Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:2910

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31-03-2021
Datum publicatie
02-04-2021
Zaaknummer
C/10/560493 / HA ZA 18-980
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Non-conformiteit woning; betonrot in vloer (Kwaaitaal); deskundigenbericht; begroting schade.

Eindvonnis na tussenvonnis (ECLI:NL:RBROT:2020:1784).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/560493 / HA ZA 18-980

Vonnis van 31 maart 2021

in de zaak van

1. [eiser 1 in conventie/verweerder 1 in reconventie] ,

2. [eiser 2 in conventie/verweerder 2 in reconventie],

wonende te [plaats] ,

eisers in conventie,

verweerders in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. S.T.P. Bijlsma te Amsterdam,

tegen

[gedaagde in conventie/eiser 3 in reconventie] ,

wonende te Schiedam,

gedaagde in conventie,

eiser in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. J.H. Hommel te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser 1 in conventie/verweerder 1 in reconventie] c.s. en [gedaagde in conventie/eiser 3 in reconventie] genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 26 februari 2020 en de daarin genoemde processtukken;

  • -

    het deskundigenbericht van 17 juli 2020;

  • -

    de conclusie na deskundigenbericht van [eiser 1 in conventie/verweerder 1 in reconventie] c.s.;

  • -

    de antwoordconclusie na deskundigenbericht van [gedaagde in conventie/eiser 3 in reconventie] .

1.2.

Op 20 januari 2021 heeft de rechtbank partijen geïnformeerd dat dit vonnis gewezen zal worden door een andere rechter dan de rechter die de eerdere tussenvonnissen heeft gewezen. Op dit bericht hebben partijen niet gereageerd.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

in conventie

2.1.

Deze zaak gaat over de gevolgen van vermeende gebreken aan de door [eiser 1] c.s. van [gedaagde] gekochte dijkwoning (bouwjaar 1975). Met betrekking tot de eventuele gebrekkige muur en de verzakking heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 18 september 2019 beslist dat [gedaagde] niet aansprakelijk is. Voor wat betreft de gestelde gebreken aan de Kwaaitaal-vloer vanwege betonrot heeft de rechtbank geoordeeld dat [gedaagde] is tekort geschoten in de nakoming van zijn verbintenis en om die reden aansprakelijk is voor de schade die [eiser 1] c.s. lijden. Met het oog op de begroting van de schade heeft de rechtbank een deskundige benoemd.

2.2.

De deskundige heeft twee mogelijkheden voor herstel van de aangetaste vloer geschetst.

- De eerste mogelijkheid behelst volledige vervanging van de Kwaaitaal-vloerdelen. De hiermee gepaard gaande kosten begroot de deskundige op € 38.000, te vermeerderen met (een stelpost van) € 12.000 voor bijkomende werkzaamheden, zoals aan- en afkoppelen van nutsvoorzieningen en verwijderen en opbouwen van de keuken, en (een stelpost van) € 4.000 voor het monteren van metal stud scheidingswanden. De deskundige heeft in zijn begroting geen rekening gehouden met het slopen en vervangen van constructieve wanden, opslag van de inboedel en tijdelijke huisvesting elders.

- De tweede mogelijkheid behelst herstel van de huidige aangetaste vloer door het aanbrengen van “opspanliggers” onder de Kwaaitaal-vloerdelen. Deze werkzaamheden vinden plaats aan de onderzijde van de huidige vloer en kunnen dus vanuit de kruipruimte worden uitgevoerd. De deskundige begroot de hiermee gepaard gaande kosten op € 20.000.

2.3.

Uit het rapport van de deskundige wordt duidelijk dat hij beide mogelijkheden beschouwt als verantwoord om een vloer “van woningkwaliteit” te realiseren. Desgevraagd door [eiser 1] c.s. heeft de deskundige te kennen gegeven dat de tweede door hem genoemde optie “de beste oplossing” is. De deskundige voegt daaraan toe:

“Reden hiervoor is dat middels deze methode de zogenoemde "nevenschade" relatief beperkt blijft (ten opzichte van methode 1) en de overlast gedurende de werkzaamheden minimaal is.”

2.4.

Gelet op de inhoud van het deskundigenbericht zal de rechtbank de door [gedaagde] te vergoeden schade begroten op basis van de tweede door de deskundige genoemde herstelmogelijkheid. De rechtbank volgt [eiser 1] c.s. dus niet in hun betoog dat alleen de eerste optie reëel is. In dat verband overweegt de rechtbank het volgende.

2.5.

Het gaat er bij de begroting van de schade om dat [eiser 1] c.s. worden gebracht in de situatie waarin zij zouden hebben verkeerd als [gedaagde] niet zou zijn tekort geschoten. Die tekortkoming behelst de verkoop van een woning met een vloer die – vanwege de aantasting met betonrot – niet geschikt is voor een normaal gebruik als woning. Waar die ongeschiktheid op verantwoorde wijze kan worden weggenomen door het aanbrengen van bepaalde voorzieningen (hier: “opspanliggers”), worden [eiser 1] c.s. alsnog in de situatie gebracht waarin zij zouden hebben verkeerd als [gedaagde] een woning met een voor normaal gebruik geschikte vloer zou hebben verkocht. Dit zou anders zijn als de hier bedoelde herstelmethode slechts als provisorisch zou kunnen worden beschouwd. Dat is echter niet het geval. Volgens de deskundige wordt op deze herstelmethode doorgaans een garantie van twintig jaar gegeven. In dat verband is van belang dat de woning op het moment van de koop al ruim veertig jaar oud was en dat een betonvloer zonder gebreken een theoretische levensduur van vijftig jaar zou hebben gehad. Van slechts een provisorische oplossing kan in die situatie niet worden gesproken, ook niet als rekening gehouden zou worden met een levensduur van de vloer die in de praktijk aanzienlijk langer is dan vijftig jaar.

2.6.

[eiser 1] c.s. hebben erop gewezen dat volgens de door henzelf ingeschakelde deskundige volledige vervanging van de betonvloer de enige optie is. De door de rechtbank benoemde deskundige is een andere mening toegedaan. Uit zijn antwoord op de hem in dat verband gestelde vraag blijkt dat hij zich daarbij heeft gebaseerd op zijn eigen expertise en op de opvatting van kennelijk door hem geraadpleegde specialisten. Aan deze opvatting van de onafhankelijke deskundige komt naar het oordeel van de rechtbank groter gewicht toe dan aan de opvatting van de aan [eiser 1] c.s. gelieerde deskundige. Daarbij tekent de rechtbank overigens aan dat zij in het rapport van de desbetreffende partijdeskundige geen toelichting op zijn opvatting heeft gelezen.

2.7.

[eiser 1] c.s. hebben ook aangevoerd dat in de woning, vanwege de voortgaande verzakking, sowieso nog omvangrijke en kostbare werkzaamheden moeten worden uitgevoerd. Om die reden, zo menen [eiser 1] c.s., kan het voorkomen van “nevenschade” en “overlast” geen reden zijn om niet te kiezen voor de eerste optie (volledige vervanging van de vloer). [eiser 1] c.s. zien met deze opvatting over het hoofd dat [gedaagde] niet aansprakelijk is voor eventuele kosten die het gevolg zijn van het tegengaan van (verdere) verzakking of herstel van scheefstand. [eiser 1] c.s. kunnen er uiteraard voor kiezen dergelijke werkzaamheden te laten uitvoeren, maar de gevolgen daarvan komen niet voor rekening van [gedaagde] . Alleen daarom al gaat het betoog van [eiser 1] c.s. niet op.

2.8.

Omdat de schade zal worden begroot op basis van de door de deskundige bedoelde tweede optie en dus niet op basis van vervanging van de gehele vloer, bestaat geen grond om bij de begroting een aftrek voor nieuw voor oud toe te passen.

2.9.

De rechtbank zal de schadevergoeding conform het rapport van de deskundige begroten op € 20.000. Tot betaling van dat bedrag zal [gedaagde] worden veroordeeld. Naast deze veroordeling valt niet in te zien dat [eiser 1] c.s. nog voldoende belang hebben bij een verklaring voor recht dat [gedaagde] is tekort geschoten. De daartoe strekkende vordering zal daarom worden afgewezen.

2.10.

[eiser 1] c.s. vorderen voorts veroordeling van [gedaagde] tot vergoeding van de kosten van de door [eiser 1] c.s. ingeschakelde deskundige (€ 890,87). Het gaat hier om redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub b BW en de vordering, die overigens ook niet is betwist, is daarom toewijsbaar.

2.11.

[eiser 1] c.s. vorderen veroordeling van [gedaagde] tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. [eiser 1] c.s. hebben gesteld en onderbouwd met stukken dat zij dergelijke kosten hebben gemaakt. Onjuist is dus het verweer bij antwoord dat “iedere vorm van onderbouwing” ontbreekt. [gedaagde] is daarom gehouden een vergoeding voor deze kosten te betalen. De omvang van die vergoeding zal worden bepaald aan de hand van het bedrag aan hoofdsom dat toewijsbaar is. Dat leidt tot een toewijsbaar bedrag van € 975.

2.12.

De wettelijke rente over de hiervoor genoemde posten is als gevorderd toewijsbaar vanaf de dag van de dagvaarding.

2.13.

[gedaagde] moet worden beschouwd als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij. Daarom zal hij worden veroordeeld in de proceskosten van [eiser 1] c.s. Deze worden begroot op € 895 aan griffierecht, € 98,01 aan explootkosten, € 904,70 aan beslagkosten (zoals gevorderd) en € 1.689 (tarief II, 3 punten) aan advocaatsalaris. De wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten zijn toewijsbaar zoals in het dictum omschreven.

in reconventie

2.14.

De reconventionele vordering is ingesteld onder de voorwaarde dat de vorderingen in conventie worden afgewezen. Voor dat geval vordert [eiser 3] opheffing van de door [verweerder 1] c.s. gelegde beslagen en schadevergoeding wegens onrechtmatig beslag. Aan genoemde voorwaarde is niet voldaan. Omdat de conclusie van antwoord in reconventie voor het grootste deel betrekking heeft op het geschil in conventie, ziet de rechtbank geen aanleiding om een afzonderlijke beslissing over de proceskosten in reconventie te nemen.

3. De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser 1] c.s. van € 21.865,87, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van

8 oktober 2018 tot aan de dag van voldoening;

3.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van [eiser 1] c.s., tot op heden begroot op € 3.586,71, vermeerderd met de nakosten van € 157 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82 aan salaris advocaat, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de 15e dag na datum van dit vonnis tot aan de dag van voldoening;

3.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie

3.5.

verstaat dat de voorwaarde waaronder de vordering is ingesteld niet in vervulling is gegaan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling. Het is ondertekend door mr. J.F. Koekebakker, rolrechter, en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2021.

1980/2457