Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:2990

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31-03-2021
Datum publicatie
07-04-2021
Zaaknummer
C/10/600964 / HA ZA 20-717
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dakopbouw niet conform vergunningsvoorwaarden gerealiseerd. Eisers mochten erop vertrouwen dat aannemer dakopbouw conform vergunning zou realiseren. Waarschuwingsplicht aannemer. Tekortkoming aannemer. Gebreken dakopbouw niet voldoende weersproken door aannemer. Aannemer heeft zijn (herstel)werkzaamheden ten onrechte opgeschort gelet op ernst gebreken. Schadevergoeding schattenderwijs begroot nu partijen niet gebaat zijn bij het benoemen van een deskundige en eisers geruime tijd in een onderstempelde woning leven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/600964 / HA ZA 20-717

Vonnis van 31 maart 2021

in de zaak van

1. [naam persoon A] ,

2. [naam persoon B],

beide wonende te [woonplaats C] , [gemeente C] ,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. A.G.E. Verbart te Tilburg,

tegen

[persoon D] H.O.D.N. [bedrijf D],

wonende te [woonplaats D] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. S. van Steenwijk te Utrecht.

Partijen zullen hierna [naam persoon A] c.s. en [persoon D] genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 10 juli 2020 met 26 producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met twaalf producties;

  • -

    de oproepingsbrief van 2 oktober 2020 waarbij partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling per Skype voor bedrijven;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende akte eisvermeerdering met twee producties;

  • -

    de ter zitting overgelegde spreekaantekeningen van [naam persoon A] c.s. met een productie;

  • -

    de ter zitting overgelegde spreekaantekeningen van [persoon D] ;

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 19 november 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

[naam persoon A] c.s. hebben op 30 november 2018 een aannemingsovereenkomst gesloten met [persoon D] , op grond waarvan [persoon D] tegen betaling van een aanneemsom van € 60.826,42 een dakopbouw op de woning van [naam persoon A] c.s. moest realiseren. De Gemeente Rotterdam (hierna: de Gemeente) heeft op 5 juli 2019 de bouwaanvraag voor het realiseren van de dakopbouw verleend. [persoon D] is vervolgens op 5 augustus 2019 aangevangen met de uitvoering van de overeengekomen werkzaamheden.

2.2.

Op enig moment in november 2019 heeft [persoon D] [naam persoon A] c.s. medegedeeld de dakopbouw op 22 november 2019 te willen opleveren. [naam persoon A] c.s. hebben [persoon D] in hun e-mail van 14 november 2019 (voor zover relevant) medegedeeld dat de dakopbouw nog niet gereed was voor oplevering, omdat de vloer nog open lag, het dak op diverse plekken lek was, er geen radiatoren zijn geplaatst, de elektra niet was aangesloten, geen veiligheidshek op het dak was gemaakt ten behoeve van het dakterras en dat er nog meer af te werken punten waren.
heeft [naam persoon A] c.s. in zijn e-mail van (eveneens) 14 november 2019 medegedeeld dat hij een proces-verbaal van oplevering zou gaan opstellen met daarin een opsomming van de nog uit te voeren punten.

2.3.

Op 22 november 2019 hebben partijen de dakopbouw bezichtigd. [naam persoon A] c.s. hebben [persoon D] een brief, vergezeld van een lijst met 39 gebreken, overhandigd waarin zij hem hebben medegedeeld dat zij de oplevering van de dakopbouw niet accepteren. In voormelde brief hebben [naam persoon A] c.s. [persoon D] gesommeerd om het werk alsnog naar de eisen van goed en deugdelijk werk af te ronden. [naam persoon A] c.s. hebben betaling van de nog resterende aanneemsom van € 17.289,24 – bestaande uit de factuur van € 14.247,93 en 5% van de aanneemsom van € 3.041,32 – opgeschort.

2.4.

[persoon D] heeft [naam persoon A] c.s. in zijn e-mail van 27 november 2019 medegedeeld dat hij de uitvoering van het werk heeft gestaakt.

2.5.

Op 28 november 2019 is [persoon D] door (de gemachtigde van) [naam persoon A] c.s. in gebreke gesteld en gesommeerd om uiterlijk op 6 december 2019 een dakopbouw naar de eisen van goed en deugdelijk werk op te leveren.

2.6.

Op 9 december 2019 hebben [naam persoon A] c.s. (via hun gemachtigde) [persoon D] medegedeeld dat zij de aannemingsovereenkomst partieel hebben ontbonden voor het deel van het werk dat niet deugdelijk is uitgevoerd. Tevens hebben [naam persoon A] c.s. medegedeeld op basis van artikel 6:87 BW aanspraak te maken op vervangende schadevergoeding in plaats van nakoming en de kosten van de herstelwerkzaamheden op [persoon D] te verhalen.

2.7.

Op 10 december 2019 heeft [persoon D] [naam persoon A] c.s. gesommeerd om tot betaling van zijn factuur van € 14.257,93 over te gaan.

2.8.

Op 23 november 2019 heeft in opdracht van [naam persoon A] c.s. een bouwkundige expertise plaatsgevonden. De expert heeft, voor zover relevant, geconcludeerd dat “aan de dakopbouw, constructies, installatie nog veel moet gebeuren. Er zal nog veel aangepast, aangebracht moeten worden. Al met al is er behoorlijk prutswerk geleverd.”

2.9.

Op 9 maart 2020 is in opdracht van [persoon D] een contraexpertise verricht. Daarbij is geconstateerd dat sprake is van een scheur in de vloer. De expert heeft, voor zover relevant, het volgende geconcludeerd:
Bij een groot deel van de aangebrachte onderdelen is afgeweken van tekeningen en berekeningen. De opbouw van de wanden/buitengevels wijkt constructief af. Door de onjuiste opbouw (folies, etc) van de houtskelet wanden zullen er vocht en condensatieproblemen ontstaan waardoor de houten constructie op termijn wordt aangetast. Tpv het dak is een onjuiste/alternatieve isolatie toegepast en de dakbedekking is ondeskundig aangebracht met lekkages tot gevolg. Ook constructief zijn hier afwijkingen geconstateerd. De dakbedekking en isolatie dienen volledig te worden vervangen door de juiste materialen en dient op de juist wijze te worden aangebracht/verwerkt. De stalen onderdelen tpv de trapgaten ontbreken. Dit zorgt voor een onveilige situatie, het advies is om zo snel mogelijk stempels aan te brengen om de veiligheid te waarborgen. Vervolgens dienen de voorgeschreven onderslagen en raveelbalken alsnog te worden aangebracht.

Gezien de grote hoeveelheid aanpassingen die benodigd zijn kan mogelijk alleen het grootste deel van de houten constructie blijven staan (…) en dient het grootste deel van de dakopbouw te worden afgebroken en opnieuw te worden opgebouwd zoals aangegeven op tekening en constructieberekeningen. Hierbij moet de houten constructie alsnog worden aangepast naar de voorgeschreven h.o.h afstanden tpv zowel de wanden als het dak”.

2.10.

[naam persoon A] c.s. hebben op 16 maart 2020 aanvullend bouwkundig onderzoek laten verrichten. De expert heeft, voor zover relevant, het volgende geconcludeerd:
Op 16 maart heeft er een vervolg onderzoek plaatsgevonden (…) ook is er gekeken of er volgens de voorschriften gebouwd is, dit bleek niet het geval.
Aan de dakopbouw, constructies, installatie moet nog veel gebeuren.
De dakopbouw zou volledig/grotendeels verwijderd moeten worden en opnieuw worden opgebouwd.
Er is niet volgens het bouwbesluit, tekeningen, berekeningen en voorschriften gebouwd. De dakopbouw zal herstel moeten worden zoals de bouwvergunningstekeningen, de constructieberekeningen, het bouwbesluit en de verwerkingsvoorschriften van de leveranciers aangeven. Eigenlijk zou ik het advies willen geven om de gehele dakopbouw af te breken, om daarna het geheel volgens de tekeningen en berekeningen weer op te bouwen, dit gezien het feit dat de aannemer volgens zijn eigen ding heeft gebouwd (met de mededeling zo bouw ik altijd). Onduidelijk is of de opbouw wel voldoende aan het bestaande dak bevestigd is. Gezien hoe er is gebouwd roept dit twijfels op”.

2.11.

Op 21 april 2020 heeft de bouwinspecteur van de Gemeente [naam persoon A] c.s. medegedeeld dat tijdens een controle is gebleken dat de werkzaamheden niet conform de vergunningsvoorschriften zijn uitgevoerd.

2.12.

[naam persoon A] c.s. hebben de woning op enig moment in 2020 laten onderstempelen. [naam persoon A] c.s. hebben [persoon D] (via hun gemachtigde) op 3 april 2020 alsnog in de gelegenheid gesteld om de gebreken uiterlijk op 1 mei 2020 te herstellen. [persoon D] heeft hieraan geen gehoor of gevolg gegeven.

3. Het geschil

in conventie

3.1.

[naam persoon A] c.s. vorderen na wijziging van eis samengevat - dat de rechtbank:

1. voor recht verklaart dat de overeenkomst van aanneming van werk is ontbonden, althans deze alsnog ontbindt;

en voorts [persoon D] veroordeelt tot betaling van:

2. € 57.900,00 althans een in goede justitie te bepalen bedrag;

3. de buitengerechtelijke incassokosten groot € 1.354,00;

4. de expertisekosten groot € 1.497,38;

5. de wettelijke rente over € 57.900,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, vanaf 1 mei 2020 althans de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

6. € 1.692,79, te vermeerderen met wekelijkse kosten van onderstempelen groot € 42,- vanaf week 45 tot en met de dag waarop zodanig herstel heeft plaatsgevonden dat onderstempelen niet meer nodig is, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;

7. de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 157,- zonder betekening of € 239,- in geval van betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3.2.

[persoon D] voert verweer en concludeert - samengevat - tot afwijzing van de vordering met veroordeling van [naam persoon A] c.s. in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[persoon D] vordert samengevat - veroordeling van [naam persoon A] c.s. tot betaling van:

- € 18.454,43 althans € 14.247,93, te vermeerderen met de 5 procentstermijn van € 3.041,32;

- de wettelijke rente over het bedrag van € 14.247,93;

- de buitengerechtelijke kosten van € 947,89;

- de proceskosten van de procedure.

3.5.

[naam persoon A] c.s. voerenverweer en concluderen samengevat - tot afwijzing van de vordering met veroordeling van [persoon D] in de proceskosten.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1.

[naam persoon A] c.s. baseren hun vorderingen op de stelling dat [persoon D] ernstig is tekort geschoten in de nakoming van zijn verbintenissen. Zij stellen dat partijen zijn overeengekomen dat [persoon D] de dakopbouw zou realiseren met inachtneming van de bouwvergunningsvoorschriften (waaronder de constructieberekeningen en constructietekeningen) en dat [persoon D] dat niet heeft gedaan. Zij stellen voorts dat de door [persoon D] gerealiseerde dakopbouw ernstige gebreken vertoont en dat de dakopbouw niet veilig is. [naam persoon A] c.s. hebben [persoon D] in de gelegenheid gesteld om tot herstel over te gaan. [persoon D] heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. [naam persoon A] c.s. hebben de aannemingsovereenkomst in hun visie terecht gedeeltelijk ontbonden op 9 december 2019.

Als een gevolg van het tekortschieten lijden [naam persoon A] c.s. schade, bestaande uit de kosten van herstel van € 57.900,00, de kosten van het onderstempelen van de woning en de expertisekosten. Ter onderbouwing van de herstelkosten van € 57.900,00 hebben [naam persoon A] c.s. een (niet gespecificeerde) offerte van aannemingsbedrijf Gebroeders Onderdelinden Bouw- en aannemingsbedrijf overgelegd. [naam persoon A] c.s. stellen onder verwijzing naar de expertiserapporten onder 2.8, 2.9 en 2.10 dat de dakopbouw dermate ernstige gebreken vertoont dat die geheel opnieuw moet worden gerealiseerd.

Het overeengekomen werk; de offerte van [persoon D] ; waarschuwingsplicht

4.2.

Tussen partijen is in eerste plaats in geschil of [persoon D] jegens [naam persoon A] c.s. verplicht was om een dakopbouw te realiseren conform de bouwvergunningsvoorschriften en de daaraan ten grondslag liggende stukken (waaronder de constructietekeningen en constructieberekeningen). [persoon D] betwist dat is overeengekomen dat conform de vergunning en de daaraan ten grondslag liggende stukken zou worden gebouwd en betoogt dat de door hem geoffreerde prijs voor het werk daarop ook niet is gebaseerd.

4.3.

Niet betwist is dat [naam persoon A] c.s. [persoon D] bij het verzoek om een offerte uit te brengen voor de dakopbouw hebben medegedeeld dat hun budget daarvoor € 60.000,00 bedroeg en dat zij [persoon D] hebben gevraagd of het mogelijk is een dakopbouw binnen dat budget te realiseren. Onbetwist is dat een vaste prijs is overeengekomen waarin niet was begrepen dat [persoon D] staal in de constructie zou toepassen.

4.4.

Ter zitting is gebleken dat [persoon D] pas na het sluiten van de aanneemovereenkomst is begonnen aan het voorbereiden van een vergunningaanvraag. Gebleken is dat [persoon D] zelf de architect heeft ingeschakeld en dat de architect de opdracht aan een constructeur heeft gegeven voor het maken van constructieberekeningen en constructietekeningen en voor het aanvragen van de vergunning bij de Gemeente. Vast staat dat de bouwvergunning op 5 juli 2019 is verleend en dat [persoon D] op 5 augustus 2019 is aangevangen met het uitvoeren van de werkzaamheden. De vergunningsaanvraag is weliswaar ingediend door de architect en niet door [persoon D] zelf, maar dit is in opdracht van en in samenspraak met [persoon D] gebeurd. [persoon D] mag aldus bekend worden verondersteld met de inhoud van de vergunningsaanvraag en de inhoud van de constructietekeningen en -berekeningen. Dat heeft [persoon D] ter zitting ook niet betwist. Dat leidt tot de conclusie dat [naam persoon A] c.s. er – mede gelet op de noodzaak van het aanvragen van de bouwvergunning en de daarmee gediende belangen, in het bijzonder het waarborgen van de veiligheid van het te realiseren bouwwerk - op mochten vertrouwen dat [persoon D] een dakopbouw zou realiseren conform de vergunningsvoorschriften en de onderliggende stukken. Dit geldt temeer nu aan het niet naleven van dergelijke vergunningsvoorschriften het risico is verbonden dat het gebouwde op last van de Gemeente moet worden afgebroken. Uitgangspunt is dus dat [persoon D] in beginsel gehouden was om te bouwen conform de vergunningsvoorwaarden.

4.5.

Niet in geschil is dat de vergunningsvoorwaarden voorschrijven dat er staal moet worden verwerkt in de vloeren en in de voor- en achtergevel van de dakopbouw. Niet in geschil is dat [persoon D] dit staal niet heeft verwerkt. [persoon D] heeft immers ter zitting verklaard dat hij het verwerken van staal in de vloer in de constructieberekeningen over het hoofd heeft gezien en dat hij erkent dat hij daarmee een fout heeft gemaakt en betoogt dat het verwerken van staal in de gevels niet nodig was voor een deugdelijke dakopbouw. Hiermee staat in beginsel vast dat [persoon D] in de nakoming van zijn verplichtingen is tekortgeschoten.

4.6.

[persoon D] betoogt evenwel dat hij, omdat de prijs voor het verwerken van staal in de vloer en in de voor- en achtergevel niet was meegenomen in de overeengekomen prijs, [naam persoon A] c.s. heeft gewezen op de met het alsnog verwerken van staal gemoeide meerprijs van circa € 11.000,00 en dat [naam persoon A] c.s. daarvan toen, bij gebreke van voldoende budget, hebben afgezien. Hij heeft hier bewijs van aangeboden. [persoon D] is toen verder gegaan met de uitvoering van de werkzaamheden, mede omdat het – in zijn visie – niet noodzakelijk was om staal te verwerken in de constructie van de dakopbouw.

4.7.

Indien [persoon D] bedoelt te betogen dat [naam persoon A] c.s. welbewust hebben afgezien van het bouwen conform de vergunningsvoorwaarden, dan verwerpt de rechtbank dit standpunt.

Ook indien zou komen vast te staan dat [persoon D] met [naam persoon A] c.s. heeft besproken dat het verwerken van staal in de constructie en in de vloer meerwerk zou betreffen, en dat [naam persoon A] c.s. daarop hebben besloten van dat staal af te zien, dan nog geldt dat [persoon D] als ervaren aannemer met expertise op bouwkundig vlak [naam persoon A] c.s. op de voet van artikel 7:754 lid 1 BW had moeten waarschuwen voor de consequenties van die keuze. Hij had [naam persoon A] c.s. uitdrukkelijk moeten wijzen op de risico’s die zouden zijn gemoeid met het niet bouwen conform de vergunningsvoorwaarden. Dat [persoon D] een dergelijke waarschuwing heeft gegeven is gesteld noch gebleken, zodat de rechtbank als vaststaand aanneemt dat deze is uitgebleven.

Bij gebreke van een dergelijke waarschuwing valt een (eventueel) om budgettaire redenen afzien van staal in het werk niet te verstaan als een akkoord op het afwijken van de in de vergunning gestelde voorwaarden, en evenmin als een omstandigheid die eraan afdoet dat [persoon D] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verbintenis als aannemer. Gelet hierop is het door [persoon D] aangeboden getuigenbewijs op dit punt niet van belang.

4.8.

Zoals ook uit het standpunt van [persoon D] volgt, lag het op zijn weg om met [naam persoon A] c.s. in gesprek te gaan zodra hem was gebleken dat de overeengekomen vaste prijs te laag was om een dakopbouw conform de vergunningsvoorschriften mogelijk te maken. In dat gesprek hadden zowel de risico’s van bouwen in strijd met de vergunning als de kostenconsequenties van de vergunningsvoorwaarden besproken moeten worden. De rechtbank acht, mede gelet op de verklaring van [naam persoon A] c.s. ter zitting, zeer onwaarschijnlijk dat [naam persoon A] c.s. in een dergelijk gesprek zouden hebben ingestemd met het gaan bouwen in strijd met de vergunning indien zij door [persoon D] uitdrukkelijk zouden zijn gewezen op de daaraan verbonden risico’s. Aan dat scenario gaat de rechtbank verder voorbij.

Wel waarschijnlijk acht de rechtbank dat partijen, indien een gesprek over voornoemde onderwerp was gevoerd, voor de noodzakelijke meerkosten een oplossing zouden hebben gezocht en gevonden. Van dit scenario zal de rechtbank bij de verdere beoordeling uitgaan. Tot welke prijsverhoging dit dan zou hebben geleid kan in het midden blijven.

De gerealiseerde dakopbouw

4.9.

Partijen twisten over de vraag in hoeverre de gerealiseerde dakopbouw gebreken vertoont en of [persoon D] is tekortgeschoten in zijn verbintenissen ter zake van de dakopbouw. Dit is van belang omdat [naam persoon A] c.s. de overeenkomst hebben ontbonden voor zover [persoon D] in de nakoming daarvan is tekortgeschoten.

4.10.

[naam persoon A] c.s. stellen onder verwijzing naar de expertiserapporten als genoemd onder 2.8, 2.9 en 2.10 dat de gerealiseerde dakopbouw dermate gebrekkig is dat die vrijwel geheel moet worden afgebroken. [naam persoon A] c.s. hebben een lijst van (meer dan) 39 gestelde gebreken in het geding gebracht, waarvan een deel niet verder in hun processtukken is onderbouwd. De rechtbank zal alleen de door [naam persoon A] c.s. voldoende onderbouwd gestelde gebreken meenemen in haar beoordeling. [naam persoon A] c.s. hebben de volgende – meest in het oog springende althans meest ernstige – gebreken voldoende onderbouwd:

  1. Er is geen staal verwerkt in de voor- en achtergevel van de dakopbouw. Dit had wel moeten gebeuren op grond van de vergunningsvoorschriften omdat het staal op de constructietekening is ingetekend in de voor- en achtergevel;

  2. Er is geen staal in de betonnen vloer verwerkt. Zonder de verwerking van staal is de betonnen vloer zodanig verzwakt dat dit een gevaarlijke en onveilige situatie oplevert. Op advies van de eigen expert van [persoon D] (zie 2.9) moesten [naam persoon A] c.s. de woning laten onderstempelen;

  3. Er zijn te weinig staanders aangebracht bij de buitenwanden van de dakopbouw waardoor de windbelasting niet voldoende kan worden opgevangen;

  4. Er is in strijd met het Bouwbesluit geen veiligheidshek geplaatst op het dakterras;

  5. De dakbedekking is ondeskundig aangebracht met diverse lekkages tot gevolg. Voorts is de dakisolatie niet of ondeugdelijk aangebracht en is sprake van schimmelvorming en ongedierte, waardoor de dakopbouw dermate gebrekkig is, dat deze nagenoeg als verloren moet worden beschouwd. Op grond van de vergunningsvoorschriften moest gebruik worden gemaakt van dampdichte folie. Dit is niet gebeurd;

  6. Het plafond is niet afgewerkt en er loopt een scheur over de breedte van de vloer ter hoogte van de open haard.

4.11.

[persoon D] betoogt dat hij een deugdelijke dakopbouw heeft gerealiseerd en dat er een aantal kleine opleveringspunten is dat nog moet worden uitgevoerd. Op 22 november 2019 ontbraken nog twee verkeerd geleverde kozijnen, was het dak inderdaad lek en zou het worden hersteld en waren er nog geen radiatoren. De verplichting om die (herstel)werkzaamheden uit te voeren heeft hij (in zijn visie) op 27 november 2019 terecht opgeschort, omdat hij eerst betaling van [naam persoon A] c.s. verlangde van de factuur van € 14.247,93.

Ter zake de verschillende gestelde gebreken voert [persoon D] het volgende aan:

1. Het verwerken van staal in de constructie was niet noodzakelijk om een deugdelijke dakopbouw te realiseren;

2. Er zijn geen rekengegevens van de vloer beschikbaar dus er is niet doorberekend of het verwerken van staal in de vloer noodzakelijk was voor de veiligheid;

3. De dakopbouw is conform de offerte uitgevoerd;

4. Het veiligheidshek op het dakterras was wel geplaatst/het balkonhek moet nog worden geleverd;

5. Op 22 november 2019 was inderdaad sprake van een daklekkage, maar deze zou worden hersteld. De isolatie van het dak moet ook worden hersteld, dat is niet goed geplakt. Verder is de dakconstructie conform de offerte gerealiseerd. [persoon D] betoogt dat hij er zelf voor heeft gekozen om geen dampdichte folie toe te passen vanwege het risico op schimmelvorming en dat hij op dit onderdeel van het werk tien (10) jaren garantie geeft.

[persoon D] betwist verder dat de dakopbouw dusdanig gebrekkig is dat deze opnieuw gerealiseerd dient te worden en betwist uitdrukkelijk de hoogte van de herstelkosten van € 57.900,00. In dat kader voert [persoon D] aan dat sloopwerk niet nodig is, de opbouwgevel en isolatie in de wanden niet hoeven te worden vervangen, het lood niet hoeft te worden aangebracht omdat dat voldoende is opgeplakt, het metselwerk goed is aangebracht, en de elektra in orde is.

4.12.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [persoon D] de door [naam persoon A] c.s. uitgewerkte gebreken niet voldoende weersproken. [naam persoon A] c.s. heeft de voormelde gebreken onderbouwd met verwijzing naar de expertiserapporten als genoemd onder 2.8, 2.9 en 2.10. [persoon D] heeft weliswaar argumenten ingebracht tegen de gestelde gebreken, maar heeft zijn betwisting niet verder uitgewerkt of met een onderzoeksrapport onderbouwd.
Ten aanzien van het verwerken van staal in de constructie en in de vloer (punten 1 en 2) is in het voorgaande al aangenomen dat [persoon D] dit conform de vergunningsvoorwaarden had moeten realiseren maar heeft nagelaten. Zijn verweer dat het verwerken van staal vanuit veiligheidsperspectief niet nodig was, wordt – gelet op de conclusies uit de rapporten dat het verwerken van staal noodzakelijk is en het feit dat [naam persoon A] c.s. de woning op advies van de deskundige van [persoon D] hebben laten onderstempelen – als onvoldoende onderbouwd verworpen. Zijn verweer dat de vergunningsvoorwaarden niet relevant zijn voor de deugdelijkheid van de gerealiseerde dakopbouw doet er niet aan af dat hij gehouden was om deze voorwaarden na te leven en hierin is tekortgeschoten.
Ten aanzien van punt 3 heeft [persoon D] enkel het standpunt ingenomen dat de dakconstructie conform zijn offerte is uitgevoerd. Daarmee heeft hij de stellingen van [naam persoon A] c.s. niet voldoende weersproken.

Ten aanzien van punt 4 begrijpt de rechtbank dat er kennelijk een verschil bestaat tussen het veiligheidshek en het balkonhek maar dat [persoon D] erkent dat het balkonhek nog niet is geplaatst.

Ten aanzien van punt 5 heeft [persoon D] het gebrek in zoverre erkend dat op 22 november 2019 sprake was van een lekkage en dat de isolatie moet worden hersteld. Voor zover [persoon D] met zijn standpunt dat de dakconstructie verder conform offerte is bedoelt dat het dak voor het overige geen gebreken bevat, is dit standpunt in het licht van de door [naam persoon A] c.s. geschetste ernst en gevolgen van de gebreken aan het dak onvoldoende onderbouwd.

[persoon D] heeft het gestelde gebrek onder punt 6 niet betwist.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank vaststelt dat de door [persoon D] gerealiseerde dakopbouw op de onder 4.9 genoemde punten, met uitzondering van het veiligheidshek maar met inbegrip van het ontbrekende balkonhek, niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen.

4.13.

De voormelde gebreken rechtvaardigen de partiële ontbinding door [naam persoon A] c.s.. Aan de eisen daarvoor is voldaan nu sprake is van een tekortkoming aan de zijde van [persoon D] en [naam persoon A] c.s. hem, alvorens tot partiële ontbinding over te gaan, in gelegenheid hebben gesteld om tot herstel over te gaan. Het standpunt van [persoon D] dat het slechts om kleine opleveringspunten gaat slaagt niet omdat op basis van de rapporten in ieder geval kan worden vastgesteld dat de gebreken van dusdanige aard zijn dat behoorlijke aanpassingen in het werk nodig zijn en dat [naam persoon A] c.s. de woning hebben moeten laten onderstempelen. De rechtbank zal aldus voor recht verklaren dat de tussen [naam persoon A] c.s. en [persoon D] gesloten aannemingsovereenkomst op 6 december 2019 terecht gedeeltelijk, namelijk voor het deel in de nakoming waarvan [persoon D] is tekortgeschoten, is ontbonden.

4.14.

Uit het oordeel over ernst en aantal van de gebreken volgt dat [persoon D] jegens [naam persoon A] c.s. geen aanspraak kon maken op (verdere) betalingen en dus zijn (herstel)werkzaamheden ten onrechte heeft opgeschort omdat hij eerst betaling verlangde van [naam persoon A] c.s. van de factuur groot € 14.247,93.

4.15.

[naam persoon A] c.s. vorderen vergoeding van hun schade, waaronder herstelkosten begroot op € 57.900,-. Naar de rechtbank [naam persoon A] c.s. begrijpt gaat deze offerte uit van de veronderstelling dat de dakopbouw geheel moet worden afgebroken, en menen [naam persoon A] c.s. dat pogingen om onderdelen daarvan te behouden niet per definitie voordeliger is.

[persoon D] betwist dat de gebreken aan de dakopbouw dusdanig zijn dat de gehele dakopbouw moet worden vervangen.

De rechtbank overweegt als volgt. De overgelegde herstelofferte specificeert niet welke concrete herstelwerkzaamheden aan de geoffreerde prijs van € 57.900,- ten grondslag liggen. De experts concluderen in hun rapporten (onder 2.8, 2.9 en 2.10) dat het nodige aan herstel moet plaatsvinden en dat het grootste gedeelte van de dakopbouw zal moeten worden afgebroken. Dat de dakopbouw in zijn geheel moet worden vervangen rapporteren zij niet, en zij concretiseren ook niet welke herstelwerkzaamheden in hun visie nodig zijn.

Bij deze stand van zaken is er enige onzekerheid omtrent de omvang van de schade die [naam persoon A] c.s. lijden als gevolg van het wanpresteren van [persoon D] .

4.16.

De rechtbank zal deze onzekerheid echter voor lief nemen en de schade schattenderwijs begroten. Voor het schatten van de schade ziet de rechtbank ook aanleiding omdat zij dit voor partijen de beste oplossing acht.

Als alternatief kan de rechtbank een deskundige benoemen om op die manier meer informatie over de noodzaak, wijze en kosten van herstel te verkrijgen. De rechtbank kan zich echter, nu [naam persoon A] c.s. al geruime tijd leven in een onderstempelde woning in verbouwing met lekkages en andere gebreken, en [persoon D] heeft verklaard dat zijn onderneming in zwaar weer zal komen te verkeren als de vordering wordt toegewezen, niet voorstellen dat partijen per saldo beter zijn geholpen met verder deskundigenonderzoek dat nog meer tijd, energie en kosten zal vergen.

4.17.

Een belangrijk cijfermatig aanknopingspunt voor het schattenderwijs begroten van de schade is de overgelegde herstelofferte. De rechtbank ziet in de standpunten en stukken over en weer geen aanwijzingen om bij voorbaat aan de redelijkheid daarvan te twijfelen. De rechtbank gaat ervan uit dat de geoffreerde prijs is gedaan met inachtneming van de geconstateerde gebreken, de door de aanbieder bouwkundig meest passend en economisch voordelig geachte herstelmethode, en een inschatting van hetgeen van de bestaande opbouw zal kunnen worden gehandhaafd, hergebruikt of voor een restwaarde verkocht. De rechtbank gaat er overigens van uit dat ook indien onderdelen mogelijk nog bruikbaar zijn, herstel van zo substantiële gebreken als hier aan de orde (kosten)efficiënter kan verlopen indien bij dit herstel van voren af aan wordt begonnen, en dat dit mogelijk de voorkeur heeft van een herstelaannemer ook omdat hij dan beter voor het eindresultaat kan instaan. In de stukken ontbreken aanwijzingen dat en hoe het nodige herstel voor een duidelijk betere prijs dan € 57.900,- kan worden gerealiseerd.

Hoewel denkbaar is dat op de overgelegde offerte, kort na het uitbrengen daarvan, door [naam persoon A] c.s. nog een korting had kunnen worden bedongen, acht de rechtbank die kans inmiddels tenietgegaan door tijdsverloop. Het is een feit van algemene bekendheid dat de bouwsector drukbezet is (en is geweest de laatste jaren) en dat de prijzen sinds offertedatum niet zijn gedaald.

De rechtbank begroot de te maken herstelkosten om deze redenen schattenderwijs op € 57.900,- en zal dit bedrag toewijzen.

Wettelijke rente; buitengerechtelijke kosten; expertisekosten; kosten onderstempelen woning

4.18.

[persoon D] is op 3 april 2020 door (de advocaat van) [naam persoon A] c.s. gesommeerd om de gebreken aan de dakopbouw uiterlijk op 1 mei 2020 te herstellen. [persoon D] heeft daaraan geen gehoor gegeven zodat hij door het verstrijken van voormelde termijn, met ingang van 2 mei 2020, in verzuim is geraakt. De wettelijke rente over € 57.900,00 wordt daarom toegewezen vanaf 2 mei 2020 tot de dag der algehele voldoening.

4.19.

De vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.354,00 zal worden toegewezen, nu aan de wettelijke vereisten voor de toewijzing daarvan is voldaan.

4.20.

De gevorderde expertisekosten van € 1.497,38 zijn niet door [persoon D] betwist en komen op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW voor vergoeding in aanmerking omdat het redelijke kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid betreffen.

4.21.

De kosten voor het onderstempelen van de woning komen ook voor vergoeding in aanmerking. De noodzaak hiertoe is de rechtbank, gelet op de ingebrachte deskundigenrapporten en gelet op hetgeen onder 4.12 is overwogen, voldoende gebleken. Het standpunt van [persoon D] dat er geen noodzaak bestond voor het onderstempelen van de woning nu hij in zijn visie een deugdelijke dakopbouw heeft gerealiseerd, faalt dan ook. Aan zijn standpunt dat de factuur van de kosten van het onderstempelen niet duidelijk is omdat daarin ook rekenwerk is begrepen, gaat de rechtbank voorbij nu [persoon D] dat standpunt niet verder heeft geconcretiseerd.

Proceskosten en nakosten

4.22.

[persoon D] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [naam persoon A] c.s. worden begroot op:

- dagvaarding € 110,67

- griffierecht € 937,00

- salaris advocaat € 2.228,00 (2,0 punten × tarief € 1.114,00)

Totaal € 3.275,67

4.23.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

in reconventie

4.24.

[persoon D] vordert betaling van het restant van de aanneemsom van € 17.289,24, bestaande uit de factuur van 25 november 2019 ad € 14.247,93 en de laatste termijn (5% van de aanneemsom) van € 3.041,31. Hieraan legt hij ten grondslag dat hij een deugdelijke dakopbouw heeft gerealiseerd, dat [naam persoon A] c.s. ten onrechte de aannemingsovereenkomst hebben ontbonden en dat hij altijd bereid is geweest om eventuele gebreken of onvolkomenheden te herstellen, mits [naam persoon A] c.s. de factuur van € 14.247,93 zouden betalen.

4.25.

[naam persoon A] c.s. betwisten dat zij nog betaling van € 17.289,24 zijn verschuldigd en stellen dat zij de betaling daarvan rechtsgeldig opgeschort, nu [persoon D] in hun visie een ondeugdelijke dakopbouw heeft gerealiseerd die geheel als verloren moet worden beschouwd en [persoon D] desgevraagd niet tot herstel is overgegaan.

4.26.

De rechtbank acht de vorderingen van [persoon D] gelet op het oordeel in conventie niet toewijsbaar. Als uitgangspunt geldt dat [naam persoon A] c.s. de aannemingsovereenkomst terecht partieel hebben ontbonden. [persoon D] kan daarom geen aanspraak maken op betaling van het restant van de aanneemsom. De vorderingen in reconventie zullen derhalve worden afgewezen, met veroordeling van [persoon D] in de proceskosten. De kosten aan de zijde van [naam persoon A] c.s., bestaande uit het salaris advocaat, worden begroot op € 563,00 (2,0 punten x 0,5 x tarief € 563; de punten zijn gehalveerd nu de vordering in reconventie voortvloeit uit de vorderingen in conventie).

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

verklaart voor recht dat de overeenkomst van aanneming van werk tussen [naam persoon A] c.s. en [persoon D] op 6 december 2019 partieel, voor het deel in de nakoming waarvan [persoon D] is tekortgeschoten, is ontbonden;

5.2.

veroordeelt [persoon D] om aan [naam persoon A] c.s. te betalen een bedrag van € 57.900,00, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het voormelde bedrag met ingang van 2 mei 2020 tot de dag van volledige betaling;

5.3.

veroordeelt [persoon D] om aan [naam persoon A] c.s. te betalen een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten van € 1.354,00;

5.4.

veroordeelt [persoon D] om aan [naam persoon A] c.s. te betalen een bedrag aan expertisekosten van € 1.497,38;

5.5.

veroordeelt [persoon D] om aan [naam persoon A] c.s. een bedrag van € 1.692,79 te betalen, te vermeerderen met de wekelijkse kosten van onderstempelen van € 42,00 vanaf week 45 van 2020 tot en met de dag waarop zodanig herstel heeft plaatsgevonden dat het onderstempelen van de woning van [naam persoon A] c.s. niet langer nodig is;

5.6.

veroordeelt [persoon D] in de proceskosten, aan de zijde van [naam persoon A] c.s. tot op heden begroot op € 3.275,67, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.7.

veroordeelt [persoon D] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening;

5.8.

verklaart dit vonnis in conventie uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

5.9.

wijst de vorderingen af;

5.10.

veroordeelt [persoon D] in de proceskosten, aan de zijde van [naam persoon A] c.s. tot op heden begroot op € 563,00;

5.11.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. J.F. Koekebakker, rolrechter, op 31 maart 2021.

[3266/1885]