Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:2753

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-03-2021
Datum publicatie
30-03-2021
Zaaknummer
10/754513-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor mishandeling partner tot gevangenisstraf van drie maanden. Beroep op noodweer verworpen. Benadeelde partij niet-ontvankelijk omdat niet duidelijk is of psychische problemen zijn veroorzaakt of verergerd door de mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/754513-20

Datum uitspraak: 25 maart 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] te ( [postcode verdachte] ) [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. Th. Houben, advocaat te Amsterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 11 maart 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. al Mansouri heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het primair ten laste gelegde (poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel);

  • -

    bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde (mishandeling);

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van negentig dagen met aftrek van voorarrest, waarvan vierentwintig dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling, een contactverbod, alsmede een inspanningsverplichting om een zinvolle dagbesteding te vinden en te houden;

  • -

    oplegging van een schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer.

4. Waardering van het bewijs

Primair ten laste gelegde (poging tot zware mishandeling)

De rechtbank volgt het standpunt van de officier van justitie en de verdediging en is van oordeel dat het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

Subsidiair ten laste gelegde (mishandeling)

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het subsidiair ten laste gelegde. Daartoe is aangevoerd dat het bewijs ontbreekt dat de verdachte in de keel van aangeefster heeft geknepen. De aangeefster heeft wisselend verklaard en het bij haar geconstateerde letsel past meer bij het door de verdachte geschetste scenario dat de aangeefster juist hem bij de keel heeft gegrepen en dat hij zich daartegen heeft verweerd.

Voor zover de rechtbank zou uitgaan van het scenario van de verdachte, dan zou er volgens de verdediging sprake zijn geweest van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding waartegen hij zich mocht verdedigen omdat het aangeefster is, die de agressor was. De manier waarop de verdachte dat heeft gedaan, is proportioneel geweest. Gelet op de hevige emoties bij de aangeefster kon van de verdachte niet gevergd worden dat hij zich aan de situatie zou onttrekken. Als dit beroep op noodweer slaagt, dan dient dit te leiden tot vrijspraak van het subsidiair ten laste gelegde feit, wegens het ontbreken van de wederrechtelijkheid.

Beoordeling door de rechtbank

Uit het onderzoek op de terechtzitting en de inhoud van wettige bewijsmiddelen zijn de volgende relevante feiten en omstandigheden naar voren gekomen.

Naar aanleiding van een melding begaf de politie zich op 16 mei 2020 naar een woning aan de [adres slachtoffer] te Rotterdam. In de woning werd de aangeefster aangetroffen die tegenover de verbalisanten verklaarde dat de verdachte in zijn woning aan de [adres verdachte] in Rotterdam op 15 mei 2020 erg boos was geworden en haar met kracht bij haar keel had gegrepen. Zij voelde hierdoor een hevige pijn. De aangeefster heeft zich kunnen verweren door de verdachte te krabben met haar nagels. Zij heeft de verdachte geraakt in zijn gezicht en op zijn onderarmen. Hierdoor kon zij los komen uit zijn greep.
Later heeft de aangeefster verklaard dat de verdachte haar bij haar keel greep en haar met kracht tegen de muur heeft geduwd. Bij de aangeefster werd een huidbeschadiging van 4 cm bij 0,5 cm waargenomen door de forensisch arts aan de rechterzijde van de hals nabij de overgang naar de schouder.

De verdachte is kort na het voorval aangehouden en in het politiebureau is vervolgens door de verbalisanten waargenomen dat de verdachte letsel had op zijn handen en armen. Bij de politie heeft de verdachte verklaard dat de aangeefster hem krabde op zijn handen en hem heeft gewurgd.1 Toen heeft de verdachte de aangeefster van voren bij haar nek gepakt en haar tegen de muur geduwd. Op de terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat de aangeefster hem heeft gewurgd en gekrabd en dat hij haar met een gestrekte arm en met zijn hand op haar schouder tegen de muur heeft geduwd.

Enerzijds kan aan de verdediging worden toegegeven dat de aangeefster wisselend heeft verklaard over de aanleiding tot en de omstandigheden rondom het voorval. Anderzijds is de rechtbank op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden van oordeel dat de verklaringen van de aangeefster over de ten laste gelegde mishandeling in voldoende mate worden ondersteund door de inhoud van andere wettige bewijsmiddelen. De rechtbank neemt daarbij in het bijzonder de verklaringen van de verdachte bij de politie, die kort na het voorval zijn afgelegd, en het bij de aangeefster waargenomen letsel in aanmerking.

Uit die verklaringen en die van aangeefster in combinatie met het geconstateerde letsel blijkt dat de verdachte aangeefster bij de keel heeft gegrepen en haar tegen de muur heeft geduwd. Dat de aangeefster daarvoor juist de verdachte heeft gewurgd is niet aannemelijk geworden. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het van voren bij de nek pakken en tegen de muur duwen kan worden ervaren en aangemerkt als het knijpen in de keel.

Dit houdt in dat de rechtbank niet uitgaat van het door de verdachte geschetste scenario en dat daarom niet aannemelijk is geworden dat zich een situatie heeft voorgedaan waarin voor hem de noodzaak bestond tot verdediging tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door aangeefster. De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op noodweer.

Conclusie

Dit betekent dat bewezen is dat de verdachte de aangeefster heeft mishandeld.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij,

op 15 mei 2020 te Rotterdam,

[naam slachtoffer] heeft mishandeld door die [naam slachtoffer] (met kracht) in

de keel te knijpen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

(subsidiair)

mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zijn toenmalige partner mishandeld door met kracht in haar keel te knijpen. Hij heeft het slachtoffer niet alleen pijn toegebracht, maar bij haar werd ook een huidbeschadiging aan de hals geconstateerd. De verdachte heeft met zijn handelen een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

24 februari 2021, waaruit blijkt dat de verdachte recentelijk niet voor soortgelijke strafbare feiten met justitie in aanraking is gekomen.

Stichting Verslavingsreclassering GGZ (Antes) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 4 november 2020. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

Er zijn aanwijzingen voor problemen op het gebied van middelengebruik, psychosociaal functioneren en (inter-)persoonlijke relaties. Geadviseerd wordt een gedeeltelijk voorwaardelijk straf op te leggen, met een aantal bijzondere voorwaarden:

Meldplicht bij reclassering (na afspraak)

Ambulante behandeling

Contactverbod

Locatieverbod (met politietoezicht)

Overige voorwaarde het gedrag betreffende het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding. Verdachte werkt mee aan ambulante begeleiding gericht op praktische zaken en geeft de reclassering toestemming om informatie over het verloop hiervan in te winnen.

De reclassering adviseert verder dadelijke uitvoerbaarheid van deze

voorwaarden en adviseert de reclassering opdracht te geven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte daarbij te begeleiden.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit, mishandeling in de relationele sfeer, is het opleggen van een gevangenisstraf passend en geboden. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in de regel in soortgelijke zaken worden opgelegd.

Alles afwegend komt de rechtbank tot een bestraffing die lager is dan door de officier van justitie is geëist en die geen ruimte biedt voor een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel.

8. Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel

Het slachtoffer [naam slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 2.500,- aan immateriële schade.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 500,-. Voor het resterende gedeelte van de vordering dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard. De officier van justitie heeft gevorderd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen voor het genoemde bedrag.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft primair bepleit de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op het gevoerde pleidooi tot vrijspraak van wat aan de verdachte ten laste is gelegd. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd en dat een causaal verband ontbreekt. Daartoe is aangevoerd dat de benadeelde partij vergoeding vordert van schade die veroorzaakt zou zijn door gedragingen die niet ten laste zijn gelegd. Voorts is aangevoerd dat uit de door de benadeelde partij overgelegde stukken niet volgt dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld op grond waarvan immateriële schadevergoeding kan worden toegewezen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank overweegt dat door de benadeelde partij onder meer is aangevoerd dat zij gedurende de relatie met de verdachte door hem is mishandeld en voorts is gewezen op de context waarin het bewezen verklaarde feit zich heeft afgespeeld. In het leven van de benadeelde partij heeft een gebeurtenis plaatsgevonden die grote invloed heeft gehad op haar psychische gesteldheid. Gesteld wordt dat de benadeelde partij naast ernstig (verder) psychisch letsel ook fysiek letsel heeft opgelopen als gevolg van de mishandeling door de verdachte.

Dat de benadeelde partij veel leed ervaart is duidelijk. Uit de stukken die door de benadeelde partij in het geding zijn gebracht, is echter niet op te maken of de psychische problemen zijn veroorzaakt of verergerd door de in deze zaak bewezen mishandeling van de verdachte. Daarom zal de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat niet kan worden vastgesteld dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het op 15 mei 2020 door de verdachte gepleegde feit.

Conclusie

De benadeelde partij wordt niet ontvankelijk verklaard in haar vordering. De rechtbank zal ook afzien van het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) weken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst;

verklaart de benadeelde partij [naam slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R. Brand, voorzitter,

en mrs. W.J.M. Diekman en A.M. van der Leeden, rechters,

in tegenwoordigheid van D.J. Boogert, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De voorzitter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

(primair)

hij,

op of omstreeks 15 mei 2020 te Rotterdam,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [naam slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

(meermalen) die [naam slachtoffer] (met kracht) de keel heeft dichtgeknepen, althans

in de keel heeft geknepen, (waardoor die [naam slachtoffer] geen lucht kon krijgen),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(subsidiair)

hij,

op of omstreeks 15 mei 2020 te Rotterdam,

[naam slachtoffer] heeft mishandeld door die [naam slachtoffer] (meermalen) (met kracht) in

de keel te knijpen.

1 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 17 mei 2020, nummer [nummer proces-verbaal] , pagina 12 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier [naam dossier] .