Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3027

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-04-2021
Datum publicatie
12-04-2021
Zaaknummer
8923296
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Erfgenamen zijn de twee zonen van erflaatsterr Woning in nalatenschap. Een van de zonen woont in die woning en moet gebruiksvergoeding aan de andere zoon betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8923296 VZ VERZ 20-20169

uitspraak: 9 april 2021

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats verzoeker],

verzoeker,

gemachtigde: mr. M.C.G. Stut te Rotterdam,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats verweerder],

verweerder,

gemachtigde: mr. J.M. Peet te Nieuwerkerk aan den IJssel.

Omdat hun achternaam niet onderscheidend werkt, worden partijen hierna bij hun eerste voornaam ‘[verzoeker]’ en ‘[verweerder]’ genoemd.

1. De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

• het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 18 december 2020;

• de wijziging van het verzoekschrift van 22 februari 2021;

• het verweerschrift, met bijlagen en met een zelfstandig verzoek, ontvangen

op 8 maart 2021;

• de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van de zaak

op 11 maart 2021.

2. De feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten:

2.1

[verzoeker] en [verweerder] zijn broers, zonen en enig erfgenamen van [erflaatster], overleden in Rotterdam op 30 november 2015, hierna: ‘erflaatster’.

2.2

Tot de nalatenschap van erflaatster hoort de woning op [adres] in [woonplaats verweerder]. [verweerder] woonde met erflaatster in deze woning toen zij overleed. [verweerder] woont ook nu nog in de woning.

2.3

Tot de nalatenschap van erflaatster hoort ook haar deel in de nalatenschap van haar moeder (en dus de grootmoeder van [verzoeker] en [verweerder]) [naam], overleden op 13 juli 2012. Over die nalatenschap is tot april 2020 geprocedeerd met de zus van erflaatster (en dus de tante van [verzoeker] en [verweerder]).

3. Het geschil

3.1

[verzoeker] vraagt de kantonrechter, na een wijziging van zijn verzoek:

1. primair te bepalen dat [verweerder] een gebruiksvergoeding van € 1.800,- per maand aan de nalatenschap van erflaatster, althans de boedel waarvan [verzoeker] en [verweerder] deelgenoot zijn, betaalt, met ingang van 30 november 2015 en met uitzondering van één maand in 2017;

2. subsidiair te bepalen dat [verweerder] een gebruiksvergoeding van € 900,- per maand aan hem ([verzoeker]) betaalt;

3. veroordeling van [verweerder] in de proceskosten met nakosten en rente.

3.2

[verweerder] vraagt de kantonrechter met een zelfstandig verzoek:

1. een beheersregeling vast te stellen, zodat [verweerder] mede namens [verzoeker], met hun tante, de dochter van hun grootmoeder, de nalatenschap kan afwikkelen en de saldi van de bankrekeningen en de aandelen van grootmoeder kunnen verdelen, in die zin dat tante 50% krijgt en [verweerder] en [verzoeker] ieder 25%, met veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten.

3.3

[verzoeker] en [verweerder] voeren verweer tegen elkaars verzoeken. Voor zover voor de beoordeling van belang, wordt hierna ingegaan op de stellingen waarmee [verzoeker] en [verweerder] de verzoeken en het verweer daartegen onderbouwen.

4. De beoordeling

gebruiksvergoeding

4.1

[verweerder] voert op goede gronden aan dat [verzoeker], zoals hij doet met zijn gewijzigde primaire verzoek, niet namens de nalatenschap een verzoek kan instellen tegen [verweerder]. De kantonrechter zal daarom beoordelen of [verweerder] een gebruiksvergoeding aan [verzoeker] moet betalen, zoals [verzoeker] subsidiair verzoekt.

4.2

[verzoeker] en [verweerder] zijn als enig erfgenaam van hun moeder deelgenoten van de in de nalatenschap van hun moeder vallende woning op [adres] Een overeenkomst als bedoeld in artikel 3:168 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) over ‘het genot, het gebruik en het beheer’ ontbreekt. [verzoeker] vraagt de kantonrechter daarom op grond van artikel 3:168 lid 2 BW een regeling over het genot, het gebruik en het beheer van de woning te treffen. De kantonrechter moet bij het vaststellen van een dergelijke regeling naar billijkheid rekening houden met de belangen van partijen en met het algemeen belang.

4.3

Een regeling, in de zin dat [verweerder] aan [verzoeker] een gebruiksvergoeding moet betalen voor het gebruik van de woning, is naar het oordeel van de kantonrechter billijk. Het is immers niet te verdedigen dat [verweerder] (nog steeds) ‘gratis’ in de woning woont. De vraag is alleen hoe hoog deze vergoeding dan moet zijn en per wanneer deze betaald moet worden. [verweerder] stelt dat het niet redelijk is dat hij een vergoeding moet betalen omdat [verzoeker] de afwikkeling van de nalatenschap van grootmoeder onmogelijk maakt, waardoor [verweerder] de woning van hun moeder niet kan overnemen. De kantonrechter gaat aan deze stelling van [verweerder] voorbij. Op basis van wat in deze procedure naar voren is gebracht, kan niet geoordeeld worden dat [verzoeker] onrechtmatig ten opzichte van [verweerder] handelt in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap van hun grootmoeder.

4.4

De regeling gaat in per 1 mei 2020. Deze datum valt weliswaar ruim na het overlijden van erflaatster, maar de kantonrechter begrijpt uit wat [verzoeker] en [verweerder] verklaarden tijdens de mondelinge behandeling van de zaak dat de afspraak bestond, hoewel wat vaag en wellicht niet heel duidelijk uitgesproken, dat met de verdeling van het huis op de IJsselwaard (en alles daarom heen, zoals bijvoorbeeld een gebruiksvergoeding) in ieder geval gewacht zou worden tot duidelijkheid bestond over de verdeling van de nalatenschap van grootmoeder. Deze duidelijkheid is er in april 2020 gekomen. Wellicht heeft een en ander langer geduurd dan vooraf voorzien, maar [verzoeker] heeft op geen enkel moment voor mei 2020 tegen [verweerder] gezegd dat er (nadere) afspraken gemaakt moesten worden omdat het wel erg lang duurde. Dat het de bedoeling zou zijn dat [verweerder], als eenmaal duidelijk zou zijn hoe de nalatenschap van grootmoeder verdeeld zou worden, met terugwerkende kracht vanaf het overlijden van erflaatster een gebruiksvergoeding zou moeten betalen, is niet gebleken. De kantonrechter vindt het ook niet billijk om [verweerder] vanaf december 2015 (de maand na het overlijden van erflaatster) een gebruiksvergoeding te laten betalen. [verweerder] heeft er in de afgelopen jaren geen rekening mee hoeven houden dat hij alsnog een aanzienlijk bedrag voor het gebruik van de woning aan [verzoeker] zou moeten betalen.

4.5

Er zijn verschillende methoden om een gebruiksvergoeding te berekenen. In deze zaak kiest de kantonrechter voor een berekening op basis van de overwaarde van de woning. Die methode sluit het meest aan bij wat [verweerder] en [verzoeker] nu eigenlijk aan bezit hebben wat het huis betreft en dat is, simpel gezegd: de verkoopwaarde minus de hypotheekschuld.

4.6

De woning is op 6 juli 2020 getaxeerd op € 452.000,-. De datum 6 juli 2020 ligt het dichtst bij de ingangsdatum van de gebruiksvergoeding. De taxatiewaarde op 6 juli 2020 wordt daarom als uitgangspunt genomen. De hypotheekschuld bedraagt € 234.000,-. De overwaarde is gelet op deze bedragen € 218.000,-. De helft hiervan is € 109.000,-. Er wordt gerekend met een rendement van 2,5%1. De gebruiksvergoeding komt daarmee uit op een bedrag van € 2.725,- per jaar, ofwel € 227,08 per maand.

4.7

De kantonrechter ziet geen aanleiding om de helft van de kosten van de woning op de gebruiksvergoeding in mindering te brengen. De eigenaarslasten van de woning moeten door de nalatenschap gedragen worden. Als de woning op een dag aan [verweerder] (of aan een derde) wordt verkocht kan gepraat worden over verrekening van de eigenaarslasten die [verweerder] heeft betaald. Daarvoor is het nu nog te vroeg.

4.8

De kantonrechter ziet evenmin aanleiding om een beheersvergoeding op de gebruiksvergoeding in mindering te brengen. Het is de keuze van [verweerder] geweest om in de woning te blijven wonen. Dit is ook in zijn voordeel geweest. In een relatie tussen broers is het bovendien niet billijk om [verzoeker] een beheersvergoeding in rekening te brengen.

4.9

[verweerder] noemt onder de nummers 59, 60 en 61 van zijn verweerschrift bedragen waarvan [verzoeker] naar hij stelt de helft moet betalen. Een verzoek tot veroordeling van [verzoeker] tot betaling hiervan doet [verweerder] echter niet. Voor verrekening is gelet op wat overwogen is onder 4.7 op dit moment geen plaats.

4.10

Het verzoek dat [verweerder] doet onder nummer 62 van zijn verweerschrift, namelijk bepalen dat de gebruiksvergoeding niet eerder opeisbaar is dan bij de verdeling van de nalatenschap van erflaatster, is niet toewijsbaar. Om te beginnen voert [verweerder] niet aan waarom hij dit wil en daar komt bij dat het idee van een gebruiksvergoeding toch is dat deze wordt betaald in de periode dat [verweerder] nog wél in de woning woont, maar de nalatenschap nog níet verdeeld is.

beheersregeling

4.11

[verweerder] verzoekt een beheersregeling vast te stellen voor het beheer van de nalatenschap van erflaatster, voor zover dat beheer ziet op de afwikkeling van de nalatenschap van haar moeder (dus de moeder van erflaatster en de grootmoeder van [verzoeker] en [verweerder]). Dit verzoek van [verweerder] is echter niet toewijsbaar. Wat [verweerder] specifiek verzoekt, zoals opgenomen onder 3.2 van deze beschikking, heeft immers niets met beheer te maken. Het gaat [verweerder] om het beschikken over de nalatenschap van grootmoeder. Daar is een beheersregeling niet voor.

kosten van de procedure

4.12

[verzoeker] en [verweerder] zijn broers. De kantonrechter ziet daarin aanleiding te bepalen dat ieder van hen de eigen kosten van deze procedure draagt.

uitvoerbaar bij voorraad

4.13

De beschikking wordt zoals verzocht ‘uitvoerbaar bij voorraad’ verklaard. Dit betekent dat [verweerder] aan de veroordeling moet voldoen, ook als in hoger beroep wordt gegaan tegen deze beschikking.

5. De beslissing

De kantonrechter,

- bepaalt dat [verweerder] aan [verzoeker] met ingang van 1 mei 2020 een vergoeding voor het gebruik van de woning op [adres] moet betalen van € 227,08 per maand;

- bepaalt dat [verzoeker] en [verweerder] ieder de eigen kosten van deze procedure dragen;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst het meer of anders door [verzoeker] en [verweerder] verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Fiege en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

686

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 juli 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:6419) en de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 25 januari 2018 (ECLI:NL:GHSHE:2018:255).