Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:2883

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-03-2021
Datum publicatie
01-04-2021
Zaaknummer
10/732020-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van toebrengen zwaar lichamelijk letsel door slaan met paraplu.

Verwerping beroep op noodweer(exces)

Beoordeling vord BP nadat (eerder) voor een deel van de vordering gebruik is gemaakt van bevoegdheid artikel 333 Sv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0302
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/732020-19

Datum uitspraak: 30 maart 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte],

raadsman mr. G.R. Stolk, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 16 maart 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Kort gezegd komt het verwijt aan de verdachte er op neer dat hij de aangever [naam aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door met een paraplu tegen het hoofd te slaan (feit 1) en de aangever te mishandelen door hem met een paraplu en tennisracket te slaan op zijn handen, armen en schouders (feit 2).

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. B.M. van Heemst heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 primair en het onder 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden.

4. Bewijsbeslissing

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

De verdachte moet worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde. Er is onvoldoende bewijs dat de verdachte met de paraplu op het hoofd van de aangever heeft geslagen. De verklaring van de aangever kan niet voor het bewijs worden gebruikt, omdat hij in eerste instantie heeft verklaard niet meer te weten wat er op 24 oktober 2018 is gebeurd, en een jaar later ineens een gedetailleerde verklaring over de mishandeling door de verdachte heeft afgelegd. Voor zover er al kan worden vastgesteld dat de verdachte met een paraplu op het hoofd van de aangever heeft geslagen, geldt dat dit een kinderparaplu is. Dat is een absoluut ondeugdelijk middel om het letsel te veroorzaken dat bij de aangever is geconstateerd. Er is geen causaal verband tussen het letsel van de aangever en het handelen van de verdachte. Er kan op basis van de medische stukken niet worden uitgesloten dat het letsel een andere oorzaak heeft. Ten slotte is er onvoldoende bewijs dat de verdachte de aangever met een tennisracket heeft geslagen. Dit blijkt enkel uit de verklaring van verdachte en die verklaring vindt geen steun in andere bewijsmiddelen.

4.1.2.

Beoordeling

De aangever en de verdachte kregen ruzie toen de aangever in de avond van 24 oktober 2018 een zebrapad overstak op de Fransenlaan in Rotterdam, op het moment dat de verdachte met zijn vriendin kwam aanrijden met een auto. Wat daarna is gebeurd, is niet duidelijk geworden. Vast staat dat de verdachte met zijn auto is gestopt, dat hij is uitgestapt en dat er een handgemeen is ontstaan tussen de aangever en de verdachte. De verdachte heeft bij dat handgemeen eerst een tennisracket in een hoes en daarna een kinderparaplu gebruikt, die hij uit de achterbak van de auto heeft gehaald.

4.1.2.1. Feit 1

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat bewezen is dat de verdachte het slachtoffer met de punt van de (kinder)paraplu tegen het hoofd heeft geslagen, dat aangever daardoor zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen en dat de verdachte dat opzettelijk heeft gedaan.

Ter zitting heeft de rechtbank beelden van de gebeurtenis op 24 oktober 2018 bekeken die door een buurtbewoner zijn gemaakt. Deze beelden zijn beschreven door een verbalisant, die noteert dat hij waarneemt dat de verdachte de aangever met een paraplu tegen het hoofd slaat. De rechtbank heeft waargenomen dat de verdachte de aangever met stekende bewegingen met de paraplu te lijf gaat. Een van de steken gaat kennelijk met grote kracht en snelheid in een beweging van boven naar beneden, gericht op het hoofd van aangever, al raakt de verdachte de aangever op dat moment niet. Op de beelden is ook te zien dat de paraplu op enig moment op de grond valt en een gebogen punt heeft. In het dossier is een foto opgenomen van de aangever met een kleine verwonding op zijkant van zijn hoofd, ter hoogte van zijn slaap (p. 12). Al deze feiten passen bij de lezing dat de verdachte de aangever met een stekende beweging met de punt van de paraplu tegen het hoofd heeft geslagen waardoor deze het in de medische verklaring beschreven zwaar lichamelijke letsel heeft opgelopen. Anders dan de raadsman heeft gesteld, is er geen enkele andere redelijke verklaring voor het letsel dat de verdachte heeft opgelopen, dan de klap van de verdachte met de punt van de paraplu.

Uit de verklaring van de verdachte ter zitting leidt de rechtbank af dat hij heeft ontkend dat hij opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De gedragingen van de verdachte zijn echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm, met name de kennelijke kracht en snelheid waarmee de verdachte met de punt van de paraplu vooruit in de richting van het hoofd van de aangever heeft geslagen en gestoken, zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg ook willens en wetens heeft aanvaard en dat zijn opzet in voorwaardelijke zin daarop gericht is geweest. Anders dan de raadsman, is de rechtbank derhalve van oordeel dat het primaire feit is bewezen, te weten zware mishandeling.

De rechtbank acht feit 1 primair bewezen.

4.1.2.2. Feit 2

De rechtbank leest de tenlastelegging zo dat feit 1 ziet op het (stekend) slaan met de paraplu tegen het hoofd, waardoor het zwaar lichamelijk letsel bij de aangever teweeg is gebracht, terwijl het bij feit 2 gaat om “gewoon” slaan met de paraplu en een tennisracket in een hoes tegen de handen, armen en schouders van de aangever. Er is bewijsmateriaal dat de verdachte heeft geslagen met een tennisracket in een hoes en met de paraplu tegen andere lichaamsdelen dan het hoofd van de aangever. Er is echter geen bewijsmateriaal dat dit slaan pijn of letsel heeft opgeleverd of dat de aangever daardoor anderszins is mishandeld. Aangever heeft hierover zelf niet verklaard. Het is evenmin een feit van algemene bekendheid dat slaan met een paraplu of met een tennisracket in een hoes onder alle omstandigheden pijn of letsel oplevert.

De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van feit 2.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 24 oktober 2018 te Rotterdam

aan [naam slachtoffer]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten

- een bloeding tussen het spinnenwebvlies en het zachte hersenvlies, en

- meerdere kneuzingen van de hersenen, en

- meerdere breuken van het linker wandbeen,

heeft toegebracht door met kracht met een

paraplu tegen het hoofd

van die [naam slachtoffer] te slaan.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

Feit 1 (primair):

Zware mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

6.1.

Beroep op noodweer

De raadsman van de verdachte heeft een beroep gedaan op noodweer als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat de aangever de verdachte heeft aangevallen en hem met zijn vuist tegen het hoofd heeft geslagen. Van de verdachte kon niet worden gevergd dat hij zou vluchten. Hij mocht zich verdedigen en heeft dat ook gedaan. Daarbij heeft hij een kinderparaplu gebruikt die in de kofferbak van de auto lag. Deze papaplu kan het letsel niet hebben veroorzaakt. Hij heeft de grenzen van de noodzakelijke verdediging niet overschreden.

6.2.

De feiten

Uit de camerabeelden van 24 oktober 2018 blijkt dat de aangever en de verdachte tegenover elkaar hebben gestaan. De aangever leek geagiteerd. Te zien is dat hij zich druk gebarend op de verdachte heeft gericht. Er is het geluid te horen van iemand die luid aan het schreeuwen is. Bij gebrek aan een andere redelijke verklaring, neemt de rechtbank aan dat dit de aangever is. De vriendin van de verdachte heeft verklaard dat de aangever heeft geroepen “Ik ben Irakees, ik vecht met mijn handen en ik maak iedereen dood”. De aangever komt inderdaad uit Irak en er is geen reden aan te nemen dat de vriendin van de verdachte dit toentertijd heeft geweten. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat aannemelijk is dat de aangever dit heeft geroepen.

Op de beelden is te zien dat de aangever en de verdachte dicht op elkaar staan en de verdachte tegen de zijkant van zijn auto staat, bij het portier aan de bestuurderszijde. Hij staat zijwaarts naar de aangever gekeerd en heeft de paraplu met twee handen horizontaal voor zijn borst, waarschijnlijk met de punt naar voren. Hij staat in een afwachtende houding. Op een zeker moment beweegt de aangever naar voren en maakt met zijn linkerarm een directe slaande beweging naar het hoofd van de verdachte. De verdachte heeft verklaard dat hij hard geraakt werd. Deze verklaring wordt ondersteund door de beelden waarop te zien is dat verdachtes hoofd achterover klapt. De rechtbank acht aannemelijk dat de aangever de verdachte hard tegen het hoofd heeft geslagen.

Daarop neemt de verdachte een houding aan waarbij hij enigszins door zijn benen zakt en met de paraplu stekende bewegingen maakt in de richting van de aangever. Tegelijkertijd beweegt hij naar voren. Met een armbeweging duwt hij een omstander opzij. De aangever zakt ook door zijn benen en houdt zijn armen in een zelfde dreigende houding voor zich. De aangever beweegt zich langzaam achteruit. De verdachte beweegt zich dan voren en haalt in een stekende beweging van boven naar beneden uit met de paraplu in de richting van de aangever. Deze weet de steek te ontwijken door achteruit te bewegen. De verdachte beweegt zich met de paraplu horizontaal voor zijn borst verder naar voren in de richting van de verdachte. Dan haalt de verdachte weer uit met de paraplu in een stekende beweging. Volgens het desbetreffende proces-verbaal van de politie raakt de verdachte de aangever. Daarop ontstaat een onoverzichtelijke situatie waarbij de aangever en de verdachte elkaar vast hebben en er over en weer wordt geslagen. Op een zeker moment valt de paraplu op de grond. Te zien is dat de punt is verbogen.

6.3.

Beoordeling

Volgens artikel 41, eerste lid, Sr is degene die zich verdedigt tegen een wederrechtelijke aanranding niet strafbaar als die verdediging noodzakelijk is, dat wil zeggen als hij geen andere mogelijkheid heeft dan zich te verdedigen (subsidiariteit) en de middelen die hij gebruikt in verhouding staan tot de ernst van de aanranding (proportionaliteit).

Hoewel de officier van justitie zich hierover niet heeft uitgelaten, is meer dan aannemelijk dat de aangever de agressor is wat betreft de gebeurtenis waarbij de aangever aan het hoofd gewond raakt. Zijn houding en taal is dreigend, hij valt de verdachte aan en slaat hem hard tegen het hoofd. Dit is een wederrechtelijke aanranding als bedoeld in artikel 41, eerste lid, Sr. Van de verdachte kon niet worden gevergd dat hij op dit moment zou wegrennen, alleen al omdat de aangever daarvoor te dicht op hem stond. De handelingen van de verdachte die direct op de aanval van de aangever volgen, zoals het naar voren gaan en het van boven naar beneden met een stekende beweging slaan met de paraplu in de richting van de aangever, zijn aan te merken als proportionele verdedigingshandelingen. Hij drijft de aangever daarmee van zich af. Maar daarmee had de verdachte kunnen en ook moeten volstaan. Hij had weer terug behoren te stappen in de afwachtende houding, die hij eerder blijkens de camerabeelden wel had aangenomen.

Als gezegd beweegt de aangever zich achteruit en de verdachte volgt hem. Op dat moment neemt de verdachte naar het oordeel van de rechtbank de aanval over. Hij stapt in en slaat de aangever met de paraplu tegen het hoofd. De verdachte is met andere woorden tot de tegenaanval overgegaan en heeft op dat moment de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden. Door met de paraplu met de punt naar voren te slaan tegen het hoofd van de aangever, heeft hij het geweld dat hij mocht gebruiken ter verdediging te ver doorgevoerd en hij heeft een te gewelddadig middel gebruikt tegen de aangever die geen wapen heeft. Met andere woorden: er is niet voldaan aan de proportionaliteitseis. Daardoor komt de verdachte wat betreft de bewezen zware mishandeling geen beroep toe op noodweer in de zin van artikel 41, eerste lid, Sr.

De rechtbank is, als gezegd, van oordeel dat de verdachte na de eerste slaande beweging met de paraplu had behoren af te wachten wat het resultaat was van zijn verdediging. Maar kon dat ook van hem worden gevergd? De rechtbank heeft ambtshalve de vraag onder ogen gezien of er sprake is geweest van noodweerexces in de zin van artikel 41, tweede lid, Sr.

Er is sprake van noodweerexces als bij de verdachte sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging, als angst, boosheid of paniek. Die hevige gemoedsbeweging moet zijn veroorzaakt door de aanval van de aangever en moet vervolgens de oorzaak zijn van de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging.

De verdachte heeft niet verklaard dat hij bang was of boos of in paniek. De raadsman heeft wat dit betreft geen verweer gevoerd. De verdachte heeft op de zitting eigener beweging wel verklaard dat hij betreurt wat er is gebeurd. Wat hem betreft ging het gewoon om “een potje vechten” en dan drink je daarna een biertje met elkaar “en klaar”. Dit leidt tot het oordeel dat, hoewel aannemelijk is dat de klap van de aangever bij de verdachte in elk geval een zekere boosheid heeft veroorzaakt, niet aannemelijk is geworden dat de klap een zodanige hevige boosheid of andere gemoedsbeweging heeft veroorzaakt dat daardoor de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging kan worden verontschuldigd. Van noodweerexces was dus geen sprake.

6.4.

Conclusie

De verdachte is strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zware mishandeling.

Met een verkeersruzie als aanleiding heeft de verdachte tijdens een uit de hand gelopen handgemeen het slachtoffer met een paraplu op het hoofd geslagen. Het slachtoffer heeft daardoor een hersenbloeding, meerdere kneuzingen van de hersenen en meerdere breuken van het wandbeen van het hoofd opgelopen. Het slachtoffer wordt, zo blijkt uit het dossier en uit de ter terechtzitting voorgedragen schriftelijke slachtofferverklaring, nog dagelijks geconfronteerd met de verstrekkende en schrijnende psychische en fysieke gevolgen van deze mishandeling. Hij is nauwelijks in staat zich schriftelijk en verbaal goed uit te drukken, zijn relatie is beëindigd en het slachtoffer is voor de meest primaire levensbehoeften aangewezen op de hulp van zijn familie.

De verdachte heeft door zijn handelen ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

8 februari 2021, waaruit blijkt dat de verdachte recentelijk niet is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gezien de ernst van het feit kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank zal echter afzien van het opleggen van een gevangenisstraf.

De rechtbank vindt daarbij allereerst de context van de gebeurtenissen en de toedracht van de mishandeling zelf van belang. Als gezegd heeft de aangever, hoewel daarmee niet is gezegd dat hij het ontstaan van het letsel over zichzelf heeft afgeroepen, zich geenszins onbetuigd gelaten.

De rechtbank houdt er verder rekening mee dat de verdachte niet recent voor geweldsdelicten is veroordeeld. Ook houdt de rechtbank rekening met het tijdsverloop in de zaak en met de gevolgen voor de verdachte van de hierna te nemen beslissingen over de vordering van de benadeelde partij.

Gelet op de vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde en de hiervoor genoemde omstandigheden, legt de rechtbank aan de verdachte niet alleen een lagere, maar ook een andersoortige straf op dan door de officier van justitie is gevorderd.

De rechtbank zal aan de verdachte een taakstaf van na te noemen duur opleggen.

8. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [naam benadeelde] ter zake van de ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij vordert aan materiële schade primair een vergoeding van € 529.597,- en subsidiair een vergoeding van € 201.763,-.

De gevorderde vergoeding aan materiële schade bestaat uit verlies van arbeidsvermogen, pensioenschade en verlies zelfwerkzaamheid, primair tot een totaal van € 513.578,- en subsidiair tot een totaal van € 185.745,-.

Voorts wordt vergoeding van materiële schade verzocht tot een (totaal)bedrag van
€ 17.696,24, bestaande uit:

Kosten eigen risico € 1.500,-

Kleding en schoenen: € 250,-

Reiskosten (totaal): € 1.677,52

Kosten verhuizing (totaal): € 10.644,22

Kosten expertise (totaal): € 2.420,-

Kosten advocaat procedures tgv feit (totaal): € 1.204,50

De benadeelde partij vordert daarnaast een vergoeding van € 275.000,- aan immateriële schade.

De eerder genomen beslissing ex art. 333 Sv

Na aanvang van het onderzoek op de terechtzitting heeft de rechtbank met betrekking tot de gevorderde materiële schade wegens verlies van arbeidsvermogen, pensioenschade en verlies van zelfwerkzaamheid (primair € 513.578,-, subsidiair € 185.745,-) gebruik gemaakt van de haar op grond van artikel 333 van het Wetboek van Strafvordering toekomende bevoegdheid om zonder nader onderzoek van de zaak de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij uit te spreken. De rechtbank heeft geoordeeld dat de benadeelde partij ter zake van dit deel van de vordering kennelijk niet-ontvankelijk is in de vordering.

Dit betekent dat aan de rechtbank thans nog ter beoordeling het resterende en hier na te bespreken deel van de vordering van de benadeelde partij voorligt, bestaande uit een deel van de gevorderde materiële schade en uit de gevorderde immateriële schade.

Beoordeling van de resterende materiële schade

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van het thans nog resterende deel van de vordering.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft de gevorderde vergoeding van materiële schade in al zijn onderdelen betwist. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij complexe materie betreft, dat er geen causaal verband bestaat tussen het handelen van de verdachte en de opgevoerde schadeposten en, voor zover de verdachte al iets zou moeten betalen, er rekening moet worden gehouden met eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partij als bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek.

8.3.

Beoordeling

De rechtbank beoordeelt de resterende gevorderde vergoeding van schade aan materiële kosten onderscheidenlijk als volgt.

De gevorderde kosten van het eigen risico en reiskosten

De benadeelde partij heeft gesteld en met stukken onderbouwd dat hij over de jaren 2018 tot en met 2021 een totaalbedrag van € 1.500,- aan eigen risico kwijt is en dat hij (in totaal)
€ 1.677,52 aan reiskosten heeft gemaakt. Deze bedragen zijn door de verdediging onvoldoende gemotiveerd betwist. De rechtbank stelt dan ook vast dat deze materiële schade door het bewezen verklaarde strafbare feit aan de benadeelde partij is toegebracht en zal deze bedragen toewijzen.

De kosten in verband met verhuizing en advocaatkosten

De benadeelde partij zal in de gevorderde vergoeding van schade wegens kosten in verband met de verhuizing niet-ontvankelijk worden verklaard, nu niet is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het bewezen verklaarde feit.

Ook in de gevorderde vergoeding van schade wegens kosten voor een advocaat zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren. Uit de onderliggende facturen blijkt dat die kosten betrekking hebben op bijstand in een procedure ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering en in een klachtprocedure tegen de politie. Daarmee kan niet worden vastgesteld dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het bewezen verklaarde feit.

De kleding en schoenen

De rechtbank acht aannemelijk dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks (materiële) schade aan kleding en schoenen is toegebracht. De rechtbank schat deze schade op een bedrag van € 250,-.

De vordering ter zake deze schade zal dus tot een bedrag van € 250,- worden toegewezen.

De kosten voor expertise voor het uitbrengen van berekeningen en aanwezigheid van deskundigen terechtzitting

De benadeelde partij zal in de gevorderde vergoeding van schade ter zake deze kosten (ook) niet-ontvankelijk worden verklaard, nu deze kosten betrekking hebben op en zijn gemaakt in het kader van de gevorderde vergoeding van schade aan verlies arbeidsvermogen, pensioenschade en verlies zelfwerkzaamheid. Dit betreft schade waarvan de rechtbank eerder heeft geoordeeld dat de benadeelde partij daarin kennelijk niet-ontvankelijk is.

Wettelijke rente

De benadeelde partij heeft gevorderd de te vergoeden bedragen te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag aan materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf de datum van de vordering, zijnde 4 maart 2021.

Beoordeling van de immateriële schade

8.4

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vordering aan immateriële schade.

8.5

5 Standpunt verdediging

De verdediging heeft de vordering betwist. Volgens de verdediging is niet gebleken dat de benadeelde partij fysiek en geestelijk niet in staat is te werken en arbeidsongeschikt moet worden geacht, omdat de benadeelde partij in elk geval tot 4 maart 2021 nog werkzaam is geweest.

8.6

8.6 Beoordeling

Op basis van de stukken die door de benadeelde partij ter onderbouwing van de vordering zijn overgelegd kan worden vastgesteld dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks forse immateriële schade is toegebracht.

De rechtbank gaat daarbij uit van de schade die door de benadeelde partij is gesteld en begroot, maar ziet, gelet op het aandeel dat de benadeelde partij zelf heeft gehad tijdens het handgemeen met de verdachte, aanleiding om de vordering te matigen tot de helft van het gevorderde bedrag. De immateriële schade zal daarom worden vastgesteld op € 137.500,-, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen.

De benadeelde partij zal in het overig gevorderde niet-ontvankelijk worden verklaard.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag aan immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 24 oktober 2018.

8.7

Conclusie

Nu de vordering van de benadeelde partij (ten dele) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van (in totaal)
€ 140.927,52, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 . Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij, [naam benadeelde], te betalen een bedrag van € 140.927,52 (zegge: eenhonderd veertigduizend negenhonderdzevenentwintig euro en tweeënvijftig eurocent), bestaande uit € 3.427,52 aan materiële schade en € 137.500,= aan immateriële schade,
het bedrag van € 3.427,52 aan materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 4 maart 2021 tot aan de dag der algehele voldoening,

het bedrag van € 137.500,- aan immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 24 oktober 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam benadeelde] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde] te betalen
€ 140.927,52 (zegge: eenhonderd veertigduizend negenhonderdzevenentwintig euro en tweeënvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 oktober 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 140.927,52 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 365 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde] tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. L. Amperse, voorzitter,

en mrs. J.L.M. Boek en F.W.H. van den Emster, rechters,

in tegenwoordigheid van R. Meulendijk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 maart 2021.

De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 24 oktober 2018 te Rotterdam

aan [naam slachtoffer]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten

- een bloeding tussen het spinnenwebvlies en het zachte hersenvlies, en/of

- een of meerdere kneuzingen van de hersenen, en/of

- een of meerdere breuken van het linker wandbeen,

heeft toegebracht door meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met een

paraplu en/of een tennisracket, althans een hard voorwerp op/tegen het hoofd

van die [naam slachtoffer] te slaan;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 oktober 2018 te Rotterdam

[naam slachtoffer] heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal, (met

kracht) met een paraplu en/of een tennisracket, althans een hard voorwerp

op/tegen het hoofd van die [naam slachtoffer] te slaan,

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten

- een bloeding tussen het spinnenwebvlies en het zachte hersenvlies, en/of

- een of meerdere kneuzingen van de hersenen met een doorbraak van het bloed

naar de hersenkamers, en/of

- een of meerdere breuken van het linker wandbeen,

ten gevolge heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 24 oktober 2018 te Rotterdam

[naam slachtoffer] heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal (met

kracht) met een een paraplu en/of een tennisracket te slaan op/tegen de handen

en/of armen en/of schouders van die [naam slachtoffer].