Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:2697

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-03-2021
Datum publicatie
29-03-2021
Zaaknummer
10/242936-19; 10/188946-20 (gev. ttz.)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak toebrengen zwaar lichamelijk letsel en poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel. Veroordeling voor twee mishandelingen en poging afpersing. Beroep noodweer verworpen. Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 114 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden van verplicht reclasseringscontact, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang en andere voorwaarden het gedrag betreffende. Geen contact- en locatieverbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummers: 10/242936-19; 10/188946-20 (gev. ttz.)

Datum uitspraak: 19 maart 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] te ( [postcode verdachte] ) [woonplaats verdachte] ,

verblijvende op het adres:

[verblijfadres verdachte] , [postcode] te [verblijfplaats verdachte] ,

raadsman mr. H.J. Ruysendaal, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 5 maart 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen onder de parketnummers 10/242936-19 en 10/188946-20. De teksten van de tenlasteleggingen zijn als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie, mr. W.L. van Prooijen, heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van de onder parketnummer 10/188946-20 feit 1 primair (toebrengen zwaar lichamelijk letsel) en feit 1 subsidiair (poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel) ten laste gelegde feiten;

  • -

    bewezenverklaring van de onder parketnummer 10/188946-20 feit 1 meer subsidiair (mishandeling) en feit 2 (mishandeling) ten laste gelegde feiten en het onder parketnummer 10/242936-19 primair ten laste gelegde feit (poging tot afpersing);

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 114 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals deze in het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 17 februari 2021 vermeld staan.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak zonder nadere motivering ten aanzien van parketnummer 10/188946-20 feit 1 primair en feit 1 subsidiair

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 10/188946-20 feit 1 primair en feit 1 subsidiair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2.

Bewijswaardering ten aanzien van parketnummer 10/188946-20 feit 1 meer subsidiair (mishandeling [naam slachtoffer 1] ) en feit 2 (mishandeling [naam slachtoffer 2] )

4.2.1.

Standpunt verdediging

Ten aanzien van feit 1 heeft de verdediging opgemerkt dat er twijfels zijn of de verdachte het letsel daadwerkelijk heeft veroorzaakt, nu aangever [naam slachtoffer 1] met dergelijk letsel (waaronder een gebroken neus) geen vordering tot schadevergoeding heeft ingediend.

De verdediging stelt zich ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit op het standpunt dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hem een geslaagd beroep op noodweer toekomt. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte zich geconfronteerd zag met het onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Een van de personen die de deur opende, zwaaide met een mes naar de verdachte. Een ander schopte de verdachte, waarop de verdachte hem uit zelfverdediging van de trap trok.

4.2.2.

Beoordeling bewijs en beroep op noodweer

Uit het dossier en uit hetgeen op de zitting is besproken volgt dat de verdachte in de nacht van 26 januari 2020 namens [naam pizza-bezorgdienst] ( [naam pizza-bezorgdienst] ) pizza’s heeft bezorgd bij een woning te Rotterdam. Nadat de ontvangers bij de baliemedewerker van de pizzeria een klacht indienden over de bestelling, keerde de verdachte terug naar de woning.

Ter terechtzitting is door de verdachte verklaard dat bij terugkomst naar de woning de aanwezigen zich agressief zouden hebben gedragen. Een van hen zou met een mes hebben gezwaaid. Een ander zou de verdachte hebben geschopt, waarna de verdachte deze persoon van de trap zou hebben getrokken.

Aan de verdachte komt een beroep op noodweer toe indien aannemelijk is geworden dat het handelen van de verdachte was geboden door de noodzakelijke verdediging van verdachtes of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waar onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zodanige aanranding.

De rechtbank overweegt het volgende. Uit het dossier blijkt dat na de aflevering van de bestelde pizza’s (waarvan de saus was gaan lekken) door de verdachte een woordenwisseling ontstond tussen de latere aangevers en de baliemedewerker van [naam pizza-bezorgdienst] over de afwikkeling van de klacht. Daarbij zou ook door de verdachte het een en ander geroepen zijn. De verdachte is toen teruggegaan naar het adres van aangevers en heeft daar – zo verklaren aangevers – op de deur van de woning gebonkt. De verdachte heeft verklaard dat bij het openen van de deur gelijk iemand met een mes heeft gezwaaid.

Aangevers verklaren eensluidend dat daarvan geen sprake is geweest, integendeel zij kregen direct klappen met een hard voorwerp.

Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat de aangevers de verdachte direct na terugkomst hebben aangevallen met een mes. Hoewel uit de verklaringen en de 112-meldingen blijkt dat de emoties bij de aangevers hoog waren opgelopen en zich vrij agressief uitten, blijkt niet dat een situatie is ontstaan die het toegepaste geweld door de verdachte heeft gerechtvaardigd. Van een situatie waarbij noodweer geboden zou zijn geweest is niet gebleken, de mogelijke verbale agressie van aangevers zijde is daarvoor onvoldoende. Daarom is onvoldoende aannemelijk geworden dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte, of een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor of waartegen de verdachte zich moest verdedigen. Het beroep op noodweer wordt verworpen.

Nu de verdachte niet uit noodweer heeft gehandeld, levert zijn handelen een bewezenverklaring op van mishandeling van aangever [naam slachtoffer 2] en van aangever [naam slachtoffer 1] . Op grond van de beide aangiftes die elkaar onderling ondersteunen en de FARR-verklaringen met de beschrijving van het letsel met betrekking tot beide aangevers kan wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte hen meermalen met een hard voorwerp heeft geslagen. Het letsel dat aangever [naam slachtoffer 1] heeft opgelopen, te weten een gebroken neus en een litteken, is geen zwaar lichamelijk letsel.

4.2.3.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde zoals hierna bewezen zal worden verklaard.

4.3.

Bewijswaardering ten aanzien van parketnummer 10/2429636-19 primair (poging tot afpersing)

4.3.1.

Beoordeling

Op grond van de redengevende feiten en omstandigheden in de bewijsmiddelen komt de rechtbank, net als de officier van justitie en de verdediging, tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. Het is daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot afpersing. Verdachte heeft in de telefoongesprekken met aangever [naam slachtoffer 3] geprobeerd hem geld af te persen, dat was het doel van het schelden en dreigen zoals dat uit de (vertaalde) geluidsopnames blijkt.

4.3.2.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde zoals hierna bewezen verklaard.

4.4.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 10/2429636-19 primair en het onder parketnummer 10/188946-20 feit 1 meer subsidiair en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

Parketnummer 10/242936-19

Primair

hij in de periode van 4 oktober 2019 tot en met 7 oktober 2019 te Maassluis en Vlaardingen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door bedreiging met geweld [naam slachtoffer 3] te dwingen tot afgifte van 30.000,- euro, althans enig geldbedrag, dat aan die [naam slachtoffer 3] toebehoorde, meermalen telefonisch tegen die [naam slachtoffer 3] gezegd dat hij, verdachte,

- 30.000 euro van [naam slachtoffer 3] kreeg en

- naar de woning van die [naam slachtoffer 3] zou komen en

- in het been van die [naam slachtoffer 3] zou schieten en

- die [naam slachtoffer 3] dood zou schieten en

- ' s nachts via het raam naar binnen zou komen en die [naam slachtoffer 3] in zijn been zou schieten en

- nu met [naam persoon] was en dat [naam slachtoffer 3] sowieso gaat betalen en

- zijn lul gaat afsnijden en hem gaat verkrachten en

- alleen nog maar [naam slachtoffer 3] 's leven wilde,

althans woorden van soortgelijke (dreigende) aard of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Parketnummer 10/188946-20

1. meer subsidiair

hij op 26 januari 2020 te Rotterdam [naam slachtoffer 1] heeft mishandeld door met een hard voorwerp eenmaal, in het gezicht van die [naam slachtoffer 1] te slaan,

2.

hij op 26 januari 2020 te Rotterdam [naam slachtoffer 2] heeft mishandeld door met een hard voorwerp, meermalen, op de handen en de rechterknie van die [naam slachtoffer 2] te slaan.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

Ten aanzien van parketnummer 10/242936-19

Primair

poging tot afpersing

Ten aanzien van parketnummer 10/188946-20

Feit 1 meer subsidiair

mishandeling

Feit 2

mishandeling

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straffen zijn gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot afpersing, waarbij hij telefonisch heeft gedreigd het slachtoffer geweld aan te doen als hij geen geldbedrag van € 30.000,- af zou geven. Delicten als deze hebben een grote impact op het slachtoffer zelf en diens directe omgeving. Verdachte en zijn gezin hebben zich als gevolg daarvan niet meer veilig gevoeld in hun eigen huis. Ook in algemene zin veroorzaken dit soort feiten gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.

Tevens heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan twee mishandelingen, beide met fors letsel als gevolg. De verdachte heeft daarbij de aangevers naar aanleiding van klachten over zijn wijze van pizzabezorging meerdere malen geslagen met een hard voorwerp. Ook al hebben aangevers zich mogelijk verbaal niet onbetuigd gelaten, zij hebben niet om dit voor hen onverwachte en heftige geweld gevraagd. De slachtoffers hebben hierdoor verwondingen opgelopen, waaronder een van hen een gebroken neus en een klein litteken in het gelaat. De verdachte heeft met dit feit inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Geweldsfeiten als deze leiden tot gevoelens van onveiligheid en angst in de samenleving. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 16 februari 2021, waaruit blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaar niet is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

Reclassering Nederland heeft met betrekking tot parketnummer 10/242936-19 (poging tot afpersing) een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 17 februari 2021. Dit rapport houdt het volgende in.

Het betreft een 35-jarige verdachte van wie het delictverleden van meerdere jaren geleden bestaat uit een combinatie van vermogens en geweldsdelicten, waarbij de geweldcomponent sterk vertegenwoordigd is. Er is sprake van instabiliteit op alle leefgebieden. Met betrekking tot de delictgerelateerde risicofactoren zien deze vooral op het psychosociaal functioneren van de verdachte. Zo lijkt impulsiviteit, emotie- en agressieregulatie een rol te hebben gespeeld bij de tenlastegelegde feiten. Vermoedelijk is er sprake van onderliggende psychische problematiek. Tevens lijken een financiële drijfveer en zijn houding een rol te hebben gespeeld. Daarnaast is aannemelijk dat zijn problematisch gebruik van cocaïne, alcohol en benzodiazepines invloed heeft op zijn gedrag.

Ambulante behandeling heeft onvoldoende effect gelet op de houding van de verdachte waarbij hij afspraken niet nakomt en zich niet voldoende transparant opstelt. De verdachte geeft wel aan mee te willen werken aan klinische opname en behandeling.

Een positieve factor in het leven van de verdachte is dat hij wordt gesteund door een deel van zijn familie. Tevens heeft hij zich gedurende het schorsingstoezicht grotendeels aan de meldafspraken gehouden en heeft hij zich gehouden aan het contact- en locatieverbod. Geadviseerd wordt om bij veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname), begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een contactverbod, een locatieverbod en gedragsvoorwaarden. Tevens wordt geadviseerd om geen taakstraf of financiële sanctie op te leggen.

De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank zal het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf beperken tot het reeds ondergane voorarrest. Anders dan de verdediging acht de rechtbank – gelet op de ernst van de feiten – een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. De rechtbank zal daarbij de na te melden algemene voorwaarde stellen. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Nu de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Anders dan is geadviseerd, ziet de rechtbank geen aanleiding de verdachte een contact- en locatieverbod op te leggen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. Vordering benadeelde partij

Aangever [naam slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd ter zake van het onder parketnummer 10/188946-20 onder 2 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 1.130,04 aan materiële schade en een vergoeding van € 3.500,- aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van de gevorderde materiële schade het deel van de vordering dat ziet op het eigen risico van 2020 en 2021 en de reiskosten, te weten een bedrag van € 401,04, voldoende is onderbouwd en voor toewijzing vatbaar is. Ze geeft in overweging om het deel met betrekking tot de schade aan het polshorloge, de spijkerbroek, de bril en de trui af te wijzen, nu dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd. Voorts geeft zij in overweging het immateriële deel van de vordering te matigen tot een bedrag van € 750,-. Zij verzoekt de vordering te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

8.2.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in het geheel dient te worden afgewezen. Daartoe is aangevoerd dat de benadeelde partij blijkens de stukken op dezelfde dag als het onderhavige feit ook betrokken is geweest bij een aanrijding. Daardoor valt niet te achterhalen wat het causaal verband is tussen het letsel en de toedracht daarvan. Voor het overige refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

8.3.

Beoordeling

Ten aanzien van de gevorderde materiele schade overweegt de rechtbank als volgt. Het deel van de vordering dat ziet op het polshorloge, de spijkerbroek, de bril en de trui is onvoldoende onderbouwd en dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. Van het deel van de vordering met betrekking tot het eigen risico van 2020, het eigen risico van 2021 en de reiskosten is thans onvoldoende komen vast te staan dat de schade rechtstreeks verband houdt met het bewezenverklaarde handelen van de verdachte omdat de benadeelde partij kort na het feit eveneens betrokken is geweest bij een verkeersongeval. Vaststellen van oorzaak en gevolg zou een te grote belasting voor het strafproces betekenen. Daarom zal de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade is de rechtbank – zoals hiervoor reeds genoemd – gelet op de betrokkenheid van de benadeelde partij bij een verkeersongeval – eveneens van oordeel dat onvoldoende duidelijkheid bestaat of over het causale verband tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de door de benadeelde partij gevorderde immateriële schade. Vaststellen van dit verband zou een te grote belasting voor het strafproces betekenen. De benadeelde partij zal daarom ook in dit deel van de vordering eveneens niet-ontvankelijk worden verklaard. Ook dit deel van de vordering kan om die reden slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

8.4.

Conclusie

In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 57, 300 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 .Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder parketnummer 10/188946-20 feit 1 primair en feit 1 subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder parketnummer 10/242936-19 primair ten laste gelegde feit en de onder parketnummer 10/188946-20 feit 1 meer subsidiair en feit 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 114 (honderdveertien) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

stelt als bijzondere voorwaarden:

1. de veroordeelde meldt zich op zich binnen vijf werkdagen na ingang van de proeftijd bij Reclassering Nederland op het adres Marconistraat 2 te Rotterdam. De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

2. De veroordeelde neemt deel aan diagnostiek en laat zich behandelen door Antes of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start op een door de toezichthouder te bepalen tijdstip. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan, indien overeengekomen tussen behandelaar en de veroordeelde, onderdeel zijn van de behandeling.

De veroordeelde verleent zijn medewerking aan klinische opname bij de Loods, of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door reclassering. De opname vindt plaats binnen de proeftijd van betrokkene en duurt zolang als reclassering dit noodzakelijk vindt.

Bij terugval in middelengebruik, overmatig middelengebruik of ernstige zorgen over het psychiatrische toestandsbeeld van de veroordeelde kan er een grote kans op risicovolle situaties ontstaan. Dan kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie en of diagnostiek. Als de voor de indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, laat de veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt maximaal zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.

3. De veroordeelde verblijft in een instelling voor beschermd/begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start bij voorkeur zo spoedig mogelijk na de succesvolle klinische opname van de veroordeelde. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem/haar heeft opgesteld.

4. De veroordeelde werkt mee aan middelencontrole om zijn middelengebruik inzichtelijk te maken. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd.

5. De veroordeelde reclassering inzage in zijn financiën en schulden, hij werkt mee aan

het afbetalen van zijn schulden en, indien dit nodig en wenselijk blijkt, ook aan

schuldhulpverlening.

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst;

verklaart de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A. Boer, voorzitter,

en mrs. A.M. van der Leeden en P. van Dijken, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I. van Wuijckhuijse, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De voorzitter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Teksten tenlasteleggingen

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

Parketnummer 10/242936-19

hij in of omstreeks de periode van 4 oktober 2019 tot en met 7 oktober 2019 te Maassluis en/of Vlaardingen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [naam slachtoffer 3] te dwingen tot afgifte van 30.000,- euro, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan die [naam slachtoffer 3] of aan een derde toebehoorde, (meermalen) telefonisch en/of per bericht tegen die [naam slachtoffer 3] gezegd dat hij, verdachte,

- 30.000 euro van [naam slachtoffer 3] kreeg en/of

- naar de woning van die [naam slachtoffer 3] zou komen en/of

- in het been van die [naam slachtoffer 3] zou schieten en/of

- die [naam slachtoffer 3] dood zou schieten en/of

- ' s nachts via het raam naar binnen zou komen en die [naam slachtoffer 3] in zijn be(e)n(en) zou schieten en/of

- nu met [naam persoon] was en dat [naam slachtoffer 3] sowieso gaat betalen en/of

- zijn lul gaat afsnijden en hem gaat verkrachten en/of

- alleen nog maar [naam slachtoffer 3] 's leven wilde,

althans woorden van soortgelijke (dreigende) aard of strekking,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in de periode van 4 oktober 2019 tot en met 9 oktober 2017 te Maassluis [naam slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [naam slachtoffer 3] dreigend de woorden toe te voegen dat hij, verdachte,

- 30.000 euro van [naam slachtoffer 3] kreeg en/of

- naar de woning van die [naam slachtoffer 3] zou komen en/of

- in het been van die [naam slachtoffer 3] zou schieten en/of

- die [naam slachtoffer 3] dood zou schieten en/of

- ' s nachts via het raam naar binnen zou komen en die [naam slachtoffer 3] in zijn be(e)n(en) zou schieten en/of

- nu met [naam persoon] was en dat [naam slachtoffer 3] sowieso gaat betalen en/of

- zijn lul gaat afsnijden en hem gaat verkrachten en/of

- alleen nog maar [naam slachtoffer 3] 's leven wilde,

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Parketnummer 10/188946-20

1.

hij op of omstreeks 26 januari 2020 te Rotterdam aan een persoon genaamd [naam slachtoffer 1] ,

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een blijvend ontsierend litteken in het gelaat en/of een gebroken neus, heeft toegebracht, door die [naam slachtoffer 1] opzettelijk met een (houten) hamer of een honkbalknuppel, althans een zwaar en/of hard en/of houten voorwerp, meermalen, althans eenmaal, in het gezicht te slaan;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 januari 2020 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [naam slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een (houten) hamer of een honkbalknuppel, althans een zwaar en/of hard

en/of houten voorwerp, meermalen, althans eenmaal, in het gezicht van die [naam slachtoffer 1] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 januari 2020 te Rotterdam [naam slachtoffer 1] heeft mishandeld door met een (houten) hamer of een honkbalknuppel, althans een zwaar en/of hard en/of houten voorwerp, meermalen, althans eenmaal, in het gezicht van die [naam slachtoffer 1] te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een blijvend ontsierend litteken in het gelaat en/of een gebroken neus, althans enig letsel, ten gevolge heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 26 januari 2020 te Rotterdam [naam slachtoffer 2] heeft mishandeld door met een (houten)hamer of een honkbalknuppel, althans een zwaar en/of hard en/of houten voorwerp, meermalen, althans eenmaal, op de hand(en) en/of de (rechter)knie, althans op/tegen het lichaam van die [naam slachtoffer 2] te slaan.