Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:2703

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-03-2021
Datum publicatie
29-03-2021
Zaaknummer
10/810339-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van verkrachting nu geen sprake is van seksueel binnendringen. Bewezenverklaring van aanranding. De verdachte heeft tijdens het uitgaan het, destijds zeventienjarige, slachtoffer aangerand door in de toiletruimte van de uitgaansgelegenheid ontuchtige handelingen te verrichten bij het slachtoffer. Taakstrafverbod is van toepassing. Veroordeling tot een gevangenisstraf van 7 dagen en een taakstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/810339-19

Datum uitspraak: 23 maart 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte],

raadsman mr. R.F. Nelisse, advocaat te Schiedam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 10 maart 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie, mr. J.A. Castelein, heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunt officier van justitie t.a.v. primair ten laste gelegde

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan verkrachting.

De verklaring van de aangeefster houdt onder andere in dat de verdachte - tegen haar wil - met zijn vingers in haar vagina is geweest. Deze verklaring is betrouwbaar, nu zij gedetailleerd en consistent heeft verklaard. Bovendien komt haar verklaring overeen met hetgeen de getuigen hebben verklaard, namelijk dat de aangeefster haar verhaal over de verkrachting direct ter plaatse heeft verteld. Hier komt bij dat zij zichtbaar geëmotioneerd was, hetgeen ook de verbalisanten hebben waargenomen die vlak na het incident ter plaatse waren. Voorts heeft de aangeefster geen enkele reden om dit verhaal te verzinnen.

De verklaring van de aangeefster vindt voldoende steun in andere bewijsmiddelen in het dossier. Zo heeft de verdachte verklaard dat hij inderdaad met de aangeefster in het toilet heeft gestaan en met zijn hand in haar broek is gegaan, zij het aan de achterzijde. Voorts bevinden zich in het dossier de beschrijving van de camerabeelden, waarop de ingang van de toiletten is te zien, en daarbij de stills van deze camerabeelden. Hieruit blijkt dat de aangeefster als eerste naar het toilet gaat. Vervolgens komt zij uit het damestoilet en loopt richting het herentoilet. De verdachte slaat dan zijn arm om de aangeefster heen en verdwijnt met haar uit beeld in het herentoilet. Vlak daarna verlaat de aangeefster het herentoilet waarna de verdachte volgt. Deze gang van zaken past precies bij de verklaring die de aangeefster heeft afgelegd. Ook de bij de aangeefster waargenomen emoties bieden steun voor haar verklaring. Tot slot heeft het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) onderzoek verricht naar biologische sporen en DNA. Uit dit onderzoek kan geconcludeerd worden dat op de tailleband aan de voorzijde (binnenzijde) van de onderbroek van de aangeefster, DNA is aangetroffen van de verdachte. De verdachte heeft hier geen enkele verklaring voor gegeven, in tegenstelling tot de aangeefster.

4.2.

Standpunt verdediging t.a.v. subsidiair ten laste gelegde

De raadsman heeft vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Hiertoe is – kort gezegd – het volgende aangevoerd.

Uit de beschrijving van de camerabeelden blijkt geen enkele vorm van dwang en ook niet van verzet. De enkele stelling dat de verdachte aan het jasje van de aangeefster heeft getrokken en haar naar zich toe heeft getrokken is hiervoor onvoldoende.

Ten aanzien van de tongzoen geldt dat dit een wederkerige actie betrof, waarbij het bovendien de vraag is of de aangeefster met haar tong in de mond van de verdachte is gegaan, of andersom.

Dat de verdachte met zijn vingers in de vagina van aangeefster zou zijn geweest of deze zou hebben betast, wordt door hem met klem ontkend en is ook ongeloofwaardig, gelet op het ontbreken van DNA materiaal van de verdachte in de vagina, het zeer korte tijdsbestek waarin dat zou moeten hebben plaatsgevonden in combinatie met de strakke broek van de aangeefster. Dat op de tailleband aan de voorzijde (binnenzijde) van de onderbroek van de aangeefster, DNA van de verdachte is aangetroffen, kan worden verklaard. De verdachte heeft immers erkend dat hij met zijn handen in de achterkant van de broek van de aangeefster is gegaan. Bij het uittrekken van de onderbroek kan de tailleband aan de achterzijde van de onderbroek, de tailleband aan de voorzijde hebben geraakt, waardoor het DNA van de verdachte op de voorzijde van de tailleband terecht is gekomen. De verdediging plaatst vraagtekens bij de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster.

4.3.

Beoordeling

Vaststaande feiten

Vaststaat dat de verdachte op 25 mei 2019 in [naam café] te [plaatsnaam] met de aangeefster in de gemeenschappelijke ruimte van de dames- en herentoiletten heeft gestaan. De verdachte heeft de aangeefster naar zich toe getrokken door aan haar jasje te trekken en heeft vervolgens met haar getongzoend. Met betrekking tot de vraag of de verdachte met zijn tong in de mond van de aangeefster is geweest en met betrekking tot hetgeen na de tongzoen is voorgevallen, lopen de verklaringen van de aangeefster en de verdachte uiteen.

Verkrachting

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of sprake is geweest van seksueel binnendringen van het lichaam van de aangeefster door de verdachte zoals bedoeld in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

De aangeefster heeft verklaard dat zij voelde dat de verdachte met twee vingers in haar vagina ging en voelde deze in haar vagina bewegen. Zij denkt dat het 10 à 20 seconden heeft geduurd. Tegenover de verklaring van aangeefster staat de stellige ontkenning van de verdachte.

Uit het hiervoor vermelde NFI-onderzoek is gebleken dat op de voorzijde (binnenzijde) van de onderbroek van de aangeefster, DNA van de verdachte is aangetroffen. Ook van de (buitenste en binnenste) schaamlippen en de binnenkant van de vagina van de aangeefster zijn monsters genomen. Daaruit blijkt dat dit onderzoeksmateriaal enkel het DNA van de aangeefster bevat. Voor het seksueel binnendringen van de vagina is derhalve geen objectieve steun te vinden in de onderzoeksresultaten van het NFI. De geconstateerde emotie van de aangeefster direct na het voorval kan evengoed een gevolg zijn geweest van de andere handelingen en biedt derhalve ook geen steun voor dit specifieke onderdeel van de aangifte.

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat voor een bewezenverklaring van de verkrachting. De rechtbank is met de verdediging eens dat de verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken.

Aanranding

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan aanranding van de aangeefster. De verdachte heeft bekend dat hij de aangeefster aan haar jasje naar zich toe heeft getrokken en met haar heeft getongzoend. De verdachte heeft op de terechtzitting in eerste instantie verklaard dat de aangeefster op hem af is gestapt en haar tong in zijn mond heeft gedaan, maar na doorvragen door de rechtbank heeft de verdachte verklaard niet zeker te weten of hij met zijn tong in haar mond is geweest. De rechtbank gaat op dit punt uit van de verklaring van de aangeefster en acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte onverhoeds met zijn tong in de mond van de aangeefster is gegaan. Voorts acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zijn hand aan de voorzijde in de onderbroek van de aangeefster heeft gedaan en daarmee haar vagina heeft betast. Hiervoor is het resultaat van het DNA-onderzoek van belang, inhoudende dat het DNA van de verdachte op de voorzijde (binnenzijde) van de onderbroek van de aangeefster is aangetroffen. De verklaring die de verdediging voor deze aanwezigheid heeft gegeven, acht de rechtbank, in het licht van de verklaring van de aangeefster, niet aannemelijk.

Op grond van de verklaring van aangeefster, in combinatie met hetgeen de verdachte heeft erkend over het naar zich toe trekken in de kleine en besloten ruimte van het herentoilet en het feit dat aangeefster direct en hevig geëmotioneerd heeft verklaard, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte aangeefster heeft gedwongen tot het dulden van deze handelingen.

4.4.

Conclusie

Het primair ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. Het subsidiair ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.

4.5.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 25 mei 2019 te Maassluis,

door een andere feitelijkheid [naam slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, een en ander hierin bestaande, dat verdachte onverwachts

- zijn mond tegen de mond van die [naam slachtoffer] heeft gebracht, en

- zijn tong in de mond van die [naam slachtoffer] heeft gebracht, en

- zijn hand in de onderbroek van die [naam slachtoffer] heeft gedaan, en

- de vagina van die [naam slachtoffer] heeft betast.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op: feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straffen

7.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straffen zijn gebaseerd

De verdachte heeft tijdens het uitgaan het, destijds zeventienjarige, slachtoffer aangerand door in de toiletruimte van de uitgaansgelegenheid ontuchtige handelingen te verrichten bij het slachtoffer. De verdachte heeft daarmee inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer en heeft het zelfbeschikkingsrecht op haar eigen lichaam geschonden. Als gevolg van dit handelen is het slachtoffer angstig geworden om bij anderen naar het toilet te gaan en heeft zij moeite met het vertrouwen van mensen in haar leven, zo blijkt uit haar schriftelijke slachtofferverklaring.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

12 februari 2021, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportage

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 9 oktober 2020. Dit rapport houdt onder andere in dat de reclassering het recidiverisico als laag inschat en dat geen reden wordt gezien voor een verplicht reclasseringscontact en/of daderbehandeling.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Nu de verdachte zal worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde verkrachting, is een substantieel lagere straf dan door de officier van justitie geëist, op zijn plaats.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met het feit dat naar het oordeel van de rechtbank het taakstrafverbod van toepassing is, nu op het bewezenverklaarde feit een gevangenisstraf van acht jaar is gesteld en dit feit een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad. De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de omstandigheid dat de verdachte ter terechtzitting oprecht geëmotioneerd zijn spijt heeft betuigd. Een voorwaardelijke strafmodaliteit is naar het oordeel van de rechtbank niet opportuun, nu de reclassering het recidiverisico als laag inschat.

Alles afwegend acht de rechtbank een taakstraf voor de maximale duur in combinatie met een relatief korte gevangenisstraf passend en geboden.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 22c, 22d en 246 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 . Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) dagen;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdenveertig) uren, waarbij Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderden twintig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P. Putters, voorzitter,

en mrs. A.A. Kalk en C. Laukens, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. Lobs-Tanzarella, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

primair

hij op omstreeks 25 mei 2019 te Maassluis, althans in Nederland,

door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [naam slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het

- brengen/duwen van zijn, verdachtes, mond tegen de mond van die [naam slachtoffer], en/of

- brengen/duwen van zijn, verdachtes, tong in de mond van die [naam slachtoffer], en/of

- brengen van zijn, verdachtes, hand in de onderbroek van die [naam slachtoffer], en/of

- betasten van de vagina van die [naam slachtoffer], en/of

- duwen/brengen van een of meer van zijn, verdachtes, vingers in de vagina van die [naam slachtoffer]

het geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met geweld en/of de bedreiging met (een) ander feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben bestaan uit

- het (aan haar jasje) vastpakken en/of naar zich toetrekken van die [naam slachtoffer] en/of

(terwijl verdachte die [naam slachtoffer] (aan haar jasje) vasthield)

- het (onverhoeds) brengen/duwen van zijn, verdachtes, mond tegen de mond van die [naam slachtoffer], en/of

- het (onverhoeds) brengen/duwen van zijn, verdachtes, tong in de mond van die [naam slachtoffer], en/of

- het (onverhoeds) brengen van zijn, verdachtes, hand in de onderbroek van die [naam slachtoffer], en/of

- het (onverhoeds)betasten van de vagina van die [naam slachtoffer], en/of

- het (onverhoeds)duwen/brengen van een of meer van zijn, verdachtes, vingers in de vagina van die [naam slachtoffer] en/of

- het voorbij gaan aan de verbale en/of non-verbale protesten van [naam slachtoffer];

subsidiair

hij op of omstreeks 25 mei 2019 te Maassluis, althans in Nederland,

door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [naam slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, een en ander hierin bestaande, dat verdachte onverwachts en/of ondanks het door die [naam slachtoffer] verbaal en/of lichamelijk gepleegde verzet

- zijn mond tegen de mond van die [naam slachtoffer] heeft geduwd/gebracht, en/of

- zijn tong in de mond van die [naam slachtoffer] heeft geduwd/gebracht, en/of

- zijn hand in de onderbroek van die [naam slachtoffer] heeft gedaan, en/of

- de vagina van die [naam slachtoffer] heeft betast.