven te nemen,

4.3.

verwijst de zaak naar de parkeerrol van woensdag 6 oktober 2021,

4.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. den Hollander. Het is ondertekend door

mr. C. Bouwman, rolrechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2021.[2111/2872]