Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:2845

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-03-2021
Datum publicatie
31-03-2021
Zaaknummer
10/750077-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Beschikking
Inhoudsindicatie

schadevergoeding ex artikel 533 en 530 Sv na vrijspraak PGB fraude zaak. Afwijzing van de verzochte wettelijke rente. Gelet op de ouderdom van de zaak is een inflatiecorrectie (CBS) toegepast tav de schade van het gederfde inkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/750077-07

Raadkamernummers: 19/2674 (533 Sv (oud 89 Sv))

19/2675 (530 Sv (oud 591a Sv))

Beschikking van de rechtbank Rotterdam, meervoudige raadkamer, op de verzoeken als bedoeld in de artikelen 533 en 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[naam verzoeker], verzoeker,

geboren te [geboorteplaats verzoeker] op [geboortedatum verzoeker],

wonende te Rotterdam,

voor deze zaak domicilie kiezende aan de [adres], ten kantore van zijn advocaat mr. R.E. van Zijl.

Procedure

De verzoeken zijn op 11 oktober 2019 ingediend en op 23 juli 2020 aangevuld.

De rechtbank heeft kennis genomen van de verzoekschriften en van het raadkamerdossier.

De verzoeken zijn op 9 maart 2021 door de raadkamer in het openbaar behandeld. De officier van justitie mr. E. Pols, de verzoeker en de advocaat mr. R.E. van Zijl zijn gehoord.

De artikelen vermeld in de verzoekschriften zijn in het Wetboek van Strafvordering per

1 januari 2020 vernummerd maar qua inhoud niet gewijzigd.

Inhoud verzoeken

Het verzoek op de voet van artikel 533 Sv strekt ertoe dat aan de verzoeker ten laste van de Staat wordt toegekend een bedrag van € 127.895,52- bestaande uit:

  • -

    een bedrag van € 8.820,- maal factor 2 = € 17.640,- als vergoeding voor immateriële schade als gevolg van het voorarrest;

  • -

    een bedrag van € 51.920,- als vergoeding voor loonderving;

  • -

    een bedrag van € 58.335,52 als vergoeding voor wettelijke rente over het gederfde inkomen.

Gesteld is dat er gronden van billijkheid zijn om een hogere dan de forfaitaire vergoeding toe te kennen voor de geleden immateriële schade als gevolg van de ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis. De verzoeker heeft door de aanhouding en het voorarrest aantoonbare psychische klachten opgelopen. In 2012 is chronische PTSS gediagnosticeerd.

In reactie op het hierna weergegeven standpunt van de officier van justitie verzet de verzoeker zich niet tegen vergoeding van het nettobedrag voor gederfd loon.

Voorts is verzocht op de voet van artikel 530 Sv dat aan de verzoeker uit ’s Rijks kas een vergoeding wordt toegekend voor:

  • -

    kosten voor de noodzakelijke verdediging, gevoerd in de strafzaak tegen de verzoeker als verdachte van € 45.912,29 (bestaande uit een factuur van Moszkowicz Advocaten van € 40.124,57 en facturen van [naam] van € 5.787,72);

  • -

    kosten voor zover deze betrekking hebben op het aanleveren van bescheiden inzake het strafproces gemaakt door [naam bedrijf 1] van € 1.457,75;

  • -

    kosten voor rechtsbijstand, gemaakt in verband met het opstellen en indienen van de verzoekschriften ter hoogte van het forfaitaire bedrag van € 550,- maal factor 3 =

€ 1.650,-.

De verzoeker heeft nooit een specificatie van de werkzaamheden van Moszkowicz Advocaten ontvangen. Namens verzoeker is erop gewezen dat mr. A. Moszkowicz verzoeker heeft bijgestaan van maart 2008 tot en met september 2012. Destijds was mr. Moszkowicz een ervaren en gespecialiseerde strafrechtadvocaat. Het uurtarief zal niet gering zijn geweest, aldus de raadsvrouw. Het kantoor heeft de verzoeker vier en een half jaar bijgestaan, ook tijdens het voorarrest. Het is daarom billijk om aan te nemen dat werkzaamheden en bijbehorende kosten zijn gemaakt en om deze te vergoeden.

De verzoeker heeft ter zitting naar voren gebracht dat zijn familie mr. Moszkowicz destijds heeft benaderd toen hij in beperkingen zat en zij Moszkowicz advocaten de opdracht heeft gegeven de verzoeker juridisch bij te staan. De familie heeft het kantoor tussen de € 20.000,- en € 25.000,- contant betaald en de verzoeker heeft daarna zelf ook een deel contant voldaan. De verzoeker heeft een totaal factuur van Moszkowicz van € 45.000,- ontvangen met daarop de vermelding dat de factuur voldaan is.

Standpunt officier van justitie

Er is geen aanleiding om ten aanzien van het ondergane voorarrest van de forfaitaire vergoedingsbedragen af te wijken, zodat toewijzing van het standaard bedrag voor het voorarrest van € 8.820,- billijk is. Voorts acht de officier van justitie het netto bedrag van het maandloon à € 3.215,39 maal 4 toewijsbaar, totaal € 12.861,56, evenals de managementfee à € 8.330,- maal 4, in totaal € 33.320,-. De officier van justitie heeft aldus geconcludeerd tot toewijzing van het op de voet van artikel 533 Sv gedane verzoek tot een bedrag van in totaal € 55.001,56. De toekenning van de wettelijke rente over de gederfde inkomsten valt niet onder de reikwijdte van artikel 533 Sv en dient daarom afgewezen te worden, aldus de officier van justitie.

Ten aanzien van het op de voet van artikel 530 Sv gedane verzoek is de officier van justitie van mening dat het bedrag van € 5.787,72 voor rechtsbijstand door [naam] voldoende onderbouwd en voor toewijzing vatbaar is. De kosten gemaakt voor het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift zijn ook toewijsbaar.

De kosten gemaakt voor rechtsbijstand door mr. Moszkowicz zijn onvoldoende onderbouwd en dienen te worden afgewezen. Subsidiair heeft de officier van justitie ter zitting geconcludeerd tot een schatting naar billijkheid door de rechtbank van deze kosten. De factuur van [naam bedrijf 1] dient eveneens afgewezen te worden, aangezien deze kosten niet voor vergoeding ex artikel 530 Sv in aanmerking komen. Samengevat is het standpunt van de officier van justitie is om de verzochte vergoeding aan kosten voor rechtsbijstand te matigen tot een bedrag van € 6.337,72.

Feiten

De verzoeker is in de strafzaak met bovengenoemd parketnummer van 25 maart 2008 tot 28 maart 2008 in verzekering gesteld op verdenking van fraude.

Aansluitend heeft hij tot en met 27 juni 2008 in voorlopige hechtenis verbleven.

In deze periode zijn de verzoeker gedurende 50 dagen beperkingen opgelegd.

Bij vonnis van deze rechtbank, uitgesproken op 16 december 2015, is de verzoeker vrijgesproken van hetgeen hem in de strafzaak ten laste was gelegd.

Op 15 juli 2019 heeft de officier van justitie het door hem ingestelde hoger beroep tegen de strafzaak is ingetrokken, waardoor het vonnis onherroepelijk is geworden.

Beoordeling

Vooropgesteld wordt dat de rechtbank ingevolge artikel 533 Sv op verzoek van de gewezen verdachte - indien de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel - hem een vergoeding kan toekennen voor de schade welke hij ten gevolge van ondergane verzekering, klinische observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden. De toekenning van een dergelijke vergoeding heeft ingevolge artikel 534 Sv (oud 90 Sv) plaats indien hiervoor naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

Uit de feiten volgt dat de strafzaak tegen de verzoeker is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel.

Gebleken is dat er ten tijde van de toepassing van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis voldoende verdenking tegen de verzoeker was om die dwangmiddelen te rechtvaardigen.

Immateriële schade

Alle omstandigheden in aanmerking genomen worden gronden van billijkheid aanwezig geacht om aan de verzoeker een vergoeding voor immateriële schade als gevolg van het voorarrest toe te kennen. De volgende vraag is wat de hoogte van de compensatie moet zijn.

Op basis van de tarieven, zoals die door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) worden voorgestaan, heeft de verzoeker recht op de volgende vergoedingen:

inverzekeringstelling 3 dagen x € 105,- € 315,-

voorlopige hechtenis met beperkingen 49 dagen x € 105,- € 5.145,-

voorlopige hechtenis zonder beperkingen 42 dagen x € 80,- € 3.360,-

totaal € 8.820,-

De forfaitaire vergoeding voor het ondergane voorarrest biedt compensatie voor de immateriële schade die men daarvoor in het algemeen lijdt. Voor toekenning van een hogere vergoeding is slechts plaats indien sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de vrijheidsbeneming voor de verzoeker als verdachte grotere gevolgen heeft gehad dan voor andere verdachten die ter zake van gelijkluidende verdenkingen preventief worden gehecht.

Niet is gebleken van zodanige bijzondere omstandigheden dat dit een afwijking van de forfaitaire vergoeding rechtvaardigt. Daartoe wordt het volgende overwogen. Door de verzoeker is gesteld dat hij in 2012 gediagnosticeerd is met PTSS, veroorzaakt door de aanhouding en het voorarrest. De rechtbank kan echter, gelet op het tijdsverloop tussen het voorarrest in 2008 en de diagnose in 2012, onvoldoende vaststellen dat de PTSS-klachten het directe gevolg zijn geweest van het voorarrest. Weliswaar ligt het in de rede dat de duur van het strafproces en daarmee de langdurige verdenking jegens de verzoeker mede tot de psychische belasting en de PTSS-klachten heeft geleid. Maar artikel 533 Sv biedt geen basis voor vergoeding van schade die als gevolg van de strafzaak als zodanig is ontstaan, maar slechts voor de schade “ten gevolge van ondergane inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis”.

Hoewel de rechtbank ervan uitgaat dat het voorarrest voor de verzoeker ongetwijfeld veel impact heeft gehad, maakt dat niet dat de vrijheidsbeneming voor verzoeker grotere gevolgen heeft gehad dan voor andere verdachten in vergelijkbare zaken. Voor toekenning van een hogere vergoeding ziet de rechtbank in het kader van de onderhavige procedure dan ook geen aanleiding.

Gelet op het voorgaande zal aan de verzoeker voor geleden immateriële schade een vergoeding ter hoogte van het forfaitaire bedrag van € 8.820,- worden toegekend en zal het verzoek voor het overige worden afgewezen.

Loonderving en wettelijke rente over loonderving

Verzocht is om toekenning van een vergoeding voor vier maanden loonderving betreffende

€ 7.000,= managementfee per maand, te verhogen met de BTW daarover. Dit komt op een totaalbedrag van € 33.332, =. Daarnaast is verzocht het misgelopen brutoloon vanuit [naam bedrijf 2] € 4.650,= per maand voor 4 maanden te vergoeden.

De rechtbank ziet gronden van billijkheid om aan de verzoeker de als gevolg van het voorarrest vier maanden gemiste netto inkomsten toe te kennen.

Dit betreft € 7.000,- per maand aan managementfee - waarbij het verzochte bedrag aan BTW door de verzoeker niet hoeft te worden afgedragen en daarom niet voor vergoeding in aanmerking komt - en € 3.215,39 per maand aan nettoloon. Voor vier maanden komt daarmee het totaal te vergoeden bedrag aan gederfd loon op € 40.861,56.

Verzocht is om de wettelijke rente over de periode 25 maart 2008 tot en met 9 maart 2021 over het bedrag van de gederfde inkomsten toe te wijzen.

De rechtbank is van oordeel dat artikel 533 Sv geen grondslag biedt om de wettelijke rente toe te kennen. Evenmin is er een wettelijke grondslag om artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek naar analogie toe te passen. Gelet op de specifieke omstandigheden van dit geval, brengen gronden van billijkheid met zich mee dat een inflatiecorrectie dient plaats te vinden ten aanzien van de in 2008 geleden loonderving. Dit gelet op de extreem lange duur voordat het vonnis in eerste aanleg is uitgesproken, waarna vervolgens pas na 4 jaar het hoger beroep door de officier van justitie is ingetrokken. Dat het zo lang heeft geduurd voordat de strafzaak tot een definitief einde is gekomen, is grotendeels het gevolg van omstandigheden die buiten de verzoeker liggen.

De rechtbank zal gelet op voorgaande op grond van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde inflatiecijfers met toepassing van de inflatiecalculator de gederfde inkomsten corrigeren naar 9 maart 2021 en vaststellen op een bedrag van € 50.407,23.

Besluit

Resumerend zal aan de verzoeker op grond van artikel 533 Sv een schadevergoeding ter hoogte van € 59.227,23 (€ 8.820,- + € 50.407,23) worden toegekend.

Verzoek artikel 530 Sv

Kosten voor noodzakelijke verdediging in strafzaak

Verzocht is om vergoeding van het honorarium van de raadslieden van [naam] voor werkzaamheden ten behoeve van de behandeling van de strafzaak tegen de verzoeker ter hoogte van € 5.787,72. Daaraan is een urenspecificatie ten grondslag gelegd.

De door de raadsvrouw overlegde tijdsbesteding, is gelet op de aard, de omvang en de complexiteit van de zaak niet als bovenmatig aan te merken. De kosten voor de noodzakelijke verdediging in de strafzaak komen derhalve voor vergoeding in aanmerking.

Daarnaast heeft de raadsvrouw een factuur van [naam bedrijf 1] ingediend voor de kosten die betrekking hebben op het aanleveren van bescheiden inzake het strafproces. Zij verzoekt daarbij om vergoeding van de helft van deze factuur. De rechtbank acht het billijk deze kosten te vergoeden nu deze gemaakt zijn ten behoeve van de verdediging in de strafzaak en hiermee de uren van het advocatenkantoor zijn beperkt door deze werkzaamheden door de accountant uit te laten voeren. De kosten gemaakt door [naam bedrijf 1] van € 1.457,75,- zullen daarom toegewezen worden.

Ten aanzien van de kosten gemaakt door Moszkowicz advocaten heeft de rechtbank oog voor de problemen van de verzoeker die geconfronteerd wordt met de bijzondere situatie dat deze advocaat in 2012 geen specificatie van de werkzaamheden heeft verstrekt en dat administratie hiervan niet (meer) beschikbaar is. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat onder andere deze manier van werken, met onvoldoende gedocumenteerde contante betalingen door cliënten, uiteindelijk tot schrapping van het tableau van deze advocaat heeft geleid. Hoe wrang dat in dit geval voor de verzoeker ook is, leidt dat er echter toe dat niet kan worden vastgesteld of de betreffende advocaat ten behoeve van de verzoeker in het kader van de onderhavige strafzaak werkzaamheden heeft verricht en wat voor werkzaamheden dit waren. Evenmin kan worden getoetst of de door hem in rekening gebrachte kosten billijk zijn. De rechtbank heeft bij de beoordeling van het verzoek de taak om gronden van billijkheid te toetsen ten aanzien van kosten die zijn gemaakt voor de noodzakelijke verdediging in de strafzaak en dient daarbij uit te gaan van voldoende aantoonbare feiten en omstandigheden. Nu de factuur van Moszkowicz advocaten onvoldoende is onderbouwd, kan de rechtbank deze niet toetsen en zal het verzoek ten aanzien van deze kosten afgewezen worden. Voor een schatting van deze kosten, zoals subsidiair bepleit door de raadsvrouw en de officier van justitie, ziet de rechtbank zonder verdere onderbouwing evenmin ruimte.

Kosten rechtsbijstand voor opstellen en indienen verzoekschriften

Verzocht is om vergoeding van kosten voor het opstellen en indienen van het op grond van artikel 533 Sv en 530 Sv ingediende verzoekschriften en deze standaard vergoeding te vermenigvuldigen met factor 3.

Alle feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, worden gronden van billijkheid aanwezig geacht om aan de verzoeker voor de kosten voor het opstellen en indienen van de op grond van artikel 533 en 530 Sv ingediende verzoekschriften de forfaitaire vergoeding toe te kennen. Gelet op de in het geschil zijnde kostenposten, de aard, omvang en complexiteit van de verzoeken acht de rechtbank het billijk het forfaitaire bedrag van € 550,- te vermenigvuldigen met factor 3, zodat ter zake een bedrag van € 1.650,- zal worden toegewezen.

Besluit

Resumerend zal aan de verzoeker op grond van artikel 530 Sv een totale vergoeding van

€ 8.895,47 (€ 7.245,47,- + € 1.650,-) worden toegekend.

Beslissing

De rechtbank:

t.a.v. het onder RK-nummer 19/2674 ingeschreven verzoek:

kent aan de verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe van € 59.227,23 (zegge: negenenvijftigduizend tweehonderdzevenentwintig euro en drieëntwintig cent);

wijst het meer of anders verzochte af.

t.a.v. het onder RK-nummer 19/2675 ingeschreven verzoek:

kent aan de verzoeker uit ’s Rijks kas een vergoeding toe van € 8.895,47 (zegge: achtduizend achthonderdvijfennegentig euro en zevenenveertig cent);

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door:

mr. J. van Dort, rechter,

mrs. J.M.L van Mulbregt en W.M. Stolk, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I.V. Wagener, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2021.

De oudste rechter, jongste rechter en de griffier zijn buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.

Bevelschrift van de fungerend voorzitter van de rechtbank Rotterdam

Bij beschikking van deze rechtbank van 30 maart 2021 (RK-nummer: 19/2674) is op de voet van artikel 533 Sv aan

[naam verzoeker], verzoeker,

geboren te [geboorteplaats verzoeker] op [geboortedatum verzoeker],

een vergoeding ten laste van de Staat toegekend van € 59.227,23 (zegge: negenenvijftigduizend tweehonderdzevenentwintig euro en drieëntwintig cent).

Bevolen wordt dat de griffier na het onherroepelijk worden van de beschikking overgaat tot uitbetaling van dit bedrag door overmaking op IBAN-rekeningnummer [bankrekeningnummer] ten name van Stichting Beheer Derdengelden Jebbink Soeteman advocaten te Amsterdam, o.v.v. dossiernummer [dossiernummer].

Dit bevelschrift is afgegeven op 30 maart 2021 door mr. J. van Dort, in de hoedanigheid van fungerend voorzitter van deze rechtbank.

Bevelschrift van de rechter in de rechtbank Rotterdam

Bij beschikking van deze rechtbank van 30 maart 2021 (RK-nummer: 19/2675) is op de voet van artikel 530 Sv aan

[naam verzoeker], verzoeker,

geboren te [geboorteplaats verzoeker] op [geboortedatum verzoeker],

een vergoeding uit ’s Rijks kas toegekend van € 8.895,47 (zegge: achtduizend achthonderdvijfennegentig euro en zevenenveertig cent).

Bevolen wordt dat de griffier na het onherroepelijk worden van de beschikking overgaat tot uitbetaling van dit bedrag door overmaking op IBAN-rekeningnummer [bankrekeningnummer] ten name van Stichting Beheer Derdengelden Jebbink Soeteman advocaten te Amsterdam, o.v.v. dossiernummer [dossiernummer].

Dit bevelschrift is afgegeven op 30 maart 2021 door mr. J. van Dort, in de hoedanigheid van rechter in deze rechtbank.

RECHTBANK ROTTERDAM

Team straf 2

t.a.v. de bijzondere raadkamer

email: bijzondere.raadkamer.rb.rotterdam@rechtspraak.nl

AFSTANDSVERKLARING van gemachtigd raadsman/vrouw

Mr. ………………………… raadsman/vrouw* van ………………………


verder te noemen verzoeker verklaart hierbij:

dat hij/zij kennis heeft genomen van de beschikking(en) ex artikel(en) 533 (oud 89) en / of 530 (oud 591a) van het Wetboek van Strafvordering gegeven d.d. ………………… op verzoek van verzoeker voornoemd;

dat hij/zij namens verzoeker instemt met het niet betekenen van de hierboven genoemde
beschikking(en) aan verzoeker;

dat hij/zij namens verzoeker afstand doet van het recht om hoger beroep aan te tekenen tegen de hierboven genoemde beschikking(en);

Ondertekening:

Naam Plaats ondertekening

……………………. ……………………..

Datum ondertekening

……………………..

*doorhalen wat niet van toepassing is