Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:2715

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-03-2021
Datum publicatie
29-03-2021
Zaaknummer
C/10/586956 / HA ZA 19-1119
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Verjaring? Artikel 7:942 BW. Schending mededelingsplicht? Artikel 7:928 en 7:930 BW. Bestemmingswijziging/risicowijziging/?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/586956 / HA ZA 19-1119

Vonnis van 10 maart 2021

in de zaak van

1. [naam eiser 1],

2. [naam eiser 2],

beiden wonende te [woonplaats eisers] ,

eisers,

advocaat mr. F.J.M. Kobossen te Twello,

tegen

de naamloze vennootschap naar Belgisch recht

ALLIANZ BENELUX N.V.,

statutair gevestigd te Brussel, België, mede kantoorhoudend te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. R.H.J. Wildenburg te Arnhem.

Eisende partijen worden hierna samen [naam eiser 1] (mannelijk enkelvoud) genoemd. Gedaagde partij wordt hierna Allianz genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 24 oktober 2019, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    de conclusie van repliek, met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [naam eiser 1] woonde sinds 1979 in een aan hem in eigendom toebehorende woonwagen in Deventer. Deze woonwagen bevond zich op een woonwagenstandplaats die [naam eiser 1] huurde van de gemeente Deventer.

2.2. [naam eiser 1] heeft op 1 juli 2005 bij London Verzekeringen N.V., een rechtsvoorganger van Allianz die hierna tevens als Allianz zal worden aangeduid, een inboedelverzekering afgesloten.

2.3. Op het aanvraagformulier voor de inboedelverzekering heeft [naam eiser 1] onder meer de volgende vraag moeten beantwoorden:

“Bent u, of een andere belanghebbende bij deze verzekering, in de laatste acht jaar in aanraking geweest met politie of justitie?”

[naam eiser 1] heeft deze vraag ontkennend beantwoord.

2.4. [naam eiser 1] heeft op 7 juli 2009 bij Allianz een opstalverzekering afgesloten.

2.5. Op het aanvraagformulier voor de opstalverzekering heeft [naam eiser 1] onder meer de volgende vragen moeten beantwoorden:

“Bent u of een andere belanghebbende bij deze verzekering, in de laatste acht jaar, als verdachte of ter uitvoering van een opgelegde (straf)maatregel, in aanraking geweest met politie of justitie in verband met:

wederrechtelijk verkregen of te verkrijgen voordeel, zoals diefstal, verduistering, bedrog, oplichting, valsheid in geschrifte of poging(en) daartoe?

wederrechtelijke benadeling van anderen, zoals vernieling of beschadiging, mishandeling, afpersing en afdreiging of enig misdrijf gericht tegen de persoonlijke vrijheid of tegen het leven of poging(en) daartoe?

(voorwaardelijke) ontzegging van de rijbevoegdheid?

overtreding van de Wet wapens en munitie, de opiumwet of de wet economische delicten?

Zo ja, geef dan aan om welk strafbaar feit het ging, of het tot een rechtszaak is gekomen, wat het resultaat daarvan was en of eventuele (straf)maatregelen al ten uitvoer zijn gelegd. Indien het niet tot een rechtszaak is gekomen, geef dan aan of er sprake is geweest van een schikking met het Openbaar Ministerie, en zo ja, tegen welke voorwaarden de schikking tot stand kwam.”

[naam eiser 1] heeft deze vragen ontkennend beantwoord.

2.6. Op het polisblad met ingangsdatum 19 september 2012 is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

Verzekerd object Risico-adres Woonhuis

(…)

In gebruik als Particuliere bewoning

Bouwaard Steen/hout met harde dekking

Soort woonhuis Vrijstaand”

2.7. Op het polisblad is vermeld dat clausule 10 van toepassing is. Deze clausule luidt als volgt:

Glas in bouwsels op het erf

Indien de verzekering betrekking heeft op een woonhuis dat uitsluitend voor bewoning door verzekerde zelf wordt gebruikt, wordt aanvullend 10% van de te vergoeden materiële schade aan het woonhuis, echter tot een maximum van € 11.500,00 vergoed.”

2.8. Op de verzekeringsovereenkomst ter zake de opstal zijn onder andere de Bijzondere voorwaarden Woonhuisverzekering WHS071 (hierna: de polisvoorwaarden) van toepassing. Deze polisvoorwaarden bepalen, voor zover van belang, het volgende:

ARTIKEL 1

Begripsomschrijvingen

In deze verzekeringsvoorwaarden wordt verstaan onder:

(…)

1.2 woonhuis

een gebouw met inbegrip van al wat volgens verkeersopvatting daarvan deel uitmaakt en van alle bouwsels, die naar hun aard en inrichting bestemd zijn om duurzaam ter plaatse te blijven, mits een en ander uitsluitend tot huishoudelijk gebruik dient. (…)

ARTIKEL 7

Bekendheid en risicowijziging

(…)

7.2 Risicowijziging

De verzekeringnemer of verzekerde dient zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval binnen 2 maanden, schriftelijk aan verzekeraar kennis te geven van:

7.2.1 Wijziging

een wijziging van de bouwaard, de dakbedekking of het gebruik van het woonhuis. (…)

7.6 Verzuim van een risicowijziging kennis te geven

Indien de verzekeringnemer of verzekerde van een risicowijziging genoemd in artikel 7.2 niet tijdig kennis geeft vervalt elk recht op schadevergoeding 2 maanden na die wijziging, tenzij verzekeraar de verzekering ook na die kennisgeving ongewijzigd zou hebben voortgezet. Indien verzekeraar de verzekering slechts tegen een hogere premie of op gewijzigde verzekeringsvoorwaarden zou hebben voortgezet, vindt uitkering plaats met inachtneming van deze gewijzigde verzekeringsvoorwaarden en in verhouding van de in de polis vermelde premie tot de nieuwe door verzekeraar voorgestelde premie.

ARTIKEL 9

Schaderegeling

De schade wordt in onderling overleg geregeld of vastgesteld door een door verzekeraar te benoemen deskundige of door twee deskundigen, waarvan verzekerde en verzekeraar er ieder één benoemen. In het laatste geval benoemen beide deskundigen samen voor de aanvang van hun werkzaamheden een derde deskundige, die bij gebrek aan overeenstemming een bindende uitspraak zal doen binnen de grenzen van beide taxaties.”

2.9. Op 19 april 2012 is in een schuur nabij de woonwagen van [naam eiser 1] een hennepkwekerij ontmanteld.

2.10. Op 26 december 2012 is brand ontstaan in de woonwagen van [naam eiser 1] waarbij de woonwagen en de inboedel grotendeels verloren zijn gegaan.

2.11. [naam eiser 1] heeft op 27 december 2012 bij Allianz aanspraak gemaakt op uitkering van de brandschade onder de opstal- en inboedelverzekering.

2.12. In opdracht van Allianz heeft Gorissen & Van der Zande Schadeonderzoek B.V. (hierna: Gorissen & Van der Zande) onderzoek ingesteld naar de brand. In het naar aanleiding van dit onderzoek opgestelde rapport van 11 januari 2013 is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

3. LIGGING / OMSCHRIJVING SCHADEADRES

(…)

3.2 Indeling / gebruik

De woonwagen bestaat uit een woonkamer met schuifpui, twee aangrenzende slaapkamers en daarachter een soort smalle bijkeuken. In een bijbouw is de toegangsdeur die toegang geeft tot de keuken met aangrenzende toilet en badkamer. Vanuit de keuken is er een toegang tot de woonkamer. In een losse bijbouw is sprake van opslag van diverse goederen en een sauna. In een andere bijbouw was opslag van gereedschappen en een ontmantelde hennepteeltruimte (…).

5 BRANDONDERZOEK

(…)

5.4

Oorzaakonderzoek

In gezamenlijkheid werd een uitgebreid oorzaakonderzoek ingesteld. Ondanks dat onderzoek kon de plaats van ontstaan niet bepaald worden en ook de oorzaak niet. (…)

Er is ook geen (technische) relatie tot de eerder ontmantelde hennepteelt en de brand. In de ruimte waar de hennepteelt was, was geen sprake van brand. (…)

7 VERKLARING VERZEKERINGNEMER

Op 27 december 2012 werd in Deventer gesproken met:

[naam eiser 1]

(…)

Hij verklaarde:

(…)

Ik ben wel met Justitie in aanraking geweest. Rond april 2012 is er bij mij door de politie een hennepteelt ontmanteld. Die was in een aparte ruimte bij onze woonwagen. Die kweek was niet van mij.”

2.13.

Op 27 februari 2013 heeft Gorissen & Van der Zande een aanvullend rapport opgesteld. In dit rapport is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

3. VERKLARING VERZEKERINGNEMER

(…)

Op woensdag 6 februari 2013 werd in Apeldoorn gesproken met:

Naam : [naam eiser 1]

(…)

Hij verklaarde:

(…)

U vraagt mij nu naar de in april 2012 aangetroffen hennepkwekerij. U zegt mij dat er achter mijn woning een apart gebouwtje was waarin een hennepkwekerij zat. De stroom van deze kwekerij was illegaal afgetakt vanaf de meterkast in mijn woning. U vraagt mij of ik daar uitleg over wil geven. Ik kan u zeggen dat ik daar niets vanaf weet. (…)

5 SITUATIE AAN SCHADEADRES

(…)

De kweek bevond zich in een illegaal gebouwde schuur die alleen maar indirect bereikbaar is vanaf de achterplaats achter de woonwagen en vanuit de woonwagen zelf. Tussen de woonwagen en een daarachter staande blokhut is een smalle afsluitbare deur die via een gangetje toegang geeft tot een rommelhok. De toegang tot dat rommelhok is alleen afsluitbaar middels een houten blinde dikke plaat die daar in oorsprong voor de deuropening was geschroefd. Vanuit dat rommelhok is de kweekruimte te betreden. De bewuste schuur grenst ook aan een binnenplaatsje dat volledig omgeven wordt door bebouwing en vanuit de keuken van de woonwagen is te bereiken.(…).”

2.14.

Per brief van 8 maart 2013 heeft (de advocaat van) [naam eiser 1] aan Gorissen & Van der Zande het volgende, voor zover van belang, gemeld:

“U had van mij nog te goed een mededeling over de relevante justitiële documentatie. Het gaat dan om de jaren voor het sluiten van de verzekeringen uit 2005 en 2009. (…)

Ervan uitgaande dat de justitiële documentatie zoals aan mij toegezonden compleet is gaat het dan om de volgende kwesties:

(…)

- een sepot in relatie tot een overtreding op 18 juni 2001;

(…)

- en tenslotte een niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in een kwestie met een gestelde pleegdatum van 17 april 2000”

2.15.

Allianz heeft per brief van 12 april 2013 aan [naam eiser 1] het volgende, voor zover van belang, meegedeeld:

“Hierbij delen wij u mee dat wij uw pakketpolis met daarin een woonhuis en inboedelverzekering per dagtekening van deze brief opzeggen. Wij hebben vastgesteld dat u de verplichting tot het melden van een bestemmingswijziging niet bent nagekomen.”

2.16.

In een aan Allianz gerichte brief van 24 april 2013 van (de advocaat van) [naam eiser 1] staat, voor zover van belang, het volgende:

“Van enig niet nakomen c.q. het niet melden van relevante informatie, in verband met de contractering tussen London Verzekeringen en cliënt is geen sprake.

Derhalve wordt niet slechts het wegblijven van een reactie van London Verzekeringen als toerekenbare tekortkoming gekwalificeerd maar bovendien wordt de in de brief van 12 april 2013 vervatte opzegging, althans de opzegging met de beschreven grondslag, als onjuist en onrechtmatig betiteld. (…)

In relatie tot uw eigen verzekerde, [naam eiser 1] , acht ik het niet gepast dat een onderneming als London wegblijft van elke verdere inhoudelijke reactie gedurende intussen een onevenredig lange periode.

Cliënt maakt aanspraak, en heeft dat al gedaan, op een voorschotbetaling. Ter zake dient thans ook de wettelijke rente te worden aangezegd, vanaf datum verschuldigdheid, alsmede dient er volstrekt en volledig, op basis van de door cliënt aangegeven bedragen, te worden uitbetaald.”

3. Het geschil

3.1.

[naam eiser 1] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. te verklaren voor recht dat [naam eiser 1] terecht bij Allianz aanspraak heeft gemaakt op de vergoeding van de door hem geleden schade na de brand op 26 december 2012 en dat Allianz gehouden is om de schade aan [naam eiser 1] te vergoeden;

II. Allianz te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [naam eiser 1] te betalen de somma van € 110.000,00, zijnde het totale schadebedrag (woonwagen en meubilaire zaken), vermeerderd met de wettelijke rente ten titel van schadevergoeding vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, althans onderhavige procedure te verwijzen naar een zogenaamde schadestaatprocedure, althans de schade vast te stellen naar redelijkheid en billijkheid, en Allianz te veroordelen tot betaling aan [naam eiser 1] van het vastgestelde bedrag aan schade;

III. Allianz te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [naam eiser 1] te betalen ten titel van schade aan ‘overige kosten’ een bedrag van € 750,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

IV. Allianz te veroordelen in de kosten van het geding, inclusief nakosten.

3.2.

Allianz concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [naam eiser 1] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis en de nakosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Verjaring

4.1.

Het meest verstrekkende verweer van Allianz komt er op neer dat de vordering van [naam eiser 1] is verjaard. Daartoe voert Allianz het volgende aan. [naam eiser 1] heeft op 27 december 2012 een beroep gedaan op de inboedel- en opstalverzekering (hierna: de verzekeringen). Nadien is door [naam eiser 1] op 30 december 2015 een stuitingsbrief verstuurd. Dat is te laat omdat op dat moment reeds drie jaar is verstreken sinds het moment dat [naam eiser 1] bekend is geworden met de opeisbaarheid van zijn rechtsvordering tegen Allianz. In de brieven die [naam eiser 1] in de tussenliggende periode heeft verstuurd, is (onder meer) de wettelijke rente aangezegd. In deze brieven wordt de verjaring echter niet gestuit. Om die reden kunnen de brieven niet aangemerkt worden als stuitingshandelingen.

4.2.

Bij de beoordeling van dit verweer stelt de rechtbank het volgende voorop. Op grond van artikel 7:942 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) verjaart een rechtsvordering tegen de verzekeraar tot het doen van een uitkering door verloop van drie jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de tot uitkering gerechtigde met de opeisbaarheid daarvan bekend is geworden. Ingevolge artikel 7:942 lid 2 BW wordt de verjaring evenwel gestuit door een schriftelijke mededeling, waarbij op uitkering aanspraak wordt gemaakt. Een nieuwe verjaringstermijn van drie jaren begint te lopen met de aanvang van de dag, volgende op die waarop de verzekeraar hetzij de aanspraak erkent, hetzij ondubbelzinnig heeft medegedeeld de aanspraak af te wijzen.

4.3.

[naam eiser 1] heeft op 27 december 2012 een beroep gedaan op (uitkering onder) de verzekeringen. Dit brengt met zich dat de verjaringstermijn op 28 december 2012 is gaan lopen. Vervolgens zegt Allianz per brief van 12 april 2013 de verzekeringen op, waartegen [naam eiser 1] ageert in de brief van 24 april 2013 (zie r.o. 2.16). In dezelfde brief maakt [naam eiser 1] aanspraak op een voorschotbetaling. Daarmee maakt [naam eiser 1] wederom aanspraak op uitkering onder de verzekeringen en stuit hij de verjaring van zijn rechtsvordering. Vervolgens is op 30 december 2015, dus binnen drie jaar, de brief gestuurd die ook Allianz - terecht - als stuitingsbrief aanmerkt. Van verjaring van de vordering van [naam eiser 1] is dan ook geen sprake.

De rechtbank zal de vordering van [naam eiser 1] derhalve inhoudelijk beoordelen.

4.4.

In de kern is tussen partijen in geschil of Allianz gehouden is tot uitkering van de inboedel- en opstalschade van [naam eiser 1] als gevolg van de brand op 26 december 2012. Allianz betwist tot uitkering gehouden te zijn en heeft daartoe een aantal verweren gevoerd. Deze verweren worden hierna beoordeeld.

Mededelingsplicht

4.5.

Allianz heeft onder meer aangevoerd dat [naam eiser 1] bij de aanvraag van de verzekeringen zijn mededelingsplicht heeft geschonden door geen melding te maken van het feit dat hij met politie en justitie in aanraking is geweest in de jaren voorafgaand aan de verzekeringsaanvragen. Bij de aanvraag van de inboedelverzekering in 2005 heeft [naam eiser 1] nagelaten Allianz te informeren over een kwestie met een gestelde pleegdatum van 17 april 2000 waarin sprake zou zijn geweest van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Daarnaast heeft [naam eiser 1] bij het aangaan van beide verzekeringen geen melding gemaakt van een overtreding op 18 juni 2001 terwijl hem hier uitdrukkelijk naar gevraagd is door Allianz.

4.6.

[naam eiser 1] ontkent bij de aanvraag van de verzekeringen zijn mededelingsplicht te hebben geschonden. De kwestie die in 2000 speelde, hield verband met een hennepkwekerij die was aangetroffen in de buurt van de standplaats van [naam eiser 1] waarbij [naam eiser 1] als verdachte werd aangemerkt. [naam eiser 1] heeft dit gemeld bij zijn tussenpersoon. De tussenpersoon vond het echter niet belangrijk om er melding van te maken bij Allianz. Bovendien is het Openbaar Ministerie wegens gebrek aan bewijs niet-ontvankelijk verklaard. Het sepot uit 2001 zag op een snelheidsovertreding. Dat is echter niet het justitiële contact waar Allianz in de aanvraagformulieren op doelt. De tussenpersoon heeft de aanvraagformulieren dan ook naar waarheid en volledig juist ingevuld. Het risico van een eventuele onjuistheid komt voor rekening van Allianz omdat Allianz de tussenpersoon nooit heeft gevraagd naar de juistheid van de ingevulde formulieren terwijl Allianz wist dat de tussenpersoon de formulieren invulde en zonder handtekening van [naam eiser 1] aan Allianz retour stuurde.

Toepasselijk recht

4.7.

Voordat zal worden beoordeeld of [naam eiser 1] bij de aanvraag van de verzekeringen zijn mededelingsplicht heeft geschonden, zal de rechtbank de vraag beantwoorden op grond van welke wettelijke bepalingen deze beoordeling moet plaatsvinden als het gaat om de inboedelverzekering. Deze verzekering is immers in 2005 afgesloten op grond van een aanvraag in dat jaar. Het huidige verzekeringsrecht was toen nog niet van kracht.

Op verzekeringen die zijn gesloten vóór inwerkingtreding van artikel 7:929 en 7:930 BW op 1 januari 2006 is, ingevolge artikel 221 lid 2 Overgangswet nieuw BW, in beginsel artikel 251 Wetboek van Koophandel (hierna: K) van toepassing. Uit artikel 221 lid 2 Overgangswet nieuw BW volgt echter ook dat artikel 251 K alleen dan van toepassing is als de verzekeraar zich tegenover de verzekerde binnen een jaar na 1 januari 2006 erop beroept dat aan de mededelingsplicht van artikel 251 K niet is voldaan. Allianz heeft zich pas beroepen op schending van de mededelingsplicht bij het sluiten van de verzekering nadat de brand in 2012 is ontstaan en [naam eiser 1] een beroep op de verzekeringen heeft gedaan. Hoewel de inboedelverzekering in 2005 en daarmee voor 1 januari 2006 is afgesloten, brengt het voorgaande met zich dat de beoordeling of [naam eiser 1] bij het sluiten van de inboedelverzekering zijn mededelingsplicht heeft geschonden, dient plaats te vinden op grond van de thans geldende bepalingen uit het BW.

4.8.

Bij de beoordeling of [naam eiser 1] bij de aanvraag van de verzekeringen zijn mededelingsplicht heeft geschonden, stelt de rechtbank het bepaalde in artikel 7:928 BW voorop. Artikel 7:928 lid 1 BW bepaalt dat de verzekeringnemer verplicht is vóór het sluiten van de overeenkomst aan de verzekeraar alle feiten mede te delen die hij kent of behoort te kennen, en waarvan, naar hij weet of behoort te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar afhangt of in redelijkheid kan afhangen of, en zo ja, op welke voorwaarden, hij de verzekering zal willen sluiten. Op grond van artikel 7:928 lid 5 BW is de verzekeringnemer slechts verplicht feiten mede te delen omtrent zijn strafrechtelijk verleden of omtrent dat van derden, voor zover zij zijn voorgevallen binnen de acht jaren die aan het sluiten van de verzekering vooraf zijn gegaan en voor zover de verzekeraar omtrent dat verleden uitdrukkelijk een vraag heeft gesteld in niet voor misverstand vatbare termen.

4.9.

Allianz heeft bij de aanvraag van de inboedelverzekering in 2005 de vraag gesteld of [naam eiser 1] of een andere belanghebbende bij de verzekering, in de laatste acht jaar in aanraking is geweest met politie of justitie. Nu vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag sprake was van een aangetroffen hennepkwekerij waarbij [naam eiser 1] als verdachte is aangemerkt, had de vraag op het aanvraagformulier bevestigend beantwoord moeten worden. Dat het Openbaar Ministerie, nadat [naam eiser 1] kennelijk is vervolgd, niet-ontvankelijk is verklaard en [naam eiser 1] niet is veroordeeld maakt dit niet anders. Allianz heeft immers gevraagd naar aanraking met politie of justitie. Verder komen de omstandigheden dat een tussenpersoon het aanvraagformulier heeft ingevuld en dat die tussenpersoon het niet van belang vond om de kwestie uit 2000 aan Allianz te melden, voor rekening van [naam eiser 1] . De verantwoordelijkheid voor het juist invullen van het aanvraagformulier rust, als contractspartij van Allianz, op [naam eiser 1] . Het inschakelen van een tussenpersoon doet daar niet aan af. Het lag om dezelfde reden niet op de weg van Allianz om de juistheid van de op het aanvraagformulier ingevulde antwoorden te verifiëren. Ook het ontbreken van een handtekening doet niet ter zake, [naam eiser 1] had de tussenpersoon kennelijk verzocht om het formulier namens [naam eiser 1] in te dienen. Indien de tussenpersoon fouten heeft gemaakt kan hij de tussenpersoon daarvoor aanspreken, niet Allianz.

4.10.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [naam eiser 1] bij de aanvraag van de inboedelverzekering zijn mededelingsplicht heeft geschonden waar het de juiste beantwoording van de door Allianz gestelde vraag over zijn strafrechtelijk verleden betreft.

4.11.

Thans is de vraag aan de orde wat de gevolgen zijn van de schending van de mededelingsplicht. Ingevolge artikel 7:930 lid 4 BW is geen uitkering verschuldigd indien de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering zou hebben gesloten. Op grond van artikel 7:930 lid 5 BW is evenmin uitkering verschuldigd als de verzekeringnemer heeft gehandeld met het opzet de verzekeraar te misleiden.

4.12.

Allianz heeft aangevoerd dat conform haar acceptatiebeleid een verzekeringsaanvraag van iemand die met hennepkweek in aanraking is geweest in de acht jaren voorafgaand aan de verzekeringsaanvraag, niet wordt geaccepteerd. Bij kennis van de ware stand van zaken, zou Allianz de inboedelverzekering niet hebben gesloten. Bovendien volgt uit het in strijd met de waarheid beantwoorden van de vraag naar aanraking met politie of justitie, het opzet tot misleiden. [naam eiser 1] heeft deze stellingen niet betwist, zodat de rechtbank van de juistheid daarvan zal uitgaan. Dit leidt tot het oordeel dat Allianz ingevolge artikel 7:928 lid 1 en 5 BW en 7:930 lid 4 en 5 BW op goede gronden heeft geweigerd tot uitkering van de schade onder de inboedelverzekering over te gaan.

De opstalverzekering

4.13.

Volgens Allianz is zij evenmin gehouden tot uitkering van de schade onder de opstalverzekering omdat [naam eiser 1] bij de aanvraag van deze verzekering zijn mededelingsplicht eveneens heeft geschonden.

4.14.

De rechtbank verwerpt dit verweer van Allianz en overweegt daartoe als volgt.

De opstalverzekering is gesloten op 7 juli 2009. Bij de aanvraag daarvan was [naam eiser 1] dan ook niet verplicht te melden dat hij in 2000 in aanraking is geweest met politie en justitie als gevolg van een aangetroffen hennepkwekerij waarbij hij als verdachte is aangemerkt. Op het moment van het sluiten van de opstalverzekering was dit immers langer dan acht jaar geleden. Het sepot in relatie tot een overtreding op 18 juni 2001 had [naam eiser 1] evenmin hoeven melden. Blijkens het aanvraagformulier voor deze verzekering (zie r.o. 2.5) heeft Allianz niet naar een dergelijk contact met politie of justitie gevraagd.

Risicowijziging

4.15.

Allianz heeft voorts als verweer aangevoerd dat zij niet gehouden is tot uitkering onder de opstalverzekering omdat [naam eiser 1] in strijd met de polisvoorwaarden de wijziging van de bestemming en het risico van de opstal niet heeft gemeld. Allianz baseert zich daarbij op de bevindingen van Gorissen en Van der Zande die blijken uit het rapport van 11 januari 2013 en het aanvullend rapport van 27 februari 2013 (zie r.o. 2.12 en 2.13).

Gelet op de definitie van het begrip woonhuis in artikel 1.2 van de polisvoorwaarden maakte de schuur die was verbonden met de woonwagen volgens Allianz naar verkeersopvatting deel uit van de woonwagen, althans betrof het een bouwsel dat naar haar aard/inrichting bestemd was om duurzaam ter plaatse te blijven. Op het moment dat de hennepkwekerij in de schuur werd gevestigd, wijzigde de bestemming van de schuur van huishoudelijk gebruik naar zakelijk c.q. bedrijfsmatig gebruik en werd het risico als gevolg van de bestemmingswijziging aanmerkelijk vergroot. [naam eiser 1] had conform artikel 7.2.1 van de polisvoorwaarden bij Allianz melding moeten maken van de risicowijziging. Door dit niet te doen heeft [naam eiser 1] in strijd met de polisvoorwaarden gehandeld met als gevolg dat op grond van artikel 7.6 van de polisvoorwaarden elk recht op schadevergoeding vervalt. Indien Allianz op de hoogte was geweest van het gewijzigde risico, zou zij de verzekeringsovereenkomst met [naam eiser 1] niet hebben voortgezet omdat het bedrijfsmatige gebruik van (een deel van) de woonwagen voor een hennepkwekerij, althans de bij de woonwagen behorende opstal, een onacceptabel risico betreft.

4.16.

[naam eiser 1] stelt zich op het standpunt niet in strijd met de polisvoorwaarden te hebben gehandeld. De op 19 april 2012 aangetroffen hennepkwekerij bevond zich niet op het (door [naam eiser 1] gehuurde) terrein of in de woonwagen van [naam eiser 1] maar in een schuur op een perceel dat eigendom is van de gemeente Deventer. De schuur is door de gemeente gebouwd zonder enige materiële verbinding naar standplaatsen. In de schuur bevonden zich geen eigendommen van [naam eiser 1] en de schuur is nimmer in eigendom van [naam eiser 1] geweest of door hem gehuurd. De schuur maakt geen onderdeel uit van de woonwagen.

Bovendien is de schuur door [naam eiser 1] niet meeverzekerd onder de opstalverzekering. Nu een bestemmingswijziging slechts kan plaatsvinden ten aanzien van het object waarop de verzekeringsovereenkomst ziet, heeft de hennepkwekerij in de schuur (waarmee [naam eiser 1] niets van doen had) geen wijziging van de bestemming van de woonwagen tot gevolg gehad. Evenmin is de woonwagen anders gebruikt dan partijen in de verzekeringsovereenkomst zijn overeengekomen. Van risicowijziging van de verzekerde opstal is dan ook geen sprake. Daar komt bij dat [naam eiser 1] weliswaar tegenover de onderzoeker van Gorissen & Van der Zande heeft verklaard dat er in de gemeentelijke schuur nabij zijn standplaats een hennepkwekerij is ontmanteld, maar [naam eiser 1] is nimmer geconfronteerd met een ontnemingsvordering, een fiscale boete en/of naheffingsaanslag. Tevens heeft de gemeente [naam eiser 1] niet op zijn uitkering gekort of reeds uitgekeerde bedragen teruggevorderd.

4.17.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.17.1.

Voordat wordt toegekomen aan de vraag of hier sprake is van een bestemmingswijziging moet eerst worden bezien of de schuur in kwestie een verzekerd object is. Voor de vraag welke objecten onder de polis vallen, komt het aan op Haviltex-uitleg.

[naam eiser 1] heeft gesteld dat de betreffende schuur geen deel uitmaakte van het object dat hij wenste te verzekeren, zijn woonwagen als woonhuis. Het aanvraagformulier zoals dat is ingevuld geeft ook geen aanleiding voor de gedachte dat hij die schuur wel mee wilde verzekeren. Allianz heeft, na insturen van dat formulier, geen verdere vragen ter verheldering gesteld. Aan (de tussenpersoon van) [naam eiser 1] is een polis gestuurd waarop [naam eiser 1] niet anders heeft gereageerd dan door betaling van de premie. Het polisblad vermeldt onder de beschrijving van het verzekerde woonhuis (zie 2.6) niets dat geacht kan worden betrekking te hebben op de schuur. Ook de polisvoorwaarden en clausules bieden daarvoor geen aanknopingspunt. Er is weliswaar sprake van “bouwsels” (clausule 10), waarvoor een beperkte dekking bestaat, maar slechts voor zover behorende tot het woonhuis. Het komt dus aan op de vraag hoe de definitie van het begrip woonhuis in art. 1.2 moet worden uitgelegd. Daarbij moet de definitie een gebouw met inbegrip van al wat volgens verkeersopvatting daarvan deel uitmaakt en van alle bouwsels, die naar hun aard en inrichting bestemd zijn om duurzaam ter plaatse te blijven, mits een en ander uitsluitend tot huishoudelijk gebruik dient als één geheel worden gelezen.

4.17.2.

Allianz baseert zich op de omschrijving van de situatie zoals Gorissen & Van der Zande die aantrof. In het aanvullende rapport van Gorissen & Van der Zande van 27 februari 2013 wordt gesproken van een “bijbouw” waarin de hennepkwekerij is aangetroffen. Zij doelt dan op de passage:

“Tussen de woonwagen en een daarachter staande blokhut is een smalle afsluitbare deur die via een gangetje toegang geeft tot een rommelhok. De toegang tot dat rommelhok is alleen afsluitbaar middels een houten blinde dikke plaat die daar in oorsprong voor de deuropening was geschroefd. Vanuit dat rommelhok is de kweekruimte te betreden. De bewuste schuur grenst ook aan een binnenplaatsje dat volledig omgeven wordt door bebouwing en vanuit de keuken van de woonwagen is te bereiken.”

4.17.3.

Tegenover de niet behoorlijk betwiste en daarmee vaststaande stellingen van [naam eiser 1] dat de schuur op gemeentegrond stond, aan de gemeente toebehoorde en niet door [naam eiser 1] werd gehuurd is deze beschrijving – waaruit niet blijkt van een daadwerkelijke bouwkundige eenheid of verbinding tussen de schuur en de verzekerde woonwagen – onvoldoende onderbouwing van de stelling van Allianz. De omstandigheid dat de schuur/kweekruimte te betreden dan wel te bereiken was vanuit de keuken dan wel een rommelhok volstaat niet voor het oordeel dat deze naar verkeersopvattingen tot het verzekerde woonhuis behoorde. Dat de schuur bestemd was om duurzaam ter plaatse te blijven is, gelet op die vaststaande feiten, evenmin voldoende. Daarbij komt dat aan de omschrijving een voorwaarde is toegevoegd, mits een en ander tot huishoudelijk gebruik dient, waarvan Allianz zelf stelt dat deze niet is vervuld. [naam eiser 1] behoefde als verzekeringnemer ook geen rekening te houden met de mogelijkheid dat een schuur van de gemeente, op gemeentegrond, die hij niet huurde en die niet verbonden was met zijn woonwagen en waarbij hij dus geen te verzekeren belang had door Allianz beschouwd zou worden als deel uitmakend van het woonhuis dat hij wilde verzekeren dan wel had verzekerd.

Van een andere, voldoende duidelijke, onderbouwing door Allianz van haar stellingen op dit punt is geen sprake.

4.17.4.

De schuur behoorde dus niet tot de verzekerde objecten en een eventuele bestemmingswijziging, wat daarvan zij, doet niet ter zake.

4.18.

Dat brand een verzekerd gevaar was staat vast. Andere dekkingsverweren zijn niet (voldoende duidelijk) gevoerd. Wat hiervoor is overwogen brengt met zich dat Allianz gehouden is dekking te verlenen onder de opstalverzekering en dat voor recht zal worden verklaard dat [naam eiser 1] ten aanzien van de opstalverzekering terecht bij Allianz aanspraak heeft gemaakt op de vergoeding van de door hem geleden schade na de brand op 26 december 2012 en dat Allianz gehouden is om de schade die gedekt is onder de opstalverzekering aan [naam eiser 1] te vergoeden.

De schade

4.19.

[naam eiser 1] heeft gevorderd Allianz te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 110.000,00, althans de zaak te verwijzen naar een schadestaatprocedure. In artikel 9 van de polisvoorwaarden is echter bepaald op welke wijze de schade wordt vastgesteld. Allianz heeft zich op deze bepaling beroepen. Nu [naam eiser 1] zich bij conclusie van repliek heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank op dit punt, zal de rechtbank Allianz veroordelen tot vaststelling van de schade zoals voorzien in artikel 9 van de polisvoorwaarden.

Buitengerechtelijke kosten

4.20.

[naam eiser 1] vordert Allianz te veroordelen tot betaling van € 750,00 aan buitengerechtelijke kosten. Volgens [naam eiser 1] volgt uit de bij de gedingstukken gevoegde producties dat er relatief veel werkzaamheden zijn verricht over een langere periode, die betaling van buitengerechtelijke kosten rechtvaardigen.

Door Allianz wordt de verschuldigdheid van buitengerechtelijke kosten betwist omdat de onderbouwing ervan ontbreekt en omdat de kosten moeten worden gezien als kosten ter instructie van het geding.

4.21.

De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Voorts is voor de verschuldigdheid van de vergoeding voor buitengerechtelijke kosten niet relevant welke incassohandelingen de schuldeiser heeft verricht (ECLI:NL:HR:2014:1405). Enkele brieven zijn derhalve in beginsel voldoende. Nu vaststaat dat [naam eiser 1] in elk geval per brief van 24 april 2013 en 30 december 2015 aanspraak heeft maakt op dekking onder de verzekeringen, is dat voldoende om buitengerechtelijke kosten toe te wijzen. Het gevorderde bedrag van € 750,00 is in overeenstemming met het Besluit, zodat dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente van de dag van de dagvaarding, zal worden toegewezen.

Proceskosten

4.22.

De vorderingen van [naam eiser 1] worden deels toegewezen. Hierin ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te compenseren op de hierna te vermelden wijze.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat [naam eiser 1] ten aanzien van de opstalverzekering terecht bij Allianz aanspraak heeft gemaakt op de vergoeding van de door hem geleden schade na de brand op 26 december 2012 en dat Allianz gehouden is om de schade die gedekt is onder de opstalverzekering aan [naam eiser 1] te vergoeden,

5.2.

veroordeelt Allianz tot vaststelling van de schade zoals voorzien in artikel 9 van de Bijzondere voorwaarden Woonhuisverzekering WHS071,

5.3.

veroordeelt Allianz om aan [naam eiser 1] te betalen een bedrag van € 750,00, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 24 oktober 2019 tot de dag van volledige betaling,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2021.

3078/106