Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3039

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31-03-2021
Datum publicatie
12-04-2021
Zaaknummer
C/10/606778 / HA ZA 20-1036
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incident. Ontvankelijkheid. Rechtsvordering betreft anders, dan gedaagde aanvoert, geen collectieve actie ex art. 3:305c BW maar een rechtsvordering krachtens een aan eiser verstrekte last en volmacht tot incasso. Titel 14 Rv niet van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/606778 / HA ZA 20-1036

Vonnis in incident van 31 maart 2021

in de zaak van

de stichting

STICHTING GFPJ,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. H. Knotter te ’s-Hertogenbosch,

tegen

1. [bedrijf A]

[bedrijf A] ,

gevestigd te [vestigingsplaats A] ,

2. [persoon B] ,

wonende te [woonplaats B] , [land] ,

3. [persoon C],

wonende te [woonplaats C] , [land] ,

4. [persoon D],

wonende te [woonplaats D] , [land] ,

5. [persoon E],

wonende te [woonplaats E] , [land] ,

gedaagden in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

advocaat mr. M.C. Franken-Schoemaker te Houten.

Partijen zullen hierna Stichting GFPJ en [bedrijf A] c.s. genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding, met producties 1 tot en met 77;

  • -

    de incidentele conclusie van niet-ontvankelijkheid, alsmede van onbevoegdheid van [bedrijf A] c.s.;

  • -

    de akte eiswijziging en -vermindering ten principale tevens conclusie van antwoord in incident, met producties 78 tot en met 82.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De vorderingen in de hoofdzaak

2.1.

Stichting GFPJ vordert, na wijziging van eis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

  1. te verklaren voor recht dat de franchiseovereenkomsten en addenda die zijn gesloten tussen [bedrijf A] en de franchisenemers die volgens alinea 5 van de dagvaarding deel uitmaken van Groep 1 en Groep 3, op goede gronden buitengerechtelijk zijn vernietigd, althans deze franchiseovereenkomsten tussen [bedrijf A] en de franchisenemers die volgens alinea 5 van de dagvaarding deel uitmaken van Groep 1 en Groep 3 te vernietigen op grond van misbruik van omstandigheden en/of dwaling en/of bedrog;

  2. de tussen [bedrijf A] en de franchisenemers die volgens alinea 5 van de dagvaarding deel uitmaken van Groep 1 en Groep 3 gesloten koopovereenkomsten inzake de bouwkundige voorzieningen en inventaris van hun respectievelijke PJ Winkels, te vernietigen op grond van misbruik van omstandigheden en/of dwaling en/of bedrog;

  3. te verklaren voor recht dat de franchisenemers die volgens alinea 5 van de dagvaarding deel uitmaken van Groep 2 hebben gedwaald;

  4. te verklaren voor recht dat in de verhouding tussen [bedrijf A] en de franchisenemers die volgens alinea 5 van de dagvaarding deel uitmaken van Groep 1, Groep 2 en Groep 3 sprake is van misbruik van omstandigheden en/of bedrog;

  5. de tussen [bedrijf A] en de franchisenemers die volgens alinea 5 van de dagvaarding deel uitmaken van Groep 2 gesloten franchiseovereenkomsten te vernietigen nu deze op grond van misbruik van omstandigheden en/of dwaling en/of bedrog tot stand zijn gekomen;

  6. de tussen [bedrijf A] en de franchisenemers die volgens alinea 5 van de dagvaarding deel uitmaken van Groep 2 gesloten koopovereenkomsten inzake de bouwkundige voorzieningen en inventaris van hun respectievelijke PJ Winkels, te vernietigen nu deze op grond van misbruik van omstandigheden en/of dwaling en/of bedrog tot stand zijn gekomen;

  7. [bedrijf A] en gedaagden sub 2 tot en met 5 hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan Stichting GFPJ, des dat de een betaalt de ander zal zijn gekweten, van het in hoofdstuk IV van de dagvaarding gespecificeerde onverschuldigd betaalde bedrag, zoals nader gespecificeerd in productie 82 en productie 74, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

  8. te verklaren voor recht dat [bedrijf A] onrechtmatig heeft gehandeld jegens iedere franchisenemer die volgens alinea 5 deel uit maakt van Groep 1, 2 en 3 en aansprakelijk is voor de schade die de betreffende franchisenemers als gevolg daarvan hebben geleden en nog zullen lijden, zoals nader gespecificeerd in productie 72;

  9. te verklaren voor recht dat gedaagden sub 2 tot en met 5 onrechtmatig hebben gehandeld jegens iedere franchisenemer die volgens alinea 5 deel uit maakt van Groep 1, 2 en 3 en naast [bedrijf A] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die de betreffende franchisenemers als gevolg daarvan hebben geleden en nog zullen lijden, zoals nader gespecificeerd in productie 72;

  10. [bedrijf A] en gedaagden sub 2 tot en met 5 hoofdelijk te veroordelen, des dat de een betaalt de ander zal zijn gekweten, tot vergoeding aan Stichting GFPJ van de schade van de franchisenemers PJ die volgens alinea 5 deel uitmaken van Groep 1, 2 en 3, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, voor zover deze schade niet reeds deel uitmaakt van het gevorderde onder vordering 7 en 8 van het petitum;

Subsidiair:

11. te verklaren voor recht dat de franchiseovereenkomsten en addenda die zijn gesloten tussen [bedrijf A] en de franchisenemers die volgens alinea 5 van deze dagvaarding deel uitmaken van Groep 1 en Groep 3, op goede gronden buitengerechtelijk zijn ontbonden, althans deze franchiseovereenkomsten tussen [bedrijf A] en de franchisenemers die volgens alinea 5 van deze dagvaarding deel uitmaken van Groep 1 en Groep 3 te ontbinden;

11. te verklaren voor recht dat [bedrijf A] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens de franchisenemers die volgens alinea 5 van deze dagvaarding deel uitmaken van Groep 1, Groep 2 en Groep 3 en aansprakelijk is voor de schade die de betreffende franchisenemers als gevolg daarvan hebben geleden en nog zullen lijden;

11. te verklaren voor recht dat gedaagden sub 2 tot en met 5 onrechtmatig hebben gehandeld jegens iedere franchisenemer die volgens alinea 5 deel uit maakt van Groep 1, 2 en 3 en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die de betreffende franchisenemers als gevolg daarvan hebben geleden en nog zullen lijden;

11. de tussen [bedrijf A] en de franchisenemers die volgens alinea 5 van de dagvaarding deel uitmaken van Groep 2 gesloten franchiseovereenkomsten en addenda te ontbinden;

11. de tussen [bedrijf A] en de franchisenemers die volgens alinea 5 van de dagvaarding deel uitmaken van Groep 2 gesloten koopovereenkomsten inzake de bouwkundige voorzieningen en inventaris van hun respectievelijke PJ Winkels te ontbinden;

11. [bedrijf A] en gedaagden sub 2 tot en met 5 hoofdelijk te veroordelen, des dat de een betaalt de ander zal zijn gekweten, tot (i) terugbetaling van alle bedragen die de franchisenemers die volgens alinea 5 deel uitmaken van Groep 1, 2 en 3 aan [bedrijf A] hebben verricht, zoals nader gespecificeerd in de overzichten die als productie 82 en 74 in het geding zijn gebracht en (ii) vergoeding van alle door de franchisenemers die volgens alinea 5 deel uitmaken van Groep 1, 2 en 3 geleden en nog te lijden schade, zoals nader gespecificeerd in productie 73;

11. [bedrijf A] en gedaagden sub 2 tot en met 5 hoofdelijk te veroordelen, des dat de een betaalt de ander zal zijn gekweten, tot vergoeding aan Stichting GFPJ van de als gevolg van de ontbinding geleden en nog te lijden schade van de franchisenemers die volgens alinea 5 deel uitmaken van Groep 1, 2 en 3, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, voor zover deze schade niet reeds deel uitmaakt van de schade die wordt gevorderd onder vordering 16 van het petitum;

Meer subsidiair:

18. [bedrijf A] en de bestuurders hoofdelijk te veroordelen tot betaling, des dat de een betaalt de ander zal zijn gekweten, van de met franchisenemers F en R overeengekomen koopsom van € 100.000,- inzake de inventaris;

18. [bedrijf A] en de bestuurders hoofdelijk te veroordelen tot betaling, des dat de een betaalt de ander zal zijn gekweten, van de met franchisenemers D en E overeengekomen koopsom conform artikel 24 (breakoptie) van de met de betreffende franchisenemers gesloten franchiseovereenkomst;

Zowel primair als (meer) subsidiair:

20. [bedrijf A] en de bestuurders hoofdelijk te veroordelen tot betaling, des dat de een betaalt de ander zal zijn gekweten, van de door Stichting GFPJ gemaakte buitengerechtelijke incassokosten, welke kosten conform de Staffel BIK neerkomen op een bedrag van € 6.775,00 vermeerder met de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

20. [bedrijf A] en de bestuurders hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure, des dat de een betaalt en de anders zal zijn gekweten, waaronder expliciet begrepen de totale beslagkosten, met inbegrip van de na het gewezen vonnis verschuldigde nakosten, begroot op € 157,-- zonder betekening, te vermeerderen met € 82,-- in het geval van betekening van het vonnis en daarbij te bepalen dat gedaagden sub 2 t/m 5 de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over de proceskosten verschuldigd zijn vanaf 14 dagen na de dag van het te dezen te wijzen vonnis.

3. Het geschil in het incident

3.1.

[bedrijf A] c.s. vorderen dat de rechtbank, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

Stichting GFPJ niet ontvankelijk verklaart in al haar vorderingen, althans in haar vorderingen die betrekking hebben op schadevergoeding, te weten de vorderingen 7, 8, 9, 12, 13, 16, 17, 18 en/of 19;

Subsidiair

Stichting GFPJ niet ontvankelijk verklaart in haar vorderingen, althans zich onbevoegd verklaart om van de onderhavige zaak kennis te nemen en de zaak te verwijzen in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de bevoegde kamers voor kantonzaken in de diverse arrondissementen, alsmede partijen erop te wijzen dat zij op de eventueel door de rechtbank te vermelden rolzitting niet hoeven te verschijnen, omdat de kantonrechter eerst zal beslissen op welke wijze de procedure zal worden voortgezet, waarna de griffier partijen over deze beslissing zal informeren en partijen erop te wijzen dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen en dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge artikel 8 lid 4 WGBZ zal worden verlaagd en dat het teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort;

Primair en subsidiair

Stichting GFPJ veroordeelt in de kosten van het incident aan de zijde van [bedrijf A] c.s., te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

[bedrijf A] c.s. leggen het volgende aan hun vorderingen ten grondslag.

3.3.

Gelet op het individuele karakter, lenen de vorderingen van Stichting GFPJ zich niet voor collectieve behandeling. De stellingen die aan de vorderingen in de hoofdzaak ten grondslag liggen, dienen per individuele franchisenemer te worden beoordeeld. De collectieve actie als bedoeld in artikel 3:305a BW is daarvoor niet de juiste weg.

3.4.

Op de collectieve actie zijn de formele vereisten van titel 14 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering van toepassing. Aan die vereisten is niet voldaan. Dit leidt ertoe dat Stichting GFPJ niet ontvankelijk is in haar vorderingen.

3.5.

Voor zover Stichting GFPJ wel in haar vorderingen kan worden ontvangen, is de kamer voor andere zaken dan kantonzaken niet bevoegd om van die vorderingen kennis te nemen. De vorderingen hebben betrekking op huurovereenkomsten en zijn daarmee aardvorderingen als bedoeld in artikel 93 sub c Rv. Ten aanzien van die vorderingen is uitsluitend de kantonrechter bevoegd. Nu de onderlinge samenhang van de vorderingen zich tegen afzonderlijke behandeling verzet, is de kantonrechter ten aanzien van alle vorderingen bevoegd.

3.6.

De rechtbank Rotterdam is ook relatief onbevoegd. Aan de voor aanvang van het geschil gemaakte forumkeuze in de franchiseovereenkomsten moet gelet op artikel 108 gelezen in verbinding met artikel 103 Rv, dat betrekking heeft op aardvorderingen, voorbij worden gegaan.

3.7.

Stichting GFPJ voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen in het incident, met hoofdelijke veroordeling van [bedrijf A] c.s. in de kosten van het incident. Hiertoe voert zij het volgende aan.

3.8.

Subjectieve cumulatie van rechtsvorderingen staat aan individuele beoordeling niet in de weg. Als zodanig kan dit nimmer tot niet ontvankelijkheid leiden.

3.9.

De gekozen rechtsgang is geen collectieve actie. Stichting GFPJ treedt in deze procedure op krachtens onherroepelijke volmacht en lastgeving en int de vorderingen in eigen naam. Ten aanzien van de ontvankelijkheid zijn de bepalingen van artikel 3:305a BW en 1018c Rv dan ook niet van belang.

3.10.

De vorderingen betreffende huurovereenkomsten zijn, als aardvorderingen, slechts nevenvorderingen van de nauw verbonden hoofdvorderingen uit hoofde van franchiseovereenkomsten. Ten aanzien van die laatste vorderingen is de rechtbank en niet de kantonrechter bevoegd. Desalniettemin leidt de eiswijziging en -vermindering ertoe dat van een kwestie betreffende huurovereenkomsten geen sprake (meer) is. Ten aanzien van franchiseovereenkomsten is de rechtbank bevoegd. Door [bedrijf A] c.s. is niet betwist dat de franchiseovereenkomsten een rechtsgeldige forumkeuze bevatten. Op grond van die bepaling is de rechtbank Rotterdam bevoegd.

3.11.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Internationale bevoegdheid

4.1.

De rechtbank constateert dat [bedrijf A] is gevestigd in Nederland, dat de vorderingen jegens haar en haar bestuurders bijzonder nauw met elkaar samenhangen en dat de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter door [bedrijf A] c.s. niet is betwist. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de Nederlandse rechter bevoegd is van de vorderingen kennis te nemen.

Ontvankelijkheid

4.2.

Voor beantwoording van de vraag of een partij die een rechtsvordering instelt in die vordering kan worden ontvangen, is onder meer van belang welke rechtsgang die partij heeft gekozen. Daarbij wordt vooropgesteld dat de partij die een vordering instelt, in beginsel vrij is in de keuze van die rechtsgang.

4.3.

In dit geval heeft Stichting GFPJ ervoor gekozen een rechtsvordering krachtens aan haar verstrekte last en volmacht tot incasso in te stellen. [bedrijf A] c.s. hebben niet betwist dat die volmacht en lastgeving toereikend is om Stichting GFPJ op eigen naam namens de franchisenemers de onderhavige vorderingen in te laten stellen. De rechtbank gaat dan ook uit van een toereikende volmacht en lastgeving.

4.4.

De wijze waarop Stichting GFPJ haar rechtsvordering heeft vormgegeven is geen collectieve actie als bedoeld in artikel 3:305a BW. Het feit dat verschillende franchisenemers zich hebben verenigd door ieder voor zich aan de Stichting GFPJ een last en volmacht te verstrekken tot hun vorderingen, maakt dat niet anders. Dit brengt met zich mee dat de bepalingen van titel 14 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering niet van toepassing zijn. Nu [bedrijf A] c.s. hun vordering tot niet-ontvankelijkverklaring uitsluitend hebben gegrond op de stelling dat de rechtsvorderingen van Stichting GFPJ een collectieve actie betreffen, wordt die vordering afgewezen. Stichting GFPJ kan in haar vorderingen worden ontvangen.

Bevoegdheid

4.5.

Sinds Stichting GFPJ haar eis heeft gewijzigd, bevat die eis geen vorderingen meer die naar hun aard tot de bevoegdheid van de kantonrechter behoren. Voor verwijzing naar de kantonrechter is dan ook geen plaats (meer). In het verlengde daarvan is er ook geen reden voor de rechtbank om zich relatief onbevoegd te verklaren. Immers, voor zover het betoog van [bedrijf A] c.s. als een beroep op relatieve onbevoegdheid moet worden opgevat, is het uitsluitend gebaseerd op de gestelde bevoegdheid van de kantonrechter. Er is geen beroep gedaan op de relatieve onbevoegdheid van de handelskamer van de rechtbank.

4.6.

De vordering strekkende tot verwijzing wordt afgewezen.

4.7.

[bedrijf A] c.s. worden als de in het ongelijk gestelde partijen, hoofdelijk, veroordeeld in de kosten van het incident, tot op heden begroot op € 3.999,- aan salaris advocaat (1 punt × tarief VIII).

5. De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [bedrijf A] c.s. hoofdelijk in de kosten van het incident, aan de zijde van Stichting GFPJ begroot op € 3.999,-;

in de hoofdzaak

5.3.

verwijst de zaak naar de rol van 12 mei 2021 voor conclusie van antwoord;

5.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. J. van den Bos en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2021.

3268/1407