Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:2722

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-03-2021
Datum publicatie
29-03-2021
Zaaknummer
10/157420-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak poging moord, poging doodslag en poging zware mishandeling. Veroordeling bedreiging met misdrijf tegen leven gericht, mishandeling en voorhanden hebben wapen. N-o vordering benadeelde partij. Gevangenisstraf 20 maanden waarvan 5 mnd vw met 2 jaar + bijzondere vw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/157420-20

Datum uitspraak: 24 maart 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te Curaçao (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Dordrecht,

raadsvrouw mr. N. Roos, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 10 maart 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. N. van der Meij heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 impliciet subsidiair, het onder 2 primair en het onder 3 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met aftrek van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Feit 1: bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt officier van justitie

Het onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde kan wettig en overtuigend bewezen worden. Uit het dossier blijkt dat de medeverdachte [naam medeverdachte] (hierna: de medeverdachte) degene is geweest die heeft geschoten en dus niet de verdachte. Op basis van de appberichten tussen de verdachte en zijn broer [naam] blijkt dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte. Immers de verdachte heeft het over [bijnaam medeverdachte] (de bijnaam van de medeverdachte) en dat hij komt met een P. Een P is een pistool. Ook wordt in appberichten met anderen gesproken dat de medeverdachte een vuurwapen meeneemt. Daarnaast heeft de verdachte – nadat de medeverdachte heeft geschoten – het wapen uit de hand van de medeverdachte gepakt om het vervolgens op de aangever te richten.

4.1.2.

Standpunt verdediging

De verdachte moet integraal vrijgesproken worden van feit 1 vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

4.2.

Beoordeling

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier blijkt dat niet de verdachte, maar de medeverdachte de schutter is. Niet bewezen kan worden dat de verdachte degene is geweest die een projectiel op of in de richting van de aangever heeft afgevuurd.

In tegenstelling tot wat de officier heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat de nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte om de aangever van het leven te beroven evenmin wettig en overtuigend bewezen kan worden. De aangever en de verdachte waren huisgenoten van elkaar. Uit het dossier blijkt niet van enige afspraken of afstemming tussen de verdachte en de medeverdachte. Het feit dat de verdachte onenigheid heeft gehad met de aangever, aan anderen liet weten dat hij de aangever wilde vermoorden en dat de medeverdachte vervolgens een schot in de richting van de aangever heeft gelost, maakt nog niet dat sprake is van enige afstemming tussen hen beiden. Uit het dossier komt eerder het beeld naar voren dat de broer [naam] en de medeverdachte de intentie hadden om de verdachte weg te halen uit de confrontatie met de aangever. Zij hebben eerst geprobeerd de verdachte in een auto te stoppen en weg te rijden. Vervolgens zijn ze achter de verdachte de slaapkamer van de aangever naar binnengerend in een poging de situatie niet verder uit de hand te laten lopen.

Gelet hierop komt de rechtbank tot de conclusie dat het onder 1 impliciet primair en impliciet subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Wel is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de aangever heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door aan de aangever een vuurwapen te tonen en dat vuurwapen op de aangever te richten. Uit de verklaring van de aangever blijkt dat de verdachte het vuurwapen uit de hand van de medeverdachte pakte nadat de medeverdachte ermee op de aangever had geschoten. Vervolgens heeft de verdachte het vuurwapen op de aangever gericht. De medeverdachte heeft verklaard dat hij het vuurwapen uit de handen van verdachte heeft getrokken en toen buiten ergens in de bosjes heeft gegooid.

4.3.

Feit 2: bewijswaardering

4.3.1.

Standpunt officier van justitie

Het onder 2 primair ten laste gelegde kan wettig en overtuigend bewezen worden. De verdachte heeft namelijk bekend dat hij met een houten bezem heeft geslagen. Door de aangever te slaan met een houten bezem was er een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. Door aldus te handelen heeft de verdachte die aanmerkelijke kans bewust aanvaard.

4.3.2.

Beoordeling

De verdachte heeft ter zitting bekend dat hij de aangever met zijn vuisten en met een bezem heeft geslagen. Op basis van deze verklaring kan de mishandeling wettig en overtuigend bewezen worden.

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat deze mishandeling gekwalificeerd kan worden als een poging tot zware mishandeling. Uit het dossier blijkt onvoldoende met welke kracht er op het lichaam van aangever is geslagen. Ook blijkt niet welke verwondingen de verdachte heeft opgelopen, en zo ja hoe dit consequenties voor hem heeft gehad voor wat betreft de aard en noodzaak van medisch ingrijpen en genezingsduur.

4.4.

Feit 3: bewijswaardering

4.4.1.

Standpunt verdediging

De verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 3 ten laste is gelegd gelet op de bepleite vrijspraak voor feit 1 en omdat de verdachte het wapen niet in zijn handen heeft gehad. Ook is er geen sprake van het tezamen en in vereniging voorhanden hebben van het wapen omdat er geen sprake is van een meerdere of mindere mate van bewustheid bij de verdachte dat de medeverdachte het wapen aanwezig had. Tevens had de verdachte geen beschikkingsmacht over het wapen.

4.4.2.

Beoordeling

Het verweer van de raadsvrouw vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen en hetgeen hierboven is overwogen. Op het moment dat de verdachte het vuurwapen van de medeverdachte pakte, kreeg hij het vuurwapen in zijn handen en heeft hij dus de beschikkingsmacht over het vuurwapen gehad. Wel zal de verdachte worden vrijgesproken van het in vereniging voorhanden hebben van het vuurwapen, nu dit niet onvoldoende uit het dossier blijkt. De rechtbank verklaart het onder 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

4.5.

Conclusie

De verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1 impliciet primair en impliciet subsidiair en onder 2 primair ten laste gelegde. Het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde kan wettig en overtuigend bewezen worden.

4.6.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 14 juni 2020 te Rotterdam,

[naam slachtoffer] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht

door

- die [naam slachtoffer] een vuurwapen te tonen, en

- dat vuurwapen op die [naam slachtoffer] te richten;

2.

hij op 14 juni 2020 te Rotterdam

[naam slachtoffer] heeft mishandeld door meermalen met een of meer bezems en zijn, verdachtes, vuisten op het (boven)lichaam van die [naam slachtoffer] te slaan;

3.

hij op 14 juni 2020 te Rotterdam

een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie,

te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een (omgebouwd en tot het verschieten van kogelpatronen van het kaliber 7.65 mm geschikt gemaakt gas-) pistool van het merk Zoraki, type 906, kaliber 7.65mm,

voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

feit 1:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 2:

mishandeling;

feit 3:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte had met het slachtoffer, zijn huisgenoot, op de ochtend van het incident een conflict over geluidsoverlast. De verdachte heeft naar aanleiding daarvan onder andere zijn broer en de medeverdachte om hulp verzocht. Pogingen van de broer om de verdachte te kalmeren en hem weg te halen van de woning waar het slachtoffer op dat moment verbleef, slaagden niet. De verdachte is terug de woning in gerend, heeft de deur van de kamer van zijn huisgenoot ingetrapt en heeft het slachtoffer meerdere keren met zijn vuisten en een bezem geslagen. De medeverdachte heeft op het slachtoffer geschoten, waarna de broer van de verdachte voor het slachtoffer is gesprongen. De verdachte heeft vervolgens een vuurwapen op het slachtoffer gericht en de rechtbank neemt zonder meer aan dat slechts door het optreden van de broer van de verdachte erger is voorkomen. De verdachte heeft blijk gegeven geen respect voor de lichamelijke integriteit van anderen te hebben. De verdachte lijkt niet in staat te zijn om een conflict bespreekbaar te maken, maar grijpt terug op geweld. Dit ondanks pogingen van anderen om hem te kalmeren. Daarbij schuwt hij niet om een vuurwapen op een ander te richten. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan. Wel weegt de rechtbank in strafmatigende zin mee dat tussen het slachtoffer en verdachte al geruime tijd een gespannen sfeer heerste en de verdachte meerdere keren bij de reclassering en bij zijn hulpverlener om hulp heeft verzocht. Deze hulp bleef kennelijk, om onduidelijke redenen, uit.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 11 februari 2021, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor onder meer mishandeling en verboden wapenbezit.

7.3.2.

Rapportages

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 3 september 2021. Het rapport houdt onder meer in dat de verdachte niet de vaardigheden lijkt te bezitten om interpersoonlijke problemen op te lossen. De verdachte heeft lange tijd onder toezicht van de reclassering gestaan en heeft na het verplichte toezicht op vrijwillige basis contact gehouden met de reclassering. De verdachte lijkt baat te hebben gehad bij het toezicht en bij de geboden structuur. De reclassering adviseert bij een veroordeling dan ook een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden:

  • -

    meldplicht bij reclassering;

  • -

    ambulante behandeling, met specifieke aandacht voor agressiebehandeling;

  • -

    begeleid wonen of maatschappelijke opvang;

  • -

    contactverbod;

  • -

    locatieverbod (met elektronische controle).

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

In aanmerking genomen dat de rechtbank minder bewezen acht dan de officier van justitie, komt zij tot een lagere straf dan geëist. Omdat de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, zal de rechtbank een deel van de straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden zoals door de reclassering zijn geadviseerd. Nu de verdachte en het slachtoffer niet meer woonachtig zijn op hetzelfde adres, zal geen locatieverbod worden opgelegd.

Het voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De proeftijd zal worden bepaald op twee jaar, omdat geen omstandigheden aanwezig worden geacht om daarvan af te wijken.


Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] . De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 7.500,00 aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De vordering is voldoende onderbouwd. Mede gelet op de motivering en dat het algemeen bekend is dat door een poging doodslag heftig psychische leed kan optreden bij het slachtoffer, maakt dat de vordering voor het gehele bedrag hoofdelijk toewijsbaar is. Het bedrag dient vermeerderd te worden met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd.

8.2.

Standpunt verdediging

De vordering is onvoldoende onderbouwd. Uit het dossier blijkt niet dat het slachtoffer geraakt zou zijn door een kogel. Ook blijkt niet dat het slachtoffer heeft gevreesd voor zijn leven. Daarnaast dient de eigen schuld van de benadeelde partij te worden meegenomen.

Mocht de rechtbank wel tot een bewezenverklaring komen, dan moet de verzochte schadevergoeding gematigd worden. Een vergoeding van € 2.500,00 wordt dan, gelet op de Letsellijst schadefonds Geweldsmisdrijven en de jurisprudentie, redelijk geacht.

8.3.

Beoordeling

De benadeelde partij zal in de gehele vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Uit de vordering van de benadeelde partij blijkt dat het slachtoffer psychische schade heeft opgelopen als gevolg van de poging hem dood te schieten. De verdachte wordt echter van dit feit vrijgesproken.

8.4.

Conclusie

In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op 14a, 14b, 14c, 57, 285, 300 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 Wet wapens en Munitie.

10 . Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 . Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en de onder 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 5 (vijf) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde:

de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

stelt als bijzondere voorwaarden:

de veroordeelde zal zich melden binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd bij de Reclassering Nederland op het adres Marconistraat 2, 3039 AK te Rotterdam. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodigt vindt;

de veroordeelde zal zich laten behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start na ingang van de proeftijd zo spoedig mogelijk. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Bij de behandeling zal specifiek aandacht voor agressieregulatie worden gegeven. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;

de veroordeelde verblijft in stichting Exodus of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start direct na de huidige hechtenis. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld. Veroordeelde onthoudt zich gedurende zijn verblijf aldaar van drugs- en/of drankgebruik;

de veroordeelde heeft of zoekt op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met [naam slachtoffer] , geboren [geboortedatum slachtoffer] , zolang het openbaar ministerie dit verbod nodig vindt. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod;

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J. van Dort, voorzitter,

en mrs. B.E. Dijkers en N. Freese, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.L. den Dekker, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste rechter is buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 14 juni 2020 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte(n) voorgenomen misdrijf om

[naam slachtoffer]

opzettelijk en al dan niet

met voorbedachten rade

van het leven te beroven,

althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met een vuurwapen een projectiel heeft afgevuurd op/in de richting van het (boven)lichaam van die [naam slachtoffer] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 juni 2020 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

[naam slachtoffer] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling,

door

- die [naam slachtoffer] een vuurwapen te tonen, en/of

- met dat vuurwapen een projectiel af te vuren in de richting van die [naam slachtoffer] , en/of

- dat vuurwapen op die [naam slachtoffer] te richten;

2.

hij op of omstreeks 14 juni 2020 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [naam slachtoffer]

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

(meermalen) (met kracht) met een of meer bezems op het (boven)lichaam van die [naam slachtoffer] heeft geslagen (door welke kracht die bezems kapot zijn gegaan),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 juni 2020 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen

[naam slachtoffer] heeft mishandeld door (meermalen) (met kracht) met een of meer bezems en/of zijn, verdachtes, handen/vuisten op het (boven)lichaam van die [naam slachtoffer] te slaan;

3.

hij op of omstreeks 14 juni 2020 te Rotterdam

tezamen en in vereniging, althans alleen,

een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie,

te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een (omgebouwd en tot het verschieten van kogelpatronen van het kaliber 7.65 mm geschikt gemaakt gas-) pistool van het merk Zoraki, type 906, kaliber 7.65mm,

voorhanden heeft gehad.