Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3075

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-03-2021
Datum publicatie
08-04-2021
Zaaknummer
583224 HA ZA 19-921
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanneming van werk. Hoofdelijke aansprakelijkheid opdrachtgevers. Geen opdracht gegeven voor meerwerk. ZIE OOK ECLI:NL:RBROT:2021:3074

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer: 583224 HA ZA 19-921

vonnis van 17 maart 2021,

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Aannemersbedrijf Gebroeders Blokland B.V.,

gevestigd te Hardinxveld-Giessendam,

eiseres,

advocaat: mr. R.G. Degenaar,

tegen

[gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats gedaagde 1] ,

gedaagde,

die in deze procedure niet is verschenen,

en

[gedaagde 2] ,

wonende te [woonplaats gedaagde 2] ,

gedaagde,

advocaat: mr. A. Ester.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘Blokland’ en ‘ [gedaagde 1] ’ en ‘ [gedaagde 2] ’.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  1. de dagvaarding;

  2. de conclusie van antwoord van [gedaagde 2] met een vrijwaringsvordering;

  3. het antwoord van [gedaagde 1] op de vrijwaringsvordering;

  4. het tussenvonnis waarin is beslist op de vrijwaringsvordering;

  5. de conclusie van repliek;

  6. de conclusie van dupliek.

De datum voor de uitspraak van dit vonnis is nader bepaald op vandaag.

2. De feiten

2.1

Blokland is een aannemer. Zij heeft in opdracht van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een woning gebouwd en daarvoor € 207.277,- in rekening gebracht. Partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hadden bij het geven van de opdracht nog een affectieve relatie met elkaar maar nu niet meer.

3. Het geschil

3.1

Blokland vordert dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling aan Blokland van € 42.670,51, met de overeengekomen rente van 7% per jaar over € 41.485,51 vanaf 6 september 2017, met veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de proceskosten.

3.2

Het door Blokland gevorderde bedrag bestaat uit de aanneemsom van € 41.485,51 die volgens haar nog open staat en € 1.185,- aan buitengerechtelijke kosten. Blokland legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de gemaakte afspraken moeten nakomen.

3.3

[gedaagde 2] heeft verweer gevoerd. Zij voert aan dat zij de kosten die Blokland voor meerwerk in rekening heeft gebracht niet verschuldigd is, omdat daarover tussen partijen geen afspraken zijn gemaakt. [gedaagde 2] heeft verder aangevoerd dat het erop lijkt dat Blokland en [gedaagde 1] nog zaken met elkaar doen en dat deze procedure alleen ten doel heeft om de aanneemsom te kunnen verhalen op [gedaagde 2] .

4. De beoordeling

4.1

[gedaagde 1] is in deze procedure niet verschenen zodat tegen hem verstek is verleend. Op grond van artikel 140 lid 3 Rv wordt tussen partijen één vonnis gewezen. Dit is een vonnis op tegenspraak en dat betekent dat [gedaagde 1] tegen het vonnis niet in verzet kan komen.

4.2

Partijen zijn het erover eens dat zij zijn overeengekomen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor betaling van de volledige aanneemsom. Daaruit volgt dat Blokland de volledige vordering mag verhalen op een van hen beiden. Op die regel kan in beginsel alleen een uitzondering worden gemaakt als toepassing van de hoofdelijke aansprakelijkheid in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dat is hier niet zo, ook niet als alles wat [gedaagde 2] hiervoor heeft gesteld waar is. Voor zover een van partijen meer dan zijn eigen deel betaalt, krijgt die partij immers een recht op bijdrage op de ander. Daarom kan hier verder in het midden blijven of deze procedure eigenlijk alleen bedoeld is om de vordering op [gedaagde 2] te verhalen.

4.3

Tussen partijen is niet in geschil dat een deel van de door Blokland gevorderde som bestaat uit meerwerk. De rechtbank begrijpt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hiervoor bij het aangaan van de overeenkomst geen opdracht hebben gegeven. Blokland heeft ook niet gesteld dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op een later moment opdracht hebben gegeven. Blokland heeft daarom geen recht op betaling van dit deel van de vordering. Blokland heeft nog wel gesteld dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de oplevering van de woning hebben aanvaard, maar dat heeft niet tot gevolg dat zij moeten betalen voor iets waarvoor zij geen opdracht hebben gegeven. Dit deel van de vordering zal daarom worden afgewezen, zowel ten aanzien van [gedaagde 2] als ten aanzien van [gedaagde 1] . De door Blokland gestelde feiten kunnen haar vordering op dit punt immers niet dragen. Het gaat om € 20.757,82 zoals in rekening gebracht met de factuur van 23 augustus 2017.

4.4

Ten overvloede wordt hierover nog het volgende overwogen. Mogelijk heeft Blokland zich op het standpunt bedoeld te stellen dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] niet tijdig tegen de factuur hebben geklaagd. Uit de wet volgt echter niet dat degene tegen wie de factuur is gericht die factuur verschuldigd wordt. De klachtplicht is niet van toepassing, want het gaat hier niet om een gebrek in de prestatie.

4.5

De hoofdsom zal voor het overige worden toegewezen, aangezien [gedaagde 2] daartegen geen verweer heeft gevoerd en de vordering niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt. De vordering tot betaling van de overeengekomen rente zal ook worden toegewezen. Het feit dat [gedaagde 2] mogelijk in de veronderstelling was dat [gedaagde 1] deze facturen zou betalen, kan zij niet tegenwerpen aan Blokland.

4.6

De buitengerechtelijke kosten worden afgewezen, omdat Blokland niet heeft gesteld dat aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een aanmaning is verzonden met een termijn zoals bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW. De termijn die in de aanmaning had moeten worden vermeld is immers binnen vijftien dagen nadat deze brief is bezorgd1.

4.7

Samenvattend zal zowel ten aanzien van [gedaagde 1] als ten aanzien van [gedaagde 2] worden toegewezen € 20.727,69 aan hoofdsom met de overeengekomen rente van 7% per jaar vanaf 6 september 2017 en zal de vordering voor het overige worden afgewezen. Nu partijen over en weer in het ongelijk worden gesteld, dienen zij de eigen kosten te dragen.

5. De beslissing

De rechtbank:

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan Blokland te betalen € 20.727,69 met de overeengekomen rente van 7% per jaar vanaf 6 september 2017 tot aan de dag van volledige betaling;

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat partijen de eigen proceskosten moeten dragen;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.R. Roukema. Het is ondertekend en uitgesproken ter openbare terechtzitting door mr. J.F. Koekebakker, rolrechter.

2839

1 HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704