Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:2762

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-03-2021
Datum publicatie
31-03-2021
Zaaknummer
ROT 19/3197
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij beoordeling planschadeverzoek uitsluitend vergelijking van (delen van) planologische maatregelen die rechtskracht hebben verkregen.

Gelet op de aanvraag geen reden om te onderzoeken of er grond was voor nadeelcompensatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 19/3197


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 maart 2021 in de zaak tussen

[naam eiser], te [woonplaats eiser], eiser,

gemachtigde: [naam 1],

en

het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland, verweerder,

gemachtigde: [naam 2].

Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 17 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft nadere stukken ingediend.

Omdat geen van de partijen, na te zijn gewezen op het recht ter zitting te worden gehoord, heeft verklaard gebruik te willen maken van dit recht, heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek bij brief van 16 februari 2021 gesloten.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 6.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

2. Eiser heeft het perceel [adres] in eigendom. Eiser heeft op 8 december 2017 door middel van een formulier ‘planschade/nadeelcompensatie’ een aanvraag ingediend in verband met de vaststelling van het bestemmingsplan “De Ackers e.o”, vastgesteld op 1 november 2012 en in werking getreden en onherroepelijk geworden op 25 januari 2013.

3. In opdracht van verweerder heeft de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ) op 4 oktober 2018 een concept planschade-adviesrapport opgesteld over de aanvraag tot tegemoetkoming in planschade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening. Op 5 december 2018 heeft de SAOZ een definitief planschadeadvies uitgebracht. Daarin wordt geadviseerd aan eiser geen tegemoetkoming in planschade toe te kennen. Dit advies heeft verweerder aan het primaire besluit ten grondslag gelegd.

3.1

Naar aanleiding van de aanvraag is door SAOZ onderscheid gemaakt tussen het gedeelte van het perceel dat wordt aangeduid als “de woning c.a” en het gedeelte van het perceel waarop verweerder infrastructuur heeft aangebracht en dat is aangeduid als “overige gronden”.

3.2

In haar advies heeft de SAOZ het planologisch regime van het bestemmingsplan “De Ackers”, dat is vastgesteld op 1 november 2012 en in werking is getreden en onherroepelijk is geworden op 25 januari 2013 (de peildatum), vergeleken met dat deel van het bestemmingsplan “Bergsche Acker Deelplan II-Noord” dat van kracht is geworden, en voor wat betreft het gedeelte dat niet van kracht is geworden met het bestemmingsplan “Buitengebied”. Dit bestemmingsplan “Buitengebied” is op 15 augustus 1977 vastgesteld en onherroepelijk geworden op 11 januari 1981. De gronden van aanvrager lagen in essentie in het gebied met de bestemming “Agrarische doeleinden-klasse C”. Op de relevante peildatum van 25 januari 2013 voldeden de gronden van aanvrager niet aan de minimum aaneengesloten bouwperceelsoppervlakte voor een woning, en had de bestaande woning c.a. van aanvrager geen positieve bestemming omdat het perceel per peildatum een omvang had van 4.555 m2 en het bestemmingsplan “Buitengebied” nog gold voor slechts een gedeelte daarvan, namelijk het gedeelte waaraan in het hierna te bespreken bestemmingsplan “Bergsche Acker Deelplan II-Noord” goedkeuring is onthouden. Voor een deel van de gronden van aanvrager gold het bestemmingsplan “Bergsche Acker Deelplan II-Noord, zoals vastgesteld op 21 mei 1990, gedeeltelijk goedgekeurd op 16 oktober 1990 en nadien gedeeltelijk onherroepelijk geworden. Aan het gedeelte van de gronden waarop zich de bestaande woning c.a. bevindt en waar een tweede bouwvlak was opgenomen, is destijds goedkeuring door Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland onthouden in verband met de omstandigheid dat de geprojecteerde woningbouw zich op minder dan 30 meter tot de aangrenzende glastuinbouwbestemming bevond. Voor dit gedeelte heeft het plan geen rechtskracht verkregen en was dus nog het bestemmingsplan “Buitengebied” met de bestemming “Agrarische doeleinden-klasse C” van kracht. Dat nadien de kas binnen de glastuinbouwbestemming is gesloopt doet er niet aan af dat de woonbestemming met twee bouwvlakken voor het perceel van eiser niet mocht worden verwezenlijkt. Het gedeelte van de gronden van aanvrager waarvoor het bestemmingsplan wel rechtskracht heeft verkregen heeft in dit plan de bestemmingen “Verblijfsgebied, auto’s toegestaan – Vb(a)”, “Tuin - T”, “Water” en “Groenvoorzieningen - G”.

Voor de gronden van aanvrager geldt nu het bestemmingsplan “De Ackers e.o”, vastgesteld op 1 november 2012 en in werking getreden en onherroepelijk geworden op 25 januari 2013 (de peildatum). Op het perceel rust de bestemming “Wonen” (met de aanduiding van een bouwvlak en de maatvoeringen “maximale” goothoogte 4 meter en maximale bouwhoogte 10 meter”), de bestemming “Wonen” (met de bouwaanduiding “Bijgebouwen”, de aanduiding van een bouwvlak, de maatvoering “maximale bouwhoogte 3 meter” en de functieaanduiding “Bedrijf aan huis”) en de bestemming “Tuin”. De overige gronden van aanvrager hebben de bestemmingen “Tuin”, “Verkeer”, “Groen”, “Water” en “Waarde-Archeologie 1” en “Waarde-Archeologie 2”.

3.3

De SAOZ stelt dat voor het object geen nadelige planologische effecten ontstaan. De planologische maatregel heeft niet geleid tot een nadeliger positie, waaruit schade in de vorm van waardevermindering is voortgevloeid, die mogelijk op de voet van artikel 6.1 Wro voor tegemoetkoming in aanmerking zou kunnen komen.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder stelt dat hem niet is gebleken dat het advies van de SAOZ zodanige gebreken vertoont, niet inhoudelijk concludent is of op een dusdanig onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, dat het advies niet aan het primaire besluit ten grondslag had mogen worden gelegd.

5. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Allereerst stelt hij dat verweerder in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld door niet tevens te onderzoeken of eiser voor nadeelcompensatie in aanmerking kan komen. Hij stelt dat de schade die is ontstaan door de aanleg van openbare infrastructuur op zijn grond ten onrechte nooit door verweerder is vergoed of gecompenseerd. Daarnaast is volgens eiser wel sprake van planschade nu in het vigerende bestemmingsplan “De Ackers e.o” de tweede woning op zijn perceel is wegbestemd. Volgens eiser is ten onrechte een vergelijking gemaakt met slechts een gedeelte van het bestemmingsplan “Bergsche Acker Deelplan II-Noord”. Hij stelt dat een vergelijking gemaakt had moeten worden tussen het bestemmingsplan “De Ackers e.o”. en het bestemmingsplan “Bergsche Acker Deelplan II-Noord” dan wel met het bestemmingsplan “Buitengebied”. Dat Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland haar goedkeuring aan dat deel van het bestemmingsplan heeft onthouden, maakt dat niet anders. Eiser stelt onder verwijzing naar artikel 30 van de oude Wet op de Ruimtelijke Ordening dat verweerder wettelijk verplicht was om het bestemmingsplan te repareren en dat hij daartoe diverse verzoeken heeft ingediend nadat de glastuinbouw die aan goedkeuring in de weg stond was gesloopt. Eiser stelt dat volgens vaste jurisprudentie bij gedeeltelijke goedkeuring volledig moet worden teruggevallen op het oude bestemmingsplan, in dit geval het bestemmingsplan “Buitengebied”.

6. De rechtbank oordeelt als volgt.

6.1.

Voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en als gevolg daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de desbetreffende wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Slechts ingeval realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken.

6.2.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) (onder meer de uitspraak van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582, rechtsoverweging 8.3) is de SAOZ te beschouwen als een onafhankelijke deskundige op het gebied van planschade. Verweerder mag in beginsel dan ook op een door de SAOZ uitgebracht advies afgaan. Dit is slechts anders indien moet worden geoordeeld dat het advies van de SAOZ onzorgvuldig tot stand is gekomen of dat daaraan anderszins ernstige gebreken kleven.

6.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht, in navolging van het advies van de SAOZ, op het standpunt heeft gesteld dat uit artikel 6.1 Wro voortvloeit dat uitsluitend (delen van) planologische maatregelen met elkaar vergeleken kunnen worden die rechtskracht hebben verkregen. Een deel van het bestemmingsplan waaraan goedkeuring is onthouden kan niet worden aangemerkt als een (voorheen) geldend planologisch regime en ten aanzien van een onherroepelijk geworden deel van een plan kan niet worden genegeerd dat dit een (voorheen) geldend planologisch regime betreft. Voor eisers stelling dat bij gedeeltelijke goedkeuring volledig moet worden teruggevallen op het oude bestemmingsplan, in dit het geval het bestemmingsplan “Buitengebied”, ziet de rechtbank anders dan eiser noch in de wet noch in de vaste rechtspraak enige grondslag. Eisers beroepsgrond dat een onjuiste planvergelijking heeft plaatsgevonden slaagt dus niet.

6.4.

Ten aanzien van eisers beroepsgrond dat verweerder ten onrechte niet heeft onderzocht of er grond was voor nadeelcompensatie, overweegt de rechtbank dat tussen verweerder en eiser kennelijk een geschil is gerezen over door verweerder op gronden van eiser aangelegde infrastructuur. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de mogelijke schade naar aanleiding van de aangelegde (openbare) infrastructuur buiten de grenzen van (de volledige heroverweging van) eisers verzoek om planschade valt. In eisers aanvraag is alleen het bestemmingsplan “De Ackers e.o.” genoemd als planologische maatregel die de oorzaak zou zijn van de gestelde schade. Het bestemmingsplan kan uitsluitend een grondslag vormen voor de planschadebeoordeling en niet tevens voor een beoordeling op grond van het stelsel van nadeelcompensatie. Eiser heeft ook geen grondslag aangevoerd voor een vergoeding op grond van het stelsel van nadeelcompensatie. Ook deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

7. Het voorgaande leidt tot ongegrondverklaring van het beroep.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Flikweert, rechter, in aanwezigheid van mr. Y.F.J. Fransen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2021.

de griffier is buiten staat de rechter is niet in staat te ondertekenen

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.