Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:2758

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-03-2021
Datum publicatie
30-03-2021
Zaaknummer
9005598 / VV EXPL 21-51
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verstek. Een vordering tot ontruiming van het gehuurde heeft in een eventuele bodemprocedure een grote kans van slagen.

Het is aannemelijk dat in een eventuele bodemprocedure het gebruik van de buitengerechtelijke ontbindingsbevoegdheid die volgt uit artikel 7:231 lid 1 BW in samenhang met artikel 13b Opiumwet, proportioneel is.

In kort geding moet terughoudend worden omgegaan met een veroordeling tot betaling van (een voorschot op) schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 9005598 / VV EXPL 21-51

uitspraak: 18 maart 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de stichting

Stichting Woonstad Rotterdam,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

gemachtigde: mr. P.A. Beekman te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde],

gedaagde,

die niet in het geding is verschenen.

Partijen worden hierna Woonstad en [gedaagde] genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

 het exploot van dagvaarding van 18 februari 2021, met producties 1 tot en met 6.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 maart 2021. Aan de zijde van Woonstad is voornoemde gemachtigde verschenen. [gedaagde] is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

1.3.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1.

Tussen Woonstad en [gedaagde] is een huurovereenkomst tot stand gekomen ten aanzien van de woning staande en gelegen aan de [adres] (hierna: het gehuurde), tegen een huurprijs van thans € 640,29.

2.2.

Op de huurovereenkomst tussen partijen zijn de ‘Algemene Voorwaarden versie juni 2009’ van toepassing (hierna: de algemene voorwaarden). In deze voorwaarden is onder meer bepaald:

“6.1 Huurder is verplicht het gehuurde zelf als woonruimte te gebruiken en is verplicht er zijn hoofdverblijf te hebben. Huurder zal het gehuurde als goed huurder gebruiken en onderhouden.

(…)

6.3

Het is huurder niet toegestaan overlast aan omwonenden en/of andere huurders te veroorzaken en/of te doen veroorzaken door huisgenoten, huisdieren of door derden die zich vanwege huurder in het gehuurde of de gemeenschappelijke ruimten bevinden. (…)

6.4

Huurder zal het gehuurde en de gemeenschappelijke ruimten in overeenstemming met de daaraan door verhuurder gegeven bestemming gebruiken. Het is huurder niet toegestaan in/nabij het gehuurde en/of de gemeenschappelijke ruimten:

(…)

hennep of soortgelijke gewassen te telen, XTC te produceren, verdovende middelen te hebben en/of daarin te (laten) handelen en/of andere op basis van de Opiumwet strafbare gedragingen te plegen.”

2.3.

Op 5 september 2020 zijn medewerkers van de politie het gehuurde binnengetreden. Zij hebben in het gehuurde grote handelshoeveelheden hard- en softdrugs, versnijdingsmiddelen, attributen voor de verwerking van en handel in drugs, een grote hoeveelheid contant geld en verschillende mobiele telefoons aangetroffen en in beslag genomen.

2.4.

Bij brief van 16 november 2020 heeft Woonstad [gedaagde] verzocht de huurovereenkomst op te zeggen. [gedaagde] heeft niet gereageerd op deze brief.

2.5.

Bij brief van 12 november 2020 is aan Woonstad medegedeeld dat de burgemeester voornemens is het gehuurde te sluiten op grond van zijn bevoegdheid ingevolge artikel 13b van de Opiumwet. Woonstad heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid een zienswijze in te dienen. Vervolgens heeft de burgemeester bij brief van 10 december 2020 aan Woonstad en [gedaagde] medegedeeld dat hij het gehuurde voor zes maanden sluit, te weten van 17 december 2020 tot en met 17 juni 2021.

2.6.

Bij brief van 22 januari 2021 heeft Woonstad de huurovereenkomst tussen partijen buitengerechtelijk ontbonden. Zij heeft [gedaagde] verzocht om in te stemmen met deze ontbinding. [gedaagde] heeft niet gereageerd op voornoemde brief.

3. De vordering en de grondslag daarvan

3.1.

Woonstad heeft – kort gezegd – gevorderd bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot ontruiming van het gehuurde binnen drie dagen na betekening van dit vonnis, althans binnen drie dagen na opheffing van de burgemeestersluiting. Daarnaast vordert zij [gedaagde] te veroordelen tot betaling van:

  • -

    een schadevergoeding van € 640,29 per maand vanaf 1 maart 2021 tot aan de ontruiming van het gehuurde, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectievelijke vervaldata;

  • -

    € 462,50 ter zake buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;

  • -

    de kosten van deze procedure, waaronder de nakosten.

3.2.

Woonstad heeft aan haar vordering – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende ten grondslag gelegd. Woonstad heeft de huurovereenkomst tussen partijen op grond van artikel 7:231 lid 2 BW jo. artikel 13b van de Opiumwet buitengerechtelijk ontbonden. Aangezien de huurovereenkomst tussen partijen hierdoor is geëindigd, verblijft [gedaagde] thans zonder recht of titel in het gehuurde. Daarom vordert Woonstad de ontruiming van het gehuurde. Woonstad vordert voorts schadevergoeding over de maanden tot aan de ontruiming van het gehuurde. Tenslotte vordert Woonstad [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.

4. De beoordeling

4.1.

Bij de dagvaarding zijn de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht genomen, zodat aan [gedaagde] verstek wordt verleend.

4.2.

Het is de kantonrechter voldoende gebleken dat Woonstad een spoedeisend belang heeft bij de door haar gevorderde voorzieningen, zodat zij in zoverre ontvankelijk is in haar vorderingen. Woonstad stelt zich immers op het standpunt dat [gedaagde] na de buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst zonder recht of titel in het gehuurde verblijft. Indien Woonstad naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in dit standpunt wordt gevolgd, heeft zij er een spoedeisend belang bij dat deze situatie tot een einde wordt gebracht. De bevoegdheid tot buitengerechtelijke ontbinding is namelijk juist bedoeld om zo spoedig mogelijk (en niet pas na een bodemprocedure) tot ontbinding van de huurovereenkomst over te gaan.

4.3.

In dit kort geding dient, mede op basis van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vordering van Woonstad in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

4.4.

Eerst wordt geoordeeld over de gevorderde ontruiming van het gehuurde. In dat kader is van belang dat, nu [gedaagde] niet in het geding is verschenen, niet is betwist dat er een grote hoeveelheid drugs is aangetroffen in het gehuurde. De straatwaarde van de drugs bedraagt volgens Woonstad ruim € 200.000,-. Door de aanwezigheid van deze (hoeveelheid) drugs in het gehuurde is de leefbaarheid en de veiligheid van het gehuurde en de omgeving daarvan ernstig in het geding geweest. De drugs hebben immers een aantrekkende werking op criminaliteit. Daarnaast heeft [gedaagde] door de aanwezigheid van de drugs niet voldaan aan zijn verplichting om zich te gedragen als een goed huurder, zoals volgt uit de wet en de algemene voorwaarden. Bovendien is onbetwist gesteld dat Woonstad een zerotolerancebeleid hanteert ten aanzien van de handel en opslag van drugs. De kantonrechter oordeelt daarom dat een vordering tot ontruiming van het gehuurde in een eventuele bodemprocedure een grote kans van slagen heeft. Het belang van Woonstad bij het waarborgen van de leefbaarheid en de veiligheid weegt naar het oordeel van de kantonrechter namelijk zwaarder dan het belang van [gedaagde] bij behoud van zijn woning, ongeacht de omstandigheid dat [gedaagde] voorheen geen overlast bezorgde. In dit oordeel is meegewogen dat [gedaagde] aan de politie heeft verklaard dat hij de zaken tegen betaling heeft bewaard en dat hij wist dat het om verdovende middelen ging.

4.5.

Op grond van het voorgaande acht de kantonrechter het aannemelijk dat in een eventuele bodemprocedure wordt geoordeeld dat het proportioneel is dat Woonstad van haar buitengerechtelijke ontbindingsbevoegdheid, die volgt uit artikel 7:231 lid 2 BW in samenhang met artikel 13b Opiumwet, gebruik heeft gemaakt. Dat betekent dat [gedaagde] zonder recht of titel in het gehuurde verblijft. Daarom wordt de vordering tot ontruiming van het gehuurde toegewezen. Aangezien vaststaat dat het gehuurde op dit moment gesloten is, wordt de ontruimingstermijn gesteld op een week na (tijdelijke) opheffing van de burgemeesterssluiting.

4.6.

De gevorderde toekomstige, nog te vervallen termijnen tot het tijdstip van de ontruiming zijn in het kader van deze procedure niet toewijsbaar. Dit kort geding, waarin terughoudend moet worden omgegaan met een veroordeling tot betaling van (een voorschot op) schadevergoeding, is daarvoor niet geschikt.

4.7.

Woonstad maakt verder aanspraak op een vergoeding van buitengerechtelijke kosten, die zij begroot op € 462,50. Weliswaar heeft deze vordering op zichzelf geen spoedeisend belang, maar de hoofdvordering heeft (zoals in r.o. 4.2 overwogen) wel een spoedeisend belang. De kantonrechter acht het daarom praktisch en kosten-efficiënt om ook direct te oordelen over de buitengerechtelijke kosten die hiermee verbonden zijn. Woonstad heeft onbetwist gesteld dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. De redelijke kosten die hier voor Woonstad mee gemoeid zijn gegaan, komen voor rekening van [gedaagde] op grond van artikel 6:96 BW. De hoogte van de gevorderde vergoeding is berekend conform de rapporten Voorwerk II en BGK Integraal en wordt daarom toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten zal echter worden afgewezen, nu niet gesteld of gebleken is dat Woonstad deze kosten reeds aan haar incassogemachtigde betaald heeft.

4.8.

Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [gedaagde] veroordeeld in de kosten van deze procedure, die tot aan deze uitspraak aan de zijde van Woonstad worden vastgesteld op

€ 613,01 aan verschotten (€ 507,- aan griffierecht en € 106,01 aan dagvaardingskosten) en

€ 498,- aan salaris voor de gemachtigde. De gevorderde nakosten worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld, nu de hiervoor genoemde proceskostenveroordeling reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten.

5. De beslissing

De kantonrechter:

rechtdoende in kort geding:

verleent verstek tegen de niet verschenen [gedaagde];

veroordeelt [gedaagde] om de woning met onroerende aanhorigheden, staande en gelegen aan de [adres], binnen zeven dagen na (tijdelijke) opheffing van de burgemeesterssluiting, met alle daarin zich bevindende personen en/of zaken te ontruimen en te verlaten en door afgifte van de sleutels aan Woonstad ter beschikking te stellen;

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Woonstad van de buitengerechtelijke kosten van € 462,50;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Woonstad vastgesteld op € 613,01 aan verschotten en € 498,- aan salaris voor de gemachtigde; en als [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving van dit vonnis vrijwillig aan dit vonnis heeft voldaan, begroot op € 120,- aan nasalaris. Indien daarna betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. Aukema-Hartog en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

[46009]