Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3073

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-04-2021
Datum publicatie
29-04-2021
Zaaknummer
8351018 CV EXPL 20-6603
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

aanneming van werk, waarheidsplicht artikel 21 Rv, substantieringsplicht artikel 111 lid 3 Rv,

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zaaknummer: 8351018 CV EXPL 20-6603

Uitspraak: 16 april 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiser] , hierna: ‘ [eiser] ’,

wonende te [woonplaats] ,

eiser bij exploot van dagvaarding van 19 februari 2020,

gemachtigde: mr. S. Hamerling (DAS) te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] ., hierna: ‘ [gedaagde] ’,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. D.D.M.C. Nolet te Alkmaar.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken:

  • -

    de dagvaarding, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het vonnis van 14 mei 2020, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;

  • -

    de brief van 30 juni 2020 van de gemachtigde van [eiser] , met producties.

1.2

De zaak is mondeling behandeld ter zitting van 9 juli 2020. Daarbij is [eiser] in persoon verschenen, bijgestaan door de gemachtigde mr. S. Hamerling. Aan de zijde van [gedaagde] zijn verschenen de heer [naam persoon] en de gemachtigde mr. D.D.M.C. Nolet. Voornoemde gemachtigden hebben het eigen standpunt mondeling toegelicht aan de hand van door ieder van hen overgelegde pleitnotities, die aan het procesdossier zijn toegevoegd. Ook partijen zelf zijn in de gelegenheid gesteld een toelichting te geven. Van hetgeen (overigens) ter zitting is verhandeld, heeft de griffier aantekening gehouden. Aan het slot van de zitting heeft de kantonrechter de zaak naar de rol verwezen opdat partijen zich dan zouden kunnen uitlaten over de voortzetting van de procedure.

1.3

[eiser] heeft toen een akte genomen, waarop [gedaagde] een antwoordakte heeft ingediend. De kantonrechter heeft de zaak vervolgens in staat van wijzen gebracht.

1.4

De datum van de uitspraak van dit vonnis is (nader) bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten, nu deze enerzijds zijn gesteld of blijken uit de overgelegde stukken en anderzijds zijn erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd zijn weersproken:

2.1

Partijen hebben naar aanleiding van een op 13 augustus 2014 door [gedaagde] uitgebrachte offerte een overeenkomst van aanneming gesloten voor de renovatie van de woning van [eiser] te Laren. Op de overeenkomst zijn de algemene voorwaarden voor Aannemingen in het bouwbedrijf (AVA 1992) van toepassing verklaard.

2.2

In reactie op de daarop door [eiser] per e-mail gestelde vragen over de offerte (hieronder in het Engels) heeft (de heer [naam persoon] van) [gedaagde] per e-mail van 13 augustus 2014 het volgende geschreven (hieronder in het Nederlands):

“Beste [voornaam eiser] ,

Zie als bijlage onze begroting in PDF en in .xls, de optelling hebben we gecontroleerd. Zie achter alle vragen onze reactie.

Questions as follows:

1. (…)

(…)

1. Is painting outside house and ‘rabat’ wood included in the painting outside; also insulation on inside of these walls (1st floor, ends of house)

Het schilderwerk is inclusief, excl. eventuele houtrot, het isoleren van de binnenwand hebben we toegevoegd.

(…)”.

2.3

Nadat (volgens [gedaagde] eind 2014 en volgens [eiser] in maart/april 2015) oplevering van het aangenomen werk had plaatsgevonden, heeft [eiser] bij e-mail van 8 januari 2016, met als onderwerp ‘Outside paint’, (de heer [naam persoon] van) [gedaagde] het volgende geschreven:

“Hi [naam persoon]

I hope that you had a good Christmas and new year. Beste wensen!

It was a shame that we did not hear back on those tasks that we asked you to quote for - we have now had someone else do part of the work and they may also do the rest.

Unfortunately we have a problem with the paint work as in the below photo - would someone be able to come and have a look, also at the damp in the bricks of the new kitchen that we asked about three months ago.

Mvg, [voornaam eiser] ”.

2.4

Bij brief van 28 november 2019 heeft de gemachtigde van [eiser] de gemachtigde van [gedaagde] het volgende geschreven:

“(…)

Het voorstel van uw cliënt wordt afgewezen, simpelweg vanwege het feit dat cliënt en ook de expert van mening zijn dat er hier geen sprake is van een situatie waarbij een bijbetaling van client kan worden verwacht. De expert heeft zelfs nog nadrukkelijk aangegeven dat er hier niet eens nieuw voor oud aftrek van toepassing is omdat een gevel zoals deze normaal gesproken een leven lang mee gaat.

Als gevolg daarvan is cliënt van mening dat uw cliënt aansprakelijk is voor de volledige schade en dus ook voor de volledige kosten. Gezien het feit dat uw cliënt daartoe echter tot op heden nimmer bereid is geweest, zien wij helaas ook geen verdere mogelijkheden meer deze kwestie samen af te ronden.

Middels deze brief deel ik u dan ook formeel mede dat cliënt inmiddels heeft gekozen om in plaats van herstel thans slechts nog schadevergoeding te vorderen. U dient deze brief derhalve als omzettingsverklaring ex artikel 6:87 BW.

Wat nu?

Ik kan de zaak aan de rechter gaan voorleggen om de schade en verdere bijkomende posten te gaan verhalen. Cliënt heeft echter aangegeven dat hij nog een laatste poging wil doen de kwestie buiten de rechter om te regelen en er een streep onder te zetten. Zoals ik de zaak nu zie zitten we met de volgende schadeposten die in een procedure zullen worden verhaald op uw cliënt:

- Herstelwerkzaamheden gevel € 13.336,98 incl. BTW;

- Herstelkosten schilderwerk € 2.904,00 incl. BTW;

- Kosten expertiseonderzoek € 1.666,78 incl. BTW;

- Inkomstenderving van de heer [eiser] ; P.M.;

- Buitengerechtelijke kosten € 1.148,34 incl. BTW;

- Gerechtelijke kosten en evt. rente P.M.; +

Totaal € 19.056,10 + P.M.

Schikkingsvoorstel

(…)”.

3. Het geschil

3.1

[eiser] heeft gevorderd [gedaagde] bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling aan hem van een bedrag van € 19.851,63, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 29 november 2019 tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, eveneens vermeerderd met wettelijke rente, alsook in de nakosten.

3.2

Ter toelichting daarop heeft [eiser] -naast de hiervoor onder 2 weergegeven feiten en samengevat en voor zover thans van belang weergegeven- het volgende aangevoerd.

Ongeveer een jaar nadat de renovatie van zijn woning door [gedaagde] was uitgevoerd, heeft [eiser] blazen in de op de houten gevelbekleding aangebrachte verflaag geconstateerd. Hij heeft [gedaagde] toen de hiervoor onder 2.3 aangehaalde e-mail van 8 januari 2016 gezonden. Ondanks het daarop in het voorjaar van 2016 door [gedaagde] opnieuw uitgevoerde schilderwerk begon de houten gevel wederom verfblazen te vertonen en is de verf daarna steeds verder gaan onthechten. Hij heeft [gedaagde] daarna veelvuldig per e-mail en telefonisch verzocht het verfwerk te herstellen, maar zonder resultaat.

Nadat vervolgens een aantal schilderexperts het schilderwerk hadden bezien, is de conclusie getrokken dat er sprake was van een te hoog vochtgehalte in het hout waardoor de verf ging onthechten. De oorzaak daarvan bleek te zijn dat de ventilatie van de gevel niet goed was en dat een verkeerde, niet-ventilerende verf was gebruikt.

Partijen hebben daarna meerdere keren gesproken over de herstelwerkzaamheden maar zij zijn het niet eens geworden over de financiële kant van de kwestie en de schuldvraag. Om die reden heeft [eiser] eind 2018 zijn gemachtigde ingeschakeld. Vervolgens heeft in 2019 door [naam expert 2] een bouwkundige expertise naar het schilderwerk en de oorzaak van het vocht in het houtwerk plaatsgehad en ook deze expert is tot de conclusie gekomen dat de oorzaak van het vocht is gelegen in de ventilatie van de houten gevel. Deze is door de ook door [gedaagde] aan de binnenzijde van de woning uitgevoerde werkzaamheden dermate slecht geworden dat het vocht zich in het hout is gaan ophopen. Als gevolg daarvan zijn de blazen en de onthechting ontstaan en moet de houten gevelbekleding worden vervangen en de constructie worden aangepast om zo de vereiste ventilatie weer op orde te krijgen. Ook moet daarna het schilderwerk opnieuw gedaan worden.

De conclusie is onmiskenbaar dat [gedaagde] een fout heeft gemaakt bij de renovatie waardoor aanzienlijke schade is ontstaan aan de houten gevelbekleding en het schilderwerk. Ondanks ingebrekestelling is [gedaagde] echter niet bereid gebleken de herstelwerkzaamheden op eigen kosten uit te voeren en ook is geen minnelijke regeling bereikt.

Uiteindelijk heeft [eiser] zich dan ook genoodzaakt gezien in plaats van herstel vervangende schadevergoeding te verlangen, waartoe zijn gemachtigde bij brief van 28 november 2019 (zie 2.4) een omzettingsverklaring als bedoeld in artikel 6:87 BW heeft uitgebracht. [gedaagde] is daarna echter niet overgegaan tot betaling van de door [eiser] gevorderde vervangende schadevergoeding, reden waarom [eiser] deze procedure is gestart. Het betreft de volgende door de bouwfout van [gedaagde] opgekomen (gevolg)schadeposten (welke door hem in de dagvaarding per post nader zijn toegelicht), tezamen € 19.851,63 inclusief btw, een en ander te vermeerderen met wettelijke rente:

  1. vervanging en wijziging constructie houten gevel: € 13.336,98 inclusief btw,

  2. schilderwerk houten gevel en daarin aanwezige kozijnen: € 2.904,- inclusief btw,

  3. kosten expertiseonderzoek: € 1.666,78 inclusief btw,

  4. vrije dagen/tijd vergoeding [eiser] : € 780,-, en

  5. buitengerechtelijke kosten: € 1.163,87.

3.3

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd, dat strekt tot afwijzing van het door [eiser] gevorderde, met veroordeling van [eiser] , voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van de procedure, vermeerderd met wettelijke rente.

3.4

Op hetgeen zij daartoe heeft aangevoerd en op hetgeen [eiser] , mede in reactie daarop, overigens naar voren heeft gebracht, wordt hierna, voor zover van belang voor de uitkomst van de procedure, teruggekomen.

4. De beoordeling

formeel

4.1

[gedaagde] heeft er vooreerst op gewezen dat [eiser] in de dagvaarding in strijd met de in artikel 21 Rv neergelegde waarheidsplicht heeft gesteld dat [gedaagde] voorafgaand aan deze procedure slechts (ten onrechte) heeft gesteld dat [eiser] een deel van de kosten zelf zou moeten dragen bij wege van nieuw-voor-oud-aftrek en zich niet tegen de gebreken, de oorzaak daarvan en de door [eiser] gestelde herstelmethode en schadeomvang heeft verzet, en in strijd met de in artikel 111 lid 3 Rv neergelegde substantiëringsplicht verzuimd heeft de hem bekende verdere verweren van [gedaagde] als kenbaar gemaakt voorafgaand aan deze procedure in de dagvaarding te vermelden. In dat verband heeft [gedaagde] gewezen op de door haar als productie 21 overgelegde brief van 20 december 2019 van haar gemachtigde aan die van [eiser] , waarin onder meer de klachtplicht en het verstrijken van de onderhoudstermijn wordt genoemd, waarin voorts wordt gesteld dat geen overeenkomst werd gesloten voor de schilderwerkzaamheden en evenmin voor werkzaamheden aan de gevelbekleding, dat er voor de renovatie geen werkzaamheden waren verricht aan de gevelbekleding alsook dat er sprake is van een verschrijving van expert [naam expert 2] ten aanzien van de schadebegroting, en waarin geprotesteerd wordt tegen de uitgebrachte omzettingsverklaring.

4.2

Met [gedaagde] is de kantonrechter van oordeel dat deze verweren in de dagvaarding op grond van artikel 111 lid 3 Rv alle hadden moeten worden benoemd en vast staat dat [eiser] dat niet heeft gedaan, maar, sterker nog, heeft gesteld dat hem slechts één verweer bekend was (zie hiervoor), hetgeen op gespannen voet staat met de in artikel 21 Rv neergelegde waarheidsplicht. Het betreft hier evenwel, zo volgt uit artikel 120 lid 4 Rv, geen gebrek dat met nietigheid wordt bedreigd, terwijl overigens ook niet is gebleken dat [gedaagde] hierdoor op onredelijke wijze in haar belangen is geschaad. De zaak zal hierna dan ook inhoudelijk worden behandeld. Wel ziet de kantonrechter aanleiding met dit gebrek, zo [gedaagde] (deels) in het ongelijk zou worden gesteld, rekening te houden bij de proceskostenveroordeling.

materieel

4.3

[gedaagde] heeft bij conclusie van antwoord aangevoerd dat partijen in aanvulling op de verbouwingsovereenkomst zijn overeengekomen dat [eiser] zelf het buitenschilderwerk met uitzondering van de kozijnen zou (laten) verrichten. Het schilderwerk aan de gevelbekleding behoorde dan ook niet tot de opdracht van [gedaagde] , zij heeft [eiser] ook niet gefactureerd daarvoor en heeft daarvoor ook niet betaald gekregen. In dat verband heeft zij onder meer gewezen op de door haar als productie 1C in het geding gebrachte ‘begroting specificatie van de werkzaamheden’, waarin ter zake (enkel) is opgenomen: ‘Buitenschilderwerk uitgevoerd middels Sigma in standaard witte RAL kleur, raamkozijnen schuren, grondlakken en aflakken’. Gebleken is nadien dat deze schilderwerkzaamheden per abuis zijn uitgevoerd door de door [gedaagde] ingeschakelde onderaannemer ‘firma Bont’. [gedaagde] heeft ook geen werkzaamheden aan de bestaande gevelbekleding uitgevoerd. Het aanpassen daarvan behoorde namelijk evenmin tot haar opdracht. Zij heeft zich met name gericht op de ‘interne verbouwing’. De door [eiser] gestelde schade is dus niet het gevolg van de haar opgedragen werkzaamheden. Evenwel heeft zij zich bereid verklaard om de gevels open te maken om zo het gebrek te onderzoeken, de bestaande rabatdelen te verwijderen, aansluitend een folie te plaatsen, ventilatie toe te passen en nieuwe rabatdelen te plaatsen, waartoe zij [eiser] een offerte heeft doen toekomen, waarbij zij ook heeft aangeboden het schilderwerk van de rabatdelen (opnieuw) kosteloos uit te voeren. Naar aanleiding van het voorstel is er tussen partijen gecorrespondeerd, in welk kader [eiser] heeft bevestigd dat er geen overeenkomst tussen partijen bestond voor schilderwerkzaamheden aan de rabatdelen/gevelbekleding, en dat hij voor de uitgevoerde schilderwerkzaamheden aan de gevelbekleding geen factuur heeft ontvangen van [gedaagde] . Ook heeft [eiser] daarbij niet bestreden dat er geen overeenkomst tussen partijen werd gesloten voor de vervanging/aanpassing van de rabatdelen/gevelbekleding. Derhalve heeft [eiser] erkend dat de schilderwerkzaamheden onverplicht zijn uitgevoerd. Uiteindelijk zijn partijen het ondanks tegemoetkomingen van [gedaagde] echter niet eens geworden. Aldus [gedaagde] .

4.4

De kantonrechter overweegt dat, zoals hij ter mondelinge behandeling ook met partijen heeft besproken, uit de overgelegde stukken niet blijkt dat, anders dan ten aanzien van de kozijnen aan de buitenzijde van de woning, [eiser] [gedaagde] het buitenschilderwerk aan de houten gevelbekleding (uiteindelijk) in het kader van de gesloten verbouwingsovereenkomst heeft opgedragen, terwijl uit die stukken wel -en voldoende gespecificeerd- blijkt welke werkzaamheden (wel) onderwerp daarvan vormden.

4.5

Ook overigens heeft [eiser] in het licht van het door [gedaagde] gevoerde verweer bezien geen feiten of omstandigheden aangevoerd en onderbouwd waaruit blijkt dat ook dit werk werd opgedragen. De door hem als productie 17 overgelegde e-mailcorrespondentie (zie 2.2) is daarvoor niet toereikend. In verband daarmee wordt overwogen dat uit de door zowel [eiser] (als productie 1) als [gedaagde] (als productie 1C) overgelegde stukken (gedateerd op 13 augustus 2014 en voorzien van de vermelding ‘versie 3’, van welke versie blijkens de door [gedaagde] overgelegde productie 1A d.d. 17 augustus 2014 de verbouwingsovereenkomst uitgaat, op welke stukken beide partijen zich hebben beroepen, blijkt dat in de offerte voor wat betreft buitenschilderwerk (naast het schilderen van het boeiboord en het ‘texen’ van wanden en plafond) enkel het schilderen van de buitenkozijnen werd opgenomen.

4.6

[eiser] heeft ook, hoewel dat gezien de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] ter zake hier op zijn weg zou hebben gelegen, niet gesteld en behoorlijk toegelicht wanneer en op welke wijze het schilderwerk aan de houten gevel onderdeel van de verbouwingsovereenkomst is geworden. Het blijkt niet uit de e-mail van 8 januari 2016 (zie 2.3), waarvan [gedaagde] heeft gesteld dat die e-mail voor haar reden was om coulancehalve, geheel onverplicht -dat buitenschilderwerk zou immers door [eiser] zelf worden (laten) verricht, viel buiten de opdracht van [gedaagde] en is door een derde (firma Bont) onverplicht uitgevoerd- en ook om [eiser] een passende oplossing te bieden schilderwerkzaamheden aan de gevel te verrichten. Ook volgt het niet uit de door [eiser] als productie 17 (zie 2.2) overgelegde e-mail van 13 augustus 2014. Weliswaar kan daarin een bevestiging worden gelezen dat ook de rabatdelen in het buitenschilderwerk zouden zijn begrepen, maar uiteindelijk, zo blijkt althans uit de verbouwingsovereenkomst met bijlagen zoals die (‘versie 3’) schriftelijk werd gesloten, is dat niet gebeurd. Bij gebreke aan voldoende feitelijke aanknopingspunten wordt aan bewijslevering op dit onderdeel niet toegekomen.

4.7

Het voorgaande betekent dat er hierna van uitgegaan wordt dat het schilderwerk aan de buitenzijde van de woning (met uitzondering van de kozijnen) geen onderwerp vormde van de verbouwingsovereenkomst. Het andersluidende standpunt van [eiser] wordt verworpen. Onbesproken dan daarom verder blijven de hiervoor onder 4.3 weergegeven stellingen van [gedaagde] dat [eiser] nadien ook heeft bevestigd dat er geen overeenkomst met betrekking tot het schilderwerk aan de gevelbekleding werd gesloten en dat hem daarvoor ook geen bedrag door [gedaagde] in rekening werd gebracht.

4.8

Ook is ter zitting gebleken dat het schilderwerk aan de houten gevelbekleding feitelijk wel werd uitgevoerd, namelijk door de door [gedaagde] ingeschakelde firma Bont, en ook dat [gedaagde] deze onderaannemer daarvoor niet heeft betaald, gelijk [eiser] [gedaagde] evenmin voor dat werk heeft betaald. Ook dit vormt derhalve een uitgangspunt bij de verdere beoordeling.

4.9

Dit een en ander is van belang in het kader van de door [eiser] op 28 november 2019 uitgebrachte omzettingsverklaring. Op grond van artikel 6:87 BW heeft de schuldeiser in geval van verzuim van de schuldenaar (immers) de bevoegdheid om door middel van het uitbrengen van zulk een verklaring vervangende schadevergoeding te vorderen. Met een omzettingsverklaring wordt de verbintenis, in de nakoming waarvan de schuldenaar is tekortgeschoten, omgezet in een verbintenis tot schadevergoeding. De oorspronkelijke verbintenis gaat derhalve teniet en de schuldenaar kan die dus ook niet meer nakomen, terwijl de schuldeiser daarvan ook geen nakoming daarvan meer kan vorderen noch de overeenkomst alsnog op grond van de tekortkoming kan ontbinden. Voorts is het zo dat de schuldeiser die omzetting kiest, ingeval van een wederkerige overeenkomst zoals hier gehouden blijft zijn eigen prestatie te verrichten. Indien hij daarvan bevrijd wil worden, dient hij te kiezen voor ontbinding van de overeenkomst, al dan niet in combinatie met een schadevergoedingsactie. Dat zou voor dit geval betekenen dat als ook het schilderwerk van de rabatdelen zou zijn overeengekomen, [eiser] , die daarvoor (zie hierboven) nog niet heeft betaald, voor dat werk alsnog moet betalen, dit los van zijn aanspraak op vervangende schadevergoeding.

4.10

Nadat de kantonrechter het karakter en de werking van de door [eiser] uitgebrachte omzettingsverklaring ter mondelinge behandeling aan de orde had gesteld, heeft [eiser] een akte genomen en daarin onder meer de grondslag(en) van zijn vordering nader toegelicht. In die akte heeft hij voor dit geval, te weten dat geoordeeld zou worden dat het schilderwerk aan de geveldelen geen onderwerp vormde van de verbouwingsovereenkomst, gesteld dat er ten aanzien van zowel het schilderwerk als de vervanging van de houten geveldelen sprake is van gevolgschade ex artikel 6:162 jo. artikelen 6:95 en 6:96 BW, en dat er ten aanzien van de overige kosten, waaronder de expertisekosten en (buiten)gerechtelijke kosten, op grond van artikel 6:96 BW recht bestaat op schadevergoeding. De gevolgschade als gevolg van de door [gedaagde] gepleegde onrechtmatige daad slaat, zo heeft [eiser] daarbij gesteld, met name op het feit dat de houten gevel thans vervangen moet worden als gevolg van de door [gedaagde] gemaakte fouten bij de montage van de binnenwanden bij de uitvoering van haar opdracht. Nu dit vanaf dag één al schadevergoeding betreft, wordt dit deel van de vordering niet getroffen door de omzettingsverklaring. Indien het schilderwerk geen onderdeel zou uitmaken van de overeenkomst of het opnieuw schilderen van de gevel thans moet worden gezien als schadepost en niet als wanprestatie ten aanzien van de eerste schilderbeurt, dan betreft dit deel van de schade ook gevolgschade als gevolg van de onrechtmatige daad van [gedaagde] . De omzettingsverklaring treft dan geen doel omdat het in dat geval al een vordering tot schadevergoeding betrof. Aldus [eiser] .

4.11

De kantonrechter overweegt allereerst dat, naar [gedaagde] bij haar antwoordakte terecht heeft opgemerkt, onjuist is dat [eiser] , naar hij bij zijn akte heeft gesteld, bij dagvaarding zowel (schadevergoeding wegens) wanprestatie in combinatie met de omzettingsverklaring als onrechtmatige daad als grondslagen voor zijn vordering had aangevoerd. Enkel de eerste grondslag wordt genoemd in de dagvaarding (punt 20), waarin de term ‘onrechtmatige daad’ in het geheel niet voorkomt. Het poneren van deze -onware- stelling, te onderscheiden van het wijzigen of aanvullen van de grondslag van de vordering, waartoe de wet [eiser] wel mogelijkheden biedt (zie artikel 130 Rv) staat opnieuw (zie immers 4.2) op gespannen voet met de waarheidsplicht van artikel 21 Rv.

4.12

Hiervoor werd reeds geconcludeerd dat het schilderwerk aan de houten geveldelen niet aan [gedaagde] werd opgedragen, maar feitelijk wel werd uitgevoerd, echter niet door [gedaagde] maar door firma Bont. Ook is hiervoor vastgesteld dat [eiser] [gedaagde] voor dat schilderwerk niet heeft betaald en dat [gedaagde] firma Bont daarvoor ook niet heeft betaald. In dat verband heeft [gedaagde] toegelicht dat er ter zake nog steeds een geschil tussen haar en firma Bont is (de kantonrechter begrijpt: over het wel of niet moeten betalen voor de door firma Bont wel uitgevoerde maar niet opgedragen schilderwerkzaamheden). De kantonrechter ziet echter niet in waarom het volgens [eiser] verkeerd uitgevoerde schilderwerk aan de houten gevel, als dat niet door [gedaagde] zelf is uitgevoerd maar door firma Bont zonder dat zij daarvoor de opdracht heeft gekregen, een onrechtmatige daad van [gedaagde] , die wel -voor diverse andere werkzaamheden- een contractuele relatie met [eiser] heeft/had, jegens [eiser] zou opleveren.

4.13

Het tweede verwijt van [eiser] betreft de door hem (wel) aan [gedaagde] opgedragen werkzaamheden met betrekking tot de binnenzijde van de gevel. Volgens zijn toelichting hebben de door [gedaagde] gemaakte fouten bij de montage van de binnenwanden ertoe geleid dat de ventilatie van de houten gevel dermate slecht is geworden dat vocht zich in het hout is gaan ophopen, waardoor blazen in, en onthechting van, de verf op de houten geveldelen zijn ontstaan, en nu, teneinde de vereiste ventilatie weer op orde te krijgen, de houten gevelbekleding moet worden vervangen en de constructie moet worden aangepast, waarna het schilderwerk opnieuw gedaan moet worden.

4.14

Dienaangaande overweegt de kantonrechter allereerst dat hij [eiser] , zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet kan volgen in zijn (eerst) bij akte naar voren gebrachte stelling dat -aangenomen dat dit verwijt juist is- [gedaagde] op grond van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW) gehouden zou zijn hem de diverse schadeposten te vergoeden. Met betrekking tot deze werkzaamheden staat immers (wel) vast dat deze in het kader van een contractuele relatie zijn verricht.

4.15

Het gaan dan om, zo heeft [eiser] ter zitting verduidelijkt en daarbij verwezen naar de overgelegde bevindingen van de door hem genoemde deskundigen, de door [gedaagde] verrichte werkzaamheden aan de binnenzijde van de houten gevel, na het uitvoeren waarvan de ventilatie van de houten gevel aan de binnenzijde van de gevel volledig was verdwenen doordat [gedaagde] de binnenwanden stijf tegen de buitengevel aan heeft gemonteerd, waardoor het probleem met het vocht in de houten gevel en het loslatende schilderwerk is ontstaan.

4.16

Volgens de door [eiser] als productie 4 overgelegde brief van 18 juli 2017 van (schilderexpert) Verfgroothandel Jonker & Co, die het buitenschilderwerk op de gevel heeft bezien, heeft deze geconstateerd dat er ‘geen ventilatie op de gevel’ is waarbij deze heeft opgemerkt dat dit essentieel is om vochtproblemen te voorkomen en dat niet bekend is of de achterzijde van de houten delen zijn behandeld. Uit het door [eiser] als productie 5 in het geding gebrachte technisch advies van 5 juni 2018 van Sigma Coatings blijkt dat deze van oordeel is dat de verfonthechting het gevolg is van een hoge vochtbelasting in combinatie met een afsluitend verfsysteem en dat zij adviseert alle verflagen te verwijderen om daarna een vochtregulerend verfsysteem toe te passen. Als productie 6 heeft [eiser] voorts een ‘bezoekrapport’ van 26 maart 2019 van Sigma Coating overgelegd. Volgens de daarin opgenomen beoordeling is toen geconstateerd dat de gevelbekleding onvoldoende ventileert en dat het aangebrachte verfsysteem niet ventilerend is, met onthechting daarvan als gevolg. Hierin wordt geadviseerd de gevelbekleding te vervangen en de nieuwe gevelbekleding op een ventilerende manier te plaatsen en af te werken met een dampdoorlatend verfsysteem. Voorts heeft [eiser] , als productie 8, een rapport van 15 mei 2019 van [naam expert 2] overgelegd. Volgens deze deskundige wordt het schilderwerk op de houten gevelbekleding in negatieve zin sterk beïnvloed door de vochthuishouding in de achterliggende constructie en is bij het openmaken van die constructie gebleken dat een functionele vorm van ventilatie en ook isolatie ontbreekt. Deze deskundige heeft voorts gerapporteerd dat het vochtgehalte van de gevelbekleding extreem hoog is opgelopen als gevolg van onvermijdelijke condensvorming aan de achterzijde van de houten constructie, dat de op de gevelbekleding aangebrachte verfafwerking op geen enkele wijze bestand is tegen een dergelijke vochthuishouding, dat de gebreken het gevolg zijn van een weinig correcte opbouw van de constructie en dat men bij het opbouwen van de binnenwanden en het wegwerken van de radiatorleidingen in de constructie wel degelijk kon weten dat deze wijze van opbouw -zonder isolatie en ventilatie- onvermijdelijk zou gaan leiden tot condensvorming met alle gevolgen van dien, zodat de gebreken die hieruit voortkomen geheel aan [gedaagde] zijn toe te rekenen. Ook volgens dit rapport hebben de door [gedaagde] uitgevoerde werkzaamheden ertoe geleid dat de huidige gevelbekleding niet te handhaven is zodat de vervangingskosten voor haar rekening zijn.

4.17

[gedaagde] heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd. Zij heeft ter zake aangevoerd dat zij geen werkzaamheden aan de bestaande gevelbekleding heeft uitgevoerd en dat dit haar ook niet was opgedragen. Onjuist is dat het gestelde gebrek voorkomt uit het ontbreken van afdoende ventilatie aan de buitenzijde van de achtergevel. Zoals ook blijkt uit het door haar in het geding gebrachte rapport van expert [naam expert 1] , heeft [gedaagde] daar waar [eiser] zelf de bestaande constructie heeft gesloopt, aan de binnenzijde van de woning wel degelijk isolatie aangebracht in de vorm van ‘metal stud’-wanden met een dampdichte folie. Volgens expert [naam expert 1] was de achterzijde van de rabatdelen nooit behandeld en in de oorspronkelijke situatie al ongeschikt. Aldus [gedaagde] .

4.18

Uit het door [gedaagde] als productie 22 overgelegde rapport van 11 mei 2020 van expert [naam expert 1] , waarin deze ook ingaat op de bevindingen van expert [naam expert 2] , blijkt dat volgens deze expert [naam expert 2] onvoldoende heeft belicht in hoeverre verfschade ontstaan zou zijn indien [gedaagde] (althans firma Bont) de rabatdelen niet zou hebben behandeld met een verfsysteem, [naam expert 2] heeft vastgesteld dat de achterzijde van de rabatdelen nooit behandeld was en ook de kopse zijden niet, waardoor het rabat, gezien de basisprincipes zoals die worden gesteld door de Nederlandse Bond van Timmerfabrieken (NBvT), in de oorspronkelijke situatie al ongeschikt was om te schilderen met een dekkend verfsysteem en het enige deugdelijke herstel aan de rabatgevelbekleding vervanging daarvan is. Voorts heeft deze deskundige tegen het [naam expert 2] -rapport ingebracht dat [naam expert 2] ‘voorbij gaat aan het feit dat [gedaagde] wel degelijk een isolatie aan de binnenzijde van de woning heeft aangebracht in de vorm van metal stud wanden met een dampdichte folie aan de binnenzijde, daar waar [eiser] de bestaande constructie heeft gesloopt’, dat oude woningen zonder spouwconstructie hebben gewoonlijk van binnenuit worden geïsoleerd, dat [gedaagde] met de toegepaste metal stud-wanden een gebruikelijke werkwijze heeft gehanteerd en dat niet gebleken is dat deze werkzaamheden op ondeugdelijke wijze zijn uitgevoerd. Voorts heeft deze deskundige opgemerkt dat de radiatorleidingen die achter de metal stud-wanden zijn verwerkt, van buizenisolatie zijn voorzien, waardoor de ter zake door [naam expert 2] geplaatste opmerking als een constatering en niet als een gebrek moet worden aangemerkt. De door [naam expert 2] genoemde ‘weinig correct opbouw’ kan volgens deze deskundige hooguit betrekking hebben op de rabatbekleding aan de buitenzijde, waarvan [gedaagde] de opbouw niet heeft gewijzigd, hetgeen haar ook niet was opgedragen. Uit dit rapport blijkt volgens [gedaagde] dat er op voorhand dus al sprake was van een ondeugdelijke constructie, dat zij wel degelijk en op juiste wijze isolatie heeft toegepast en dat niet gebleken is dat zij de betrokken werkzaamheden ondeugdelijk heeft uitgevoerd. De oorzaak van de schade is volgens [gedaagde] niet gelegen in haar werkzaamheden noch het gevolg van haar handelen, maar in de woning zelf, hetgeen voor rekening en risico van [eiser] , die een 100 jaar oude woning heeft gekocht, dient te komen. Ook heeft zij gewezen op de door [eiser] als productie 12 en door haar als productie 19 overgelegde e-mail van 6 september 2019 van haar aansprakelijkheidsverzekeraar (Achmea), waarin deze de gemachtigde van [eiser] het volgende schrijft:

“(…)

U geeft aan dat het schilderwerk dat [ [gedaagde] ] heeft uitgevoerd gebreken vertoont.

Verder citeert u uit het rapport van [naam expert 2] dat de gevelbekleding (rabatdelen) vervangen dienen te worden. De oorzaak zou (gesteld) liggen in onvoldoende ventilatie na het aanbrengen van voorzetwanden.

(…)

Onze expert, ing. [naam ing.] , heeft de woning ter plekke onderzocht en heeft in zijn tussenrapport meegedeeld dat de gevelbekleding/rabatdelen niet door houtrot zijn aangetast. In de oorspronkelijke situatie was er evenmin ventilatie tussen de door uw cliënt zelf gesloopte voorzetwanden en de rabatdelen. Nu er geen sprake is van zaakschade aan de gevelbekleding is er ook voor dit gedeelte geen dekking op de polis. (…) Los hiervan is verzekerde niet aansprakelijk voor vervanging van de gevelbekleding nu niet vaststaat dat er schade is ontstaan aan deze bekleding.

(…)”.

4.19

De kantonrechter overweegt dat [eiser] bij dagvaarding deze e-mail wel besproken heeft, maar daarbij niet heeft betwist dat er in de oorspronkelijke situatie, dat wil zeggen voordat [gedaagde] haar werkzaamheden aan de woning aanving, ter plaatse geen ventilatie aanwezig was tussen de voorzetwanden en houten gevelbekleding. Uit de door [eiser] overgelegde deskundigenbevindingen, als hiervoor besproken, blijkt ook niet dat voordien wel ventilatie aanwezig was. Ook naar aanleiding van het ter zake door [gedaagde] bij conclusie van antwoord gevoerde verweer, waarbij zij heeft verwezen naar de bevindingen van expert [naam expert 1] ter zake (zie hierboven), heeft [eiser] geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht en onderbouwd waaruit blijkt dat er eerder wel (laat staan afdoende) ventilatie tussen de voorzetwanden en de houten gevelbekleding aanwezig was. Bij de verdere beoordeling wordt er daarom van uitgegaan dat voordat [gedaagde] haar werkzaamheden aanving, ter plaatse geen (afdoende) ventilatie aanwezig was.

4.20

Niet in geschil is voorts dat [eiser] [gedaagde] niet heeft opgedragen de gevelbekleding aan te passen, wel om voorzetwanden aan de binnenzijde te plaatsen. Volgens de door [gedaagde] ingeschakelde [naam expert 1] , die in diens rapportage is ingegaan op het rapport van [naam expert 2] en die volgens [gedaagde] -naar zij onbetwist heeft gesteld- anders dan de overige deskundigen wel destructief onderzoek heeft gedaan, heeft [gedaagde] daarbij ter plaatse (wel degelijk) isolatie aan de binnenzijde aangebracht in de vorm van metal stud-wanden met een dampdichte folie aan de binnenzijde, is dit een gebruikelijke werkwijze en blijkt uit niets dat [gedaagde] deze werkzaamheden ondeugdelijk zou hebben uitgevoerd. Hoewel dat hier toch op zijn weg zou hebben gelegen -hij is het immers die stelt dat [gedaagde] is tekortgeschoten- heeft [eiser] zijn stelling dat [gedaagde] geen isolatie ter plekke zou hebben aangebracht of dit werk niet naar behoren zou hebben verricht, niet nader onderbouwd. Hierna wordt er daarom van uitgegaan dat [gedaagde] bij de uitvoering van haar werkzaamheden voor [eiser] de voorzetwanden ter plaatse deugdelijk, en voorzien van isolatie, heeft geplaatst. Het andersluidende standpunt van [eiser] (dat [gedaagde] de binnenwanden stijf -zonder isolatie- tegen de buitengevel heeft gemonteerd) wordt als onvoldoende onderbouwd verworpen.

4.21

Nu, gezien het voorstaande, derhalve niet is komen vast te staan dat, naar [eiser] als stellingen die zijn vordering moeten dragen heeft betrokken, de ventilatie van de rabatdelen door de werkzaamheden van [gedaagde] aan de binnenzijde verminderd of zelfs verdwenen is en evenmin dat [gedaagde] bij de montage van de binnenwanden tekortgeschoten is terwijl wel vaststaat dat [gedaagde] niet is opgedragen de houten gevelbekleding aan te passen en volgens het in zoverre niet bestreden rapport van [naam expert 1] het rabat op voorhand al niet geschikt was om te worden geschilderd met een dekkend verfsysteem, welk werk bovendien niet door [gedaagde] is aangenomen en uitgevoerd, maar wel door firma Bon, komt de kantonrechter tot de slotsom dat het door [eiser] gevorderde, de nevenvorderingen daaronder begrepen, bij gebrek aan een deugdelijke grondslag moet worden afgewezen. Dat brengt met zich dat de overige door [gedaagde] opgeworpen verweren, waaronder haar beroep op de in de algemene voorwaarden vervatte vervaltermijn, haar beroep op verjaring ex artikel 7:761 BW en haar beroep op eigen schuld van [eiser] , geen bespreking meer behoeven.

4.22

[eiser] is hier de in het ongelijk gestelde partij. Hij wordt daarom in de kosten van de procedure veroordeeld.

4.23

De door [gedaagde] over de proceskosten gevorderde wettelijke rente (in de zin van artikel 6:119 BW) is, als op de wet gegrond, toewijsbaar.

5. De beslissing

De kantonrechter:

- wijst het door [eiser] gevorderde af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 932,50 aan salaris voor haar gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW daarover vanaf de vijftiende dag na heden tot aan de dag van algehele voldoening, en verklaart dit vonnis voor wat betreft deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.L.M. van der Wildt en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

654