Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:2761

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-03-2021
Datum publicatie
30-03-2021
Zaaknummer
C/10/602529 / HA ZA 20-799
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onterfde zoon wil stukken zien om zijn legitieme portie te kunnen berekenen (art. 4:78 lid 1 BW). Vordering deels toewijsbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/602529 / HA ZA 20-799

Vonnis in incident van 24 maart 2021

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser in de hoofdzaak en in het incident,

advocaat mr. P.M. Boiten te Hendrik-Ido-Ambacht,

tegen

[gedaagde] , zowel in persoon als in haar hoedanigheid van executeur van het testament van [erflater],

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident,

advocaat mr. M. van Gastel te Hellevoetsluis.

Partijen zullen hierna eiser en gedaagde genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding tevens houdende de incidentele vordering tot overlegging van bescheiden, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident, met producties,

  • -

    de akte tot het in geding brengen van nadere producties, van gedaagde, met producties (voor de rolzitting van 14 oktober 2020),

  • -

    de akte uitlating eiser tevens wijziging van eis in het incident, met producties (voor de rolzitting van 9 december 2020),

  • -

    de akte tot in het geding brengen nadere bescheiden tevens bezwaar wijziging eis in het incident, van gedaagde, met producties (voor de rolzitting van 20 januari 2020),

  • -

    de akte tot in het geding brengen nadere bescheiden, met productie, van gedaagde (voor de rolzitting van eveneens 20 januari 2020),

  • -

    de akte uitlaten van eiser (voor de rolzitting van 3 februari 2020),

  • -

    de beslissing van de rolrechter om geen mondelinge behandeling toe te staan in het incident.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De beoordeling in het incident

2.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende: eiser is bij testament van 10 april 2007 onterfd door zijn - op 29 juni 2018 overleden - vader (hierna: erflater). Gedaagde was de levenspartner van erflater (geen huwelijk of geregistreerd partnerschap). Gedaagde is niet de moeder van eiser. Erflater en gedaagde hebben in het verleden samen een woning gekocht. Gedaagde is in het testament als executeur benoemd en zij heeft deze benoeming aanvaard. Eiser maakt aanspraak op de legitieme portie. Eiser heeft dat aan gedaagde kenbaar gemaakt in 2020. In het incident vordert eiser overlegging van bescheiden door gedaagde om daarmee zijn legitieme portie te kunnen berekenen. Lopende de onderhavige procedure heeft gedaagde, meermaals, alsnog een aantal bescheiden overgelegd. Na eiswijziging in het incident vordert eiser (nummering aangebracht door de rechtbank):

In het incident:

I. gedaagde te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het in deze te

wijzen vonnis aan eiser te verstrekken:

  • -

    kopie samenlevingsovereenkomst;

  • -

    de aangifte en aanslag erfbelasting;

  • -

    de bankrekeningafschriften van alle bankrekeningen van erflater over de periode

1 januari 2012 tot en met 29 juni 2014 althans over de periode van voor 29 juni

2014 voor zover deze bankrekeningafschriften nog beschikbaar zijn;

  • -

    onderbouwde opgave van de waarde van de inboedel en het voertuig;

  • -

    een opgave van alle door erflater verrichte schenkingen aan afstammelingen

alsmede alle door erflater verrichte schenkingen van de afgelopen vijf jaar;

zulks op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag - een gedeelte van een

dag daaronder begrepen - met een maximum van € 25.000,- voor iedere dag of

ieder dagdeel dat gedaagde hiermee in gebreke is;

II. te bepalen dat - indien en voor zover gedaagde de gevraagde gegevens niet tot haar beschikking heeft - gedaagde deze bescheiden binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis dient op te vragen en nadien aan eiser ter beschikking dient te stellen, zulks op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag - een gedeelte van een dag daaronder begrepen - met een maximum van € 25.000,- voor iedere dag of ieder dagdeel dat gedaagde hiermee in gebreke is en te bepalen dat indien het maximum aan dwangsommen is verbeurd, eiser is gemachtigd om de betreffende bescheiden namens gedaagde bij de instanties op te vragen;

III. gedaagde te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het in deze te

wijzen vonnis aan eiser te verstrekken een opname van de inboedel en het

voertuig voorzien van een onderbouwde waardebepaling alsmede gedaagde te

veroordelen haar medewerking te verlenen aan het laten taxeren van de

woning per 29 juni 2018 door makelaarskantoor Mudde Makelaardij te

Spijkenisse, zulks op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag - een

gedeelte van een dag daaronder begrepen - met een maximum van € 25.000,-

voor iedere dag of ieder dagdeel dat gedaagde hiermee in gebreke is;

In de hoofdzaak

IV. de legitieme portie van eiser vast te stellen met inachtneming van het

vorenstaande en indachtig de nog door gedaagde te verstrekken bescheiden;

Zowel in het incident als in de hoofdzaak:

gedaagde te veroordelen in de kosten van deze procedure, de eventuele nakosten

daaronder begrepen;

althans zodanig te oordelen als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.

2.2.

Gedaagde voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

2.3.

Gedaagde maakte bezwaar tegen de eiswijziging van eiser. Dit bezwaar faalt in ieder geval voor zover eiser zijn eis vermindert (omdat hij een aantal bescheiden inmiddels alsnog heeft ontvangen). Een eisvermindering is immers altijd toegestaan.

2.4.

Gedaagde maakte tevens bezwaar tegen de eiswijziging van eiser op de grondslagen 1) dat gedaagde een aantal bescheiden gewoonweg niet heeft en 2) dat het tot onredelijke vertraging van de procedure leidt als eiser steeds nieuwe/andere bescheiden vordert.

2.5.

De rechtbank passeert deze weren. Indien en voorzover gedaagde een aantal bescheiden niet heeft, is dat geen geldige reden om een eiswijziging te verbieden. Hoogstens is dat een reden om het gevorderde af te wijzen. De rechtbank acht de eiswijziging niet in strijd met de goede procesorde. Evenmin acht de rechtbank de eventuele vertraging in de procedure onredelijk. Het is pas de eerste keer dat eiser om aanvullende bescheiden vraagt en de procedure is pas net begonnen.

2.6.

Het recht van een legitimaris op afgifte van bescheiden moet beoordeeld worden aan de hand van artikel 4:78 lid 1 BW. Dit artikellid bepaalt:

“Een legitimaris die niet erfgenaam is, kan tegenover de erfgenamen en met het beheer der nalatenschap belaste executeurs aanspraak maken op inzage en een afschrift van alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme portie behoeft; zij verstrekken hem desverlangd alle daartoe strekkende inlichtingen.”

Uit de bewoordingen ‘alle daartoe strekkende inlichtingen’ volgt dat dit begrip zo ruim als mogelijk moet worden uitgelegd, maar dat het wel beperkt is tot de gegevens die nodig zijn voor de berekening van de legitieme portie (vgl. o.a. de uitspraak van het toenmalige gerechtshof Arnhem met kenmerk ECLI:NL:GHARN:2011:BU9640).

2.7.

Bij de beoordeling is voorts van belang dat artikel 4:65 BW bepaalt dat de legitieme portie wordt berekend over de waarde van de goederen der nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden vermeld in artikel 7 lid 1 onder a tot en met c en f (van boek 4 BW).

kopie samenlevingsovereenkomst

2.8.

Eiser vordert een kopie van de (volledige tekst van de) samenlevingsovereenkomst die erflater en gedaagde hadden gesloten. Eiser wil kunnen nagaan of erflater een vordering heeft op gedaagde omdat erflater meer dan zijn aandeel in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding heeft voldaan. Volgens eiser heeft erflater alle woonlasten betaald terwijl gedaagde daarvan mede-eigenaar is en zij in de kosten dus ook een aandeel had moeten dragen. Ook stelt eiser dat erflater in zijn eentje de volledige (gemeentelijke) belastingen ter zake van de woning heeft betaald. Eiser sluit niet uit dat in de samenlevingsovereenkomst een regeling is getroffen over de wijze waarop dat moet worden afgerekend bij beëindiging van de samenleving.

2.9.

Gedaagde legt de tekst van de samenlevingsovereenkomst deels over. Volgens gedaagde blijkt uit dat deel dat de plicht tot het bijdragen aan de kosten van de gemeenschappelijke huishouding niet geldt voor degene die geen inkomen heeft. Subsidiair voert gedaagde aan dat de vordering - van erflater op gedaagde - is verjaard.

2.10.

De rechtbank zal deze vordering toewijzen. Eiser heeft er voldoende belang bij om te kunnen nagaan of er goederen van de nalatenschap zijn overgeslagen. Ook (eventuele) overgeslagen goederen van de nalatenschap behoren immers mee te tellen bij de berekening van de legitieme portie. De mogelijkheid bestaat dat uit de tekst van de samenlevingsovereenkomst blijkt van een vorderingsrecht van erflater op gedaagde. De vraag of die eventuele vordering toewijsbaar/ verjaard is, zal pas in de hoofdzaak aan de orde komen. Hier, in het incident, gaat het alleen nog maar om het recht op informatie. Een dwangsom komt geraden voor. Deze dwangsom zal worden beperkt en gematigd.

de aangifte en aanslag erfbelasting;

2.11.

Eiser vordert (nog steeds) overlegging van de aangifte en aanslag erfbelasting. Gedaagde had echter al bij haar eerdere conclusie van antwoord in incident de aangifte erfbelasting 2018 overgelegd (haar productie 2). Gedaagde stelt dat zij bij haar latere productie 26 ook de aanslag erfbelasting 2018 overlegt. De rechtbank heeft deze aanslag niet aangetroffen in deze productie. Wel bevat deze productie een brief van de notaris van 10 januari 2020 aan gedaagde, waarin de notaris mededeelt dat de aanslag erfbelasting 2018 is vastgesteld overeenkomstig de aangifte erfbelasting 2018.

De rechtbank gaat er op basis van deze informatie vooralsnog van uit dat in genoegzame mate aan de vordering van eiser tegemoet is gekomen, zodat deze vordering zal worden afgewezen.

de bankrekeningafschriften van alle bankrekeningen van erflater over de periode 1 januari

2012 tot en met 29 juni 2014 althans over de periode van voor 29 juni 2014 voor

zover deze bankrekeningafschriften nog beschikbaar zijn

2.12.

Eiser stelt

1) in zijn akte eiswijziging:

- inmiddels heeft gedaagde diverse bankrekeningafschriften verstrekt. Van de bankrekening

met rekeningnummer [bankrekeningnummer 1] zijn echter nog altijd geen afschriften verstrekt en is niet duidelijk wat het saldo bedraagt. Het is niet gebleken op wiens naam de bankrekeningen met rekeningnummers [bankrekeningnummer 2] en [bankrekeningnummer 3] staan en/of hebben gestaan.

- de schenkingen van 2014 en daarvoor zijn voor eiser niet verifieerbaar. Gedaagde weigert tot op heden opgave te doen van de door erflater gedane schenkingen. Uit de verkregen bankrekeningafschriften blijkt echter dat erflater ieder jaar consequent schenkingen heeft verricht. Derhalve vordert eiser inzage in de bankrekeningafschriften ook voor de periode van vóór 29 juni 2014. Gelet op de wettelijke bewaartermijn van banken van minstens zeven jaar, zijn door gedaagde nog aanvullende bankrekeningafschriften op te vragen bij de banken. Deze kan zij vervolgens aan eiser verstrekken.

2) in zijn meest recente akte: “Het wordt er door de veelheid van procesbescheiden niet overzichtelijker op welke informatie thans door gedaagde is verstrekt en welke informatie nog altijd niet door gedaagde is verstrekt.

2.13.

Gedaagde voert onder meer aan: “Ten onrechte stelt [eiser] in randnummer 14 van de akte uitlaten eiser tevens wijziging eis, dat er geen afschriften zijn verstrekt van de bankrekening met rekeningnummer [bankrekeningnummer 1] . Deze zijn namelijk als productie 12 en 13 overgelegd bij de akte tot in het geding brengen nadere bescheiden van [gedaagde].” Ook legt gedaagde aanvullende bescheiden over ter zake van de bankrekeningen.

2.14.

De rechtbank oordeelt als volgt. Het is de rechtbank niet duidelijk wat eiser nog mist ter zake van de bankrekeningafschriften. Eiser stelt uiteindelijk dat hij niet goed weet wat hij wel/ niet heeft. Het is echter niet aan de rechtbank om aan de hand van de vele producties na te pluizen wat eiser nog mist. Het is aan eiser zelf om dat na te gaan en dat dan vervolgens ook kenbaar te maken aan de rechtbank. Daarbij komt dat:

  • -

    eiser volgens gedaagde bankrekeningafschriften vordert die hij al heeft,

  • -

    gedaagde na de eiswijziging van eiser nog de nodige aanvullende producties heeft overgelegd.

Dus misschien heeft eiser alles al. De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen voor het nemen van een nadere akte, waarin eiser moet uitleggen wat er nog ontbreekt aan de bescheiden waarvan hij de overlegging heeft gevorderd.

De rechtbank wijst er daarbij op dat de hoofdzaak thans nog niet aan de orde is. Stellingen en weren dienen beperkt te blijven tot hetgeen in het incident gevorderd is. Dat lijkt niet steeds in acht genomen te worden.

onderbouwde opgave van de waarde van de inboedel en het voertuig;

2.15.

Eiser stelt dat de helft van de inboedel onderdeel uitmaakt van de nalatenschap en dat de waarde daarvan meetelt bij de berekening van zijn legitieme portie. Volgens eiser moet gedaagde op onderbouwde wijze opgave doen van deze inboedel.

2.16.

Volgens gedaagde is de inboedel niets waard.

2.17.

De rechtbank oordeelt als volgt. De stelling van eiser dat de helft van de waarde van de inboedel meetelt, is niet zonder meer juist. Erflater was immers niet in gemeenschap van goederen gehuwd met gedaagde. Van de nalatenschap van erflater maken onderdeel uit die inboedelgoederen die de eigendom van erflater waren. Eiser heeft daarom recht op (enige) beschrijving van de inboedel van erflater. Volgens gedaagde is de inboedel niets waard. Om dat te kunnen nagaan moet echter eerst duidelijk worden over wat voor soort inboedel we het hebben.

De rechtbank tekent alvast aan dat zij als regel, behoudens bijzondere omstandigheden (bijvoorbeeld omdat sprake is van kostbare kunst en/ of antiek), uitgaat van de waarderingsmaatstaf: wat zou een opkoper er voor geven? Dat pleegt niet veel te zijn.

2.18.

Wat het voertuig betreft zal de vordering worden afgewezen. Gedaagde heeft inmiddels als haar productie 25 een bankrekeningafschrift overgelegd waarop vermeld staat dat de auto - een Skoda Fabia- voor € 2.750 is verkocht aan een derde. Eiser kan aan de hand van het kenteken zelf even op internet nagaan hoe oud deze auto is en of € 2.750 een (enigszins) reële prijs is.

een opgave van alle door erflater verrichte schenkingen aan afstammelingen alsmede alle door erflater verrichte schenkingen van de afgelopen vijf jaar;

2.19.

Deze vordering zal worden afgewezen. Gedaagde voert aan dat haar geen schenkingen van erflater bekend zijn anders dan blijkend uit de aangifte erfbelasting en dat van eventuele overige schenkingen zal moeten blijken uit de bankrekeningafschriften. De rechtbank acht het recht van eiser op informatie voldoende gewaarborgd door kennisneming van de desbetreffende bankrekeningafschriften.

taxatierapport makelaarskantoor Mudde Makelaardij

2.20.

Eiser vordert medewerking van gedaagde aan taxatie van de woning door voornoemd makelaarskantoor.

2.21.

Gedaagde legt een in haar opdracht opgesteld taxatierapport over van Makelaardij Lobs BV, gedateerd 14 september 2020. Daarin staat dat de woning op 29 juni 2018 (sterfdatum erflater) een marktwaarde had van € 155.000 en van € 190.000 op 24 augustus 2020.

2.22.

De rechtbank zal deze vordering - in ieder geval in het incident - afwijzen. De vraag of € 155.000 een reële prijs is (waardepeildatum is het tijdstip onmiddellijk na overlijden, art.4:6 BW) - zal in de hoofdzaak aan de orde komen. Thans gaat het alleen nog maar om verstrekking van informatie, nog niet om de vraag of die informatie correct is.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1.

verwijst de zaak naar de schriftelijke rolzitting van 21 april 2021 voor het nemen van een nadere akte door eiser als bedoeld in dit vonnis en bepaalt dat gedaagde een antwoordakte mag nemen op een termijn van vier weken nadat eiser zijn nadere akte heeft genomen,

3.2.

houdt iedere nadere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus en in het openbaar uitgesproken op

24 maart 2021.

[2517/638]