Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:2869

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-03-2021
Datum publicatie
01-04-2021
Zaaknummer
C/10/597702 / HA ZA 20-548
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Stelselwijziging voor kraanmachinisten per 1 januari 2020 (van certificering naar registrering). DNV was tot 1 januari 2020 de certificerende instelling voor kraanmachinisten (artikel 7.32 (oud) van het Arbeidsomstandighedenbesluit). Sinds 1 januari 2020 is Stichting Toezicht Certificatie Verticaal Transport Register Administratie belast met het bijhouden van het register voor kraanmachinisten. Deze stichting maakt in deze procedure aanspraak op een deel van de vergoedingen die voor 1 januari 2020 door kraanmachinisten zijn betaald aan DNV. De vordering wordt afgewezen. Er is geen overgangsrecht of akte van contractsovername waarop deze vordering kan worden gebaseerd. Ook is DNV is niet ongerechtvaardigd verrijkt ten nadele van de stichting: de stichting heeft de kosten van de omzetting certificering naar registraties kennelijk niet verdisconteerd in haar tarieven en dat dient zij zichzelf aan te rekenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/597702 / HA ZA 20-548

Vonnis van 24 maart 2021

in de zaak van

de stichting

STICHTING TOEZICHT CERTIFICATIE VERTICAAL TRANSPORT REGISTER ADMINISTRATIE,

gevestigd te Ede,

eiseres,

advocaat mr. A.J. Stokkers te Ede (Gelderland),

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DNV GL BUSINESS ASSURANCE B.V.,

gevestigd te Barendrecht,

gedaagde,

advocaat mr. L. van der Leij te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Stichting Toezicht en DNV genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding, met producties;

  • -

    het verstekvonnis van 15 juli 2020, waarin Stichting Toezicht in de gelegenheid is gesteld om een gebrek in de dagvaarding te herstellen;

  • -

    het herstelexploot;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    de brieven van de rechtbank waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;

  • -

    de brief namens Stichting Toezicht van 4 februari 2021, met producties;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 18 februari 2021 en de door DNV overgelegde spreekaantekeningen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft DNV in 2002 aangewezen als certificerende instelling voor machinisten van torenkranen, mobiele kranen en funderingsmachines (hierna: 'kraanmachinisten') in de zin van artikel 7.32 (oud) van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

2.2.

De werkzaamheden van DNV als certificerende instelling bestonden uit:

  • -

    de examinering van kraanmachinisten en het controleren van diploma's, antecedenten en vaardigheden van de kraanmachinist;

  • -

    het verstrekken van certificaten aan kraanmachinisten die het examen met goed gevolg hadden afgelegd;

  • -

    het voor de geldigheidsduur van de certificaten (5 jaar) houden van toezicht op gecertificeerde kraanmachinisten;

  • -

    het afhandelen van klachten over gecertificeerde kraanmachinisten, daaronder begrepen het zo nodig het intrekken van het certificaat, het nemen van besluiten op bezwaar en het voeren van een bestuursrechtelijke procedure daarover.

2.3.

Voor de uitvoering van de certificeringswerkzaamheden schakelde DNV deels de

Stichting Toezicht Certificatie Verticaal Transport (hierna: Stichting Toezicht (oud)) in.

2.4.

De certificaten van DHV werden afgegeven voor de duur van vijf jaar. De kosten bedroegen (laatstelijk) € 165,- per certificaat. DNV factureerde dit aan de kraanmachinisten. Per certificaat betaalde DNV aan Stichting Toezicht (oud) een bedrag van € 25,- voor de door die stichting uitgevoerde werkzaamheden.

2.5.

Bij besluit van 28 november 2019 is het Arbeidsomstandighedenbesluit gewijzigd. De wijziging komt er op neer dat per 1 januari 2020 werd overgestapt van een systeem waarbij kraanmachinisten gecertificeerd moesten zijn naar een systeem waarin kraanmachinisten geregistreerd moeten zijn.

2.6.

In verband met deze omschakeling is de aanwijzing van DNV als certificerende instelling per 31 december 2019 beëindigd. De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft bij besluit van 28 november 2019 Stichting Toezicht met ingang van 1 januari 2020 aangewezen als uitvoerder van het beheer van het register kraanmachinisten (hierna: het Aanwijzingsbesluit).

2.7.

Het Aanwijzingsbesluit bevat de volgende overgangsregeling:

“Personen die beschikken over een geldig certificaat of getuigschrift dat is afgegeven krachtens het Arbeidsomstandighedenbesluit, zoals dat besluit luidde op de dag voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van de op dat certificaat of getuigschrift van toepassing zijnde onderdelen of subonderdelen van artikel I, kunnen voor de resterende geldigheidsduur van dat certificaat of getuigschrift worden ingeschreven in het van toepassing zijnde register, bedoeld in artikel 1.5j, eerste lid.”.

2.8.

Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: het ministerie) en Stichting Toezicht hebben een algemene overeenkomst gesloten met betrekking tot het beheer van het register kraanmachinisten (hierna: de algemene overeenkomst). Artikel 7 lid 4 van deze overeenkomst bepaalt:

“4. [Stichting Toezicht] dekt de kosten van haar werkzaamheden (…) via door aanvragers van een (her-) registratie te betalen vergoedingen.”.

2.9.

Stichting Toezicht vraagt geen vergoeding aan kraanmachinisten die een registratie aanvragen op basis van de overgangsregeling van het Aanwijzingsbesluit.

2.10.

Blijkens een memo van 26 januari 2011 van Stichting Toezicht waren haar inkomsten in 2020 € 475.482,- en haar uitgaven € 533.557,-. Blijkens datzelfde besluit is besloten om de afdracht per registratie per 1 januari 2021 te verhogen van € 161,16 naar € 195,-. Blijkens de memo is dat gedaan om over een periode van 5 jaar het negatieve saldo om te buigen in een beperkt positief saldo.

3. Het geschil

3.1.

Stichting Toezicht vordert – samengevat – dat de rechtbank, voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat Stichting Toezicht gerechtigd is tot het gedeelte van de door DNV aan de door haar gecertificeerde kraanmachinisten in rekening gebrachte vergoeding dat betrekking heeft op dan wel moet worden toegerekend aan de resterende geldigheidsduur van de verstrekte certificaten vanaf 1 januari 2020;

II. DNV veroordeelt tot betaling van het onder I bedoelde gedeelte van de vergoeding, zulks nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

III. DNV veroordeelt in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met rente.

3.2.

DNV voert verweer. Het verweer strekt tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van Stichting Toezicht bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met rente.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de stelselwijziging van 1 januari 2020 voor kraanmachinisten – van certificering naar registrering – met zich brengt dat DNV gehouden is de door haar voor de certificaten ontvangen vergoedingen te delen met Stichting Toezicht. Stichting Toezicht stelt dat dit het geval is. Zij betoogt dat de vergoedingen die DNV heeft ontvangen voor op 1 januari 2020 uitstaande certificaten, deels betrekking hebben op de periode na die datum. De certificaten hebben immers een looptijd van vijf jaar. Dat deel van de vergoedingen dient DNV aan haar af te dragen, aldus Stichting Toezicht. Zij beroept zich daarbij op de overgangsregeling van het Aanwijzingsbesluit, op contractsovername en op ongerechtvaardigde verrijking. DNV betwist dat Stichting Toezicht aanspraak kan maken op enig deel van de aan haar betaalde vergoedingen.

4.2.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4.3.

Het beroep van Stichting Toezicht op de onder 2.7 geciteerde overgangsregeling van het Aanwijzingsbesluit, slaagt niet. Anders dan Stichting Toezicht betoogt, volgt uit die bepaling niet dat rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de door DNV verstrekte certificaten van rechtswege zijn overgegaan op Stichting Toezicht. Er volgt uit die bepaling evenmin dat Stichting Toezicht aanspraak heeft op enige vergoeding van DNV. Uit die bepaling volgt alleen dat een kraanmachinist met een door DNV afgegeven certificaat aanspraak heeft op registratie in het door Stichting Toezicht bijgehouden register.

4.4.

Het betoog van Stichting Toezicht dat er sprake is van een contractsovername, slaagt evenmin. Een contractsovername vereist op grond van artikel 6:159 BW een akte tussen de overdragende partij en de overnemende partij en de medewerking van de wederpartij bij het betreffende contact. Een dergelijke akte ontbreekt. DNV is ook niet bereid om rechten en verplichtingen over te dragen (als Stichting Toezicht DNV als de overdragende partij ziet) of haar medewerking er aan te verlenen (als Stichting Toezicht de kraanmachinisten als de overdragende partijen ziet). Het betoog van Stichting Toezicht dat de vereiste akte van overdracht besloten ligt in de bestuursrechtelijke regeling kan de rechtbank juridisch niet duiden en zij gaat daaraan dan ook voorbij.

4.5.

Ten slotte slaagt ook het beroep van Stichting Toezicht op ongerechtvaardigde verrijking niet. Voor een aanspraak uit deze hoofde is vereist dat DNV is verrijkt als gevolg van een verarming van Stichting Toezicht en dat het onder de gegeven omstandigheden redelijk is dat DNV daarvoor een vergoeding betaalt. Aan deze eisen wordt niet voldaan. Stichting Toezicht heeft wel bepaalde kosten gemaakt, maar deze houden verband met de kosten van de omschakeling van certificaten naar registraties. Ze vloeien voort uit de eigen keuze van Stichting Toezicht om de algemene overeenkomst af te sluiten en de door haar gehanteerde tarieven en houden geen verband met een verrijking van DNV. De rechtbank licht dit als volgt toe.

4.5.1.

DNV heeft tot 1 januari 2020 certificaten verstrekt en daarvoor kosten gemaakt. DNV stelt onbetwist dat zij – na een inmiddels gebruikte reservering voor toekomstige kosten – steeds de lopende uitgaven financierde uit de lopende inkomsten. Tegenover de kosten die DNV na 1 januari 2020 niet meer hoeft te maken, staat dus dat de inkomsten wegvallen waaruit zij – de stelselwijziging weggedacht – die kosten zou hebben gefinancierd. Stichting Toezicht stelt niet, althans niet concreet, dat en welke bedragen er voor DNV vrijvallen die niet wegvallen tegen de gederfde inkomsten over de periode na 1 januari 2020, bijvoorbeeld een vrijgevallen reservering.

4.5.2.

Sinds 1 januari 2020 zorgt Stichting Toezicht voor de registraties. Stichting Toezicht heeft inmiddels naar eigen zeggen 15.100 kraanmachinisten met een certificaat van DNV onder de overgangsregeling van het Aanwijzingsbesluit ingeschreven in haar register. Deze registraties hebben blijkens de overgangsregeling een looptijd die gelijk is aan de resterende looptijd van de certificaten die zij vervangen. Er ontstond dus na 1 januari 2020 een systeem van aflopende registraties, net als er in het verleden aflopende certificaten waren. Kraanmachinisten die als zodanig werkzaam willen blijven, zullen dus om een herregistratie moeten vragen. Stichting Toezicht legt niet uit waarom zij – anders dan voorheen DNV – niet in staat is haar kosten te voldoen uit de inkomsten van de herregistraties. Dit had wel op haar weg gelegen. Zoals DNV terecht aanvoert, heeft Stichting Toezicht met het ministerie afgesproken dat zij op grond van artikel 7 lid 4 van de algemene overeenkomst de kosten van haar werkzaamheden afdekt met vergoedingen voor de aanvragers van (her)registraties.

Het enige argument dat Stichting Toezicht in dit verband aanvoert, is dat zij voor de registraties onder de overgangsregeling geen vergoeding kan vragen omdat zij kraanmachinisten met een certificaat op grond van de overgangsregeling moet registeren. Uitgaand van de juistheid van deze uitleg, komt dit er op neer dat Stichting Toezicht onder de overgangsregeling kosten maakt om de overstap van certificaten naar registraties mogelijk te maken. Deze registraties zijn als zodanig geen werk dat verschoven wordt van DNV naar Stichting Toezicht. Dat Stichting Toezicht hiervoor geen vergoeding krijgt, is geen verarming van Stichting Toezicht als gevolg van een verrijking van DNV. Het zijn voorzienbare (extra) kosten van de stelselwijziging die Stichting Toezicht had moeten incalculeren bij het aangaan van de algemene overeenkomst met het ministerie.

4.5.3.

Stichting Toezicht heeft op de zitting betoogd dat haar gratis registraties onder de overgangsregeling DNV een groot aantal klachten heeft bespaard van certificaathouders die hun certificaat van DNV binnen de afgesproken looptijd zagen vervallen. Daarin zit vermoedelijk een kern van waarheid. Het argument miskent echter dat hier geen sprake is van een verarming van de één als gevolg van verrijking door de ander. Dit zijn, zoals hiervoor beschreven, kosten als gevolg van de systeemwijziging.

4.5.4.

Samengevat oordeelt de rechtbank dat DNV niet verrijkt is doordat zij na 1 januari 2020 zowel de kosten als de inkomsten van de certificaten niet meer had. Na 1 januari 2020 was het aan Stichting Toezicht om op basis van het dan ontstane systeem van (her)registraties haar eigen kosten te dekken. Voor zover zij daar niet in geslaagd is doordat zij de kosten van de initiële registraties onder de overgangsregeling niet heeft ingecalculeerd, is dat geen verarming, maar een keuze of (mogelijk) een inschattingsfout die zij zichzelf moet aanrekenen. Er is geen reden waarom deze kosten van de wijzigingen in het systeem door DNV moeten worden gedragen.

4.6.

Stichting Toezicht zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Voor het salaris van de advocaat wordt tarief VII toegepast, gelet op de door Stichting Toezicht oorspronkelijk gestelde omvang van de door DNV af te dragen bedragen.

De kosten aan de zijde van DNV worden begroot op:

- griffierecht € 656,-

- salaris advocaat € 6.428,- (2,0 punten × tarief € 3.214,-)

Totaal € 7.084,-

4.7.

De gevorderde rente over de proceskosten en nakosten zal worden toegewezen.

5. De beslissing

De rechtbank

a. wijst de vorderingen van Stichting Toezicht af,

b. veroordeelt Stichting Toezicht in de proceskosten, aan de zijde van DNV tot op heden begroot op € 7.084,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na de dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

c. veroordeelt Stichting Toezicht in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Stichting Toezicht niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de dagtekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

d. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. N. Doorduijn en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. C. Bouwman, rolrechter, op 24 maart 2021.

1876/2872