Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:2693

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-03-2021
Datum publicatie
29-03-2021
Zaaknummer
10/203663-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling twee pogingen tot doodslag. Het beroep op noodweer wordt verworpen omdat noch van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanval op de verdachte, noch van een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor sprake was .Gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/203663-20

Datum uitspraak: 18 maart 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [postcode verdachte] te [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. D.W.H.M. Wolters, advocaat te Hoofddorp.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 4 maart 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. J. Boender heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van de onder 1 en 2 impliciet primair ten laste gelegde pogingen doodslag;

  • -

    de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijsoverweging

Uit de ter zitting getoonde camerabeelden blijkt dat de verdachte in een handgemeen grote zwaaiende bewegingen maakte met zijn rechterarm. In zijn rechterhand hield hij een mes. De verdachte heeft bekend dat hij de aangevers met een mes geraakt heeft, één van de aangevers ter hoogte van het schouderblad en één van de aangevers in de lever.

Volgens de medische informatie was er bij beide aangevers sprake van potentieel dodelijk letsel. Bij het steken met een mes in het bovenlichaam is er een aanmerkelijke kans dat het slachtoffer daardoor komt te overlijden, omdat daar meerdere vitale organen liggen. Dat laatste is een feit van algemene bekendheid, zodat aangenomen wordt dat de verdachte wetenschap heeft gehad. Door desondanks meermalen met een mes in de hand krachtige zwaaiende bewegingen te maken in de richting van het bovenlichaam van de aangevers heeft de verdachte die aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard. Dit betekent dat bewezen is dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van aangevers.

4.2.

Conclusie

De rechtbank acht de onder 1 en 2 impliciet primair tenlastegelegde pogingen tot doodslag bewezen.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 impliciet primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 8 augustus 2020 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [naam slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen met een mes in het oor en de pols en het schouderblad en de buik van die [naam slachtoffer 1] , heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 8 augustus 2020 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [naam slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen, met een mes in het schouderblad en de bovenarm en de elleboogvan die [naam slachtoffer 2] , heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

feit 1: poging tot doodslag;

feit 2: poging tot doodslag.

5.1.

Noodweer

5.1.1.

Standpunt van de verdediging en de officier van justitie

De verdachte komt een geslaagd beroep op noodweer toe en dient daarom te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Op het moment van de confrontatie tussen de verdachte enerzijds en de slachtoffers en de getuige [naam getuige] anderzijds was er sprake van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte, waar hij zich tegen mocht verdedigen. De wijze waarop de verdachte zich heeft verdedigd gaat de grenzen van subsidiariteit en proportionaliteit niet te buiten. Nu het bewezenverklaarde handelen van de verdachte wordt gerechtvaardigd door voornoemde aanranding, komt de strafbaarheid van zijn handelen te vervallen.

5.1.2.

Beoordeling

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.

Uit de beelden van camera [camera-nummer 1] , die ter terechtzitting zijn getoond blijkt dat in de nacht van 8 augustus 2020 de auto met daarin de aangevers [naam slachtoffer 1] (bestuurder), [naam slachtoffer 2] (passagier) en getuige [naam getuige] (bijrijder) de auto met daarin de verdachte passeert ter hoogte van een verkeersdrempel op de Zwart Janstraat te Rotterdam. De auto van de verdachte stopt op de verkeersdrempel. De auto met daarin de aangevers rijdt in eerste instantie een klein stukje door, maar rijdt daarna achteruit en stop naast de auto van de verdachte. Er is contact tussen de inzittenden van beide auto’s. Wat er op dat moment precies over en weer is gezegd, kan de rechtbank niet vaststellen nu de verklaringen daarover uiteenlopen. Wel kan op basis van de verklaringen en de camerabeelden worden vastgesteld dat de sfeer op dat moment gespannen was. Een onafhankelijk getuige heeft verklaard dat hij zag dat de twee auto’s stilstonden en dat er over en weer werd geschreeuwd. De getuige omschrijft het gedrag van alle inzittenden als “haantjesgedrag”. Vervolgens is op de camerabeelden te zien dat de verdachte zijn autoportier opent en dat de auto met aangevers aanstalten maakt om door te rijden. De verdachte opent het portier wat verder, hangt een stukje uit de auto en maakt handgebaren waarna het portier sluit en na enkele seconden weer open gaat. [naam slachtoffer 2] en [naam getuige] stappen uit hun auto en lopen achter de auto langs naar het bestuurdersportier van de auto van de verdachte. Zij duwen tegen het geopende portier van de auto aan. Intussen is ook [naam slachtoffer 1] uitgestapt. De verdachte stapt dan ook uit zijn auto. De verdachte duwt direct daarop de aangevers en de getuige [naam getuige] weg. De aangevers en [naam getuige] maken afwerende bewegingen, waarna de verdachte met zijn rechterarm bovenhands, over het geopende bestuurdersportier, naar hen uithaalt. Uit de beelden valt niet op te maken of hij daarbij iemand raakt. Daarna loopt de verdachte achteruit. De slachtoffers en direct achter hem aan. De verdachte haalt vervolgens eerst met zijn linkerarm uit naar [naam slachtoffer 1] gevolgd door een uithaal met zijn rechterarm, waarna hij verder achteruit loopt. De aangevers en getuige [naam getuige] blijven achter hem aan lopen. [naam slachtoffer 1] maakt een slaande beweging richting de verdachte. De verdachte maakt een slaande beweging richting [naam slachtoffer 1] ter hoogte van de linkerkant van zijn bovenlichaam. [naam slachtoffer 2] maakt een schoppende beweging richting de verdachte. Daarna verdwijnen zij uit het beeld.

Uit de beelden van camera [camera-nummer 2] die eveneens ter terechtzitting zijn getoond, blijkt dat terwijl de verdachte verder achteruit loopt er over en weer wordt geslagen. De verdachte komt ter hoogte van de stoeprand ten val. Terwijl de verdachte op zijn rug op straat ligt, maken de slachtoffers en [naam getuige] trappende en slaande bewegingen naar hem, waarbij verdachte ook geraakt wordt. Te zien is dat de verdachte al liggend van zich af slaat. [naam slachtoffer 2] grijpt naar zijn arm. De verdachte staat op en rent weg in de richting van zijn auto.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij bang was beroofd te worden door de slachtoffers en [naam getuige] . Hij is met het mes in zijn rechterhand uit de auto gestapt en heeft het mes voortdurend in zijn rechterhand heeft gehouden.

Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding. Van een ogenblikkelijke aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding. De enkele vrees voor een dergelijke aanranding is echter onvoldoende voor een geslaagd beroep op noodweer. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd, zodanig bedreigend zijn voor de verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht. Een beroep op noodweer kan niet worden aanvaard wanneer de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als ‘verdediging’, maar – naar de kern bezien – als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht.

De bovenbeschreven feiten en omstandigheden in deze kaders toepassend, oordeelt de rechtbank dat het beroep op noodweer faalt, omdat noch van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanval op de verdachte, noch van een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor sprake was. Het was de verdachte die met een mes de auto uitstapte en als eerste aanviel terwijl hij het mes in zijn hand had. Die aanval vond plaats direct na het uitstappen uit de auto, dus al voordat de verdachte op de grond viel en terwijl aangever [naam slachtoffer 1] een afwerende beweging maakte.

Uit niets is aannemelijk geworden dat de vrees van de verdachte om beroofd te worden gerechtvaardigd was. Het gedrag van de aangevers en [naam getuige] zoals dat blijkt uit de camerabeelden gaf daar geen aanleiding toe.

5.1.3.

Conclusie

Het beroep op noodweer slaagt niet. Er zijn overigens ook geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

6.1.

Standpunt officier van justitie

In het geval een beroep op noodweer niet zal slagen, komt de verdachte een beroep op noodweerexces toe omdat hij heeft gehandeld vanuit een hevige gemoedsbeweging.

6.2.

Beoordeling

Omdat geen sprake is geweest van een noodweersituatie, slaagt ook het beroep op noodweerexces reeds niet.

6.3.

Conclusie

Het beroep op noodweerexces slaagt niet. Er is overigens ook geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft gevochten met een mes in zijn hand en heeft daarbij de slachtoffers verschillende steekwonden toegebracht. Het letsel dat zij hebben opgelopen was potentieel dodelijk. Verdachte heeft een wezenlijk aandeel gehad in de escalatie van een mondelinge confrontatie tot een fysieke ruzie.

Door zijn handelen heeft de verdachte op zeer grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Het is zorgelijk dat de verdachte zich kennelijk door woorden en gebaren belaagd heeft gevoeld en vervolgens het gebruik van hevig geweld niet heeft geschuwd. Het spreekt voor zich dat dit voor de slachtoffers een beangstigende ervaring is geweest. Daarnaast heeft het handelen van verdachte zowel bij de slachtoffers als bij de omstanders op straat gevoelens van onveiligheid teweeg gebracht.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 29 januari 2021, waaruit blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaren niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

Psychiater dr. [naam psychiater] heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 6 januari 2021. Dit rapport houdt – onder meer – het volgende in:

Bij de verdachte is sprake van een ziekelijke stoornis, namelijk schizofrenie van het paranoïde type. Deze stoornis was ook aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde. Het is lastig om de doorwerking van de stoornis op de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte vast te stellen ten tijde van de onderhavige feiten. Er zijn wel duidelijk aanwijzingen dat hij op dat moment in een paranoïde psychose verkeerde. De verdachte was duidelijk achterdochtig. Mogelijk speelden er ook grootheidswanen; zo vroeg hij bijvoorbeeld aan de aangevers of ze wel wisten wie hij was. De verdachte heeft verklaard dat hij werd aangevallen en zich in het nauw voelde gedreven. De feitelijke toedracht van de confrontatie en ook de relatie met het gebruik van het mes is echter niet helemaal duidelijk. De psychiater onthoudt zich daarom van advies over de doorwerking en over de toerekenbaarheid van de bewezen verklaarde feiten.

Het gevaar op herhaling van gewelddadig gedrag is ingeschat als verhoogd en is met name gelegen in de kwetsbare psychotische toestand van de verdachte. Het gebruik van anti-psychotische medicatie is de belangrijkste factor om het risico op recidive te verminderen. Inmiddels loopt er een zorgmachtiging om de verdachte ambulant zorgmedicatie toe te dienen waardoor het weinig zinvol zal zijn verdere interventies op dat gebied te nemen. Vanuit de zorgmachtiging zal de verdachte ook ambulant behandeld worden, dit zal voldoende zijn om het gevaar op herhaling voldoende te verminderen.

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 19 februari 2021 Dit rapport houdt– onder meer – het volgende in:

Bij de verdachte is geen sprake van een delictpatroon van gewelddadige feiten. Er is sprake van psychische problematiek bij de verdachte waarvoor hij medicatie in depotvorm kreeg. De verdachte heeft besloten om te stoppen met het innemen van medicatie. Sindsdien gaat het slechter met hem. Het gebruik van anti-psychotische medicatie lijkt de belangrijkste factor om het gevaar op herhaling te verminderen. Het NIFP heeft geadviseerd dat de ingezette zorgmachtiging door Antes voldoende zou moeten zijn. Een toezicht door de reclassering, behandeling bij een forensische polikliniek of een (TBS) maatregel zouden weinig zinvol of bijdragend zijn.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

De rechtbank verenigt zich met de diagnostische conclusies van de psychiater en maakt die tot de hare. De rechtbank is op grond van de bevindingen van de psychiater en op basis van de hiervoor beschreven omstandigheden waaronder de verdachte tot het ten laste gelegde is gekomen, van oordeel dat de stoornis bij de verdachte niet heeft doorgewerkt in diens gedragskeuzes en gedragingen in die bewuste nacht. Het hiervoor bewezen verklaarde kan hem dan ook worden toegerekend.

Ernstige feiten als de onderhavige rechtvaardigen alleen de oplegging van een langdurige (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank zal een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank ziet geen aanleiding bijzondere voorwaarden hieraan te verbinden, gelet op de omstandigheid dat inmiddels een zorgmachtiging is verleend die het mogelijk maakt de verdachte zo nodig medicatie toe te dienen.

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaar passend en geboden.

8. Vorderingen benadeelde partijen / schadevergoedingsmaatregelen

8.1.

Benadeelde partij [naam slachtoffer 1]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 4.811,50 aan materiële schade en een vergoeding van € 5.000,00 aan immateriële schade.

8.1.1.

Standpunt verdediging

Primair dient de vordering te worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk te worden verklaard omdat verdachte niet strafbaar is en gelet op de eigen schuld van de benadeelde partij. Subsidiair levert de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding op. De kostenposten verlies van arbeidsvermogen, persoonlijke verzorging en de gestelde geleden immateriële schade zijn onvoldoende onderbouwd en de vordering dient om die reden niet-ontvankelijk te worden verklaard.

8.1.2.

Beoordeling

Aan de benadeelde partij is door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade toegebracht. De volgende posten zijn niet betwist en zullen worden toegewezen tot een bedrag van € 751,50, bestaande uit € 375,00 aan eigen risico, € 120,00 aan ziekenhuisvergoeding, € 6,50 aan reiskosten en € 250,00 aan kosten voor een geannuleerd vliegticket. Ook is aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade toegebracht, gelet op zijn letsel. De vordering ten aanzien van die schade zal, rekening houdend met vergoedingen die in soortgelijke situaties zijn toegekend en op basis van de op dit moment gebleken feiten en omstandigheden, naar maatstaven van billijkheid worden toegewezen tot een bedrag van € 1.500,00.

De benadeelde partij zal in het overige deel van de gevorderde materiële en immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk worden verklaard. Het gestelde verlies aan inkomsten en de kosten voor persoonlijke verzorging zijn onvoldoende onderbouwd. Nader onderzoek naar de gegrondheid van dit deel van de vordering en de omvang daarvan zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag dat ziet op de post eigen risico ad € 375,00 vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 25 september 2020. Het overige te vergoeden schadevergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 augustus 2020.

Nu de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.1.3.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 2.251,50 vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

8.2.

Benadeelde partij [naam slachtoffer 2]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam slachtoffer 2] ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 5.241,17 aan materiële schade en een vergoeding van € 4.000,00 aan immateriële schade.

8.2.1.

Standpunt verdediging

Primair dient de vordering te worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk te worden verklaard omdat de verdachte niet strafbaar is en gelet op de eigen schuld van de benadeelde. Subsidiair levert de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding op. De situatie in de uitspraak waarnaar wordt verwezen in de vordering is onvergelijkbaar met het onderhavige geval. Het gevorderde bedrag aan immateriële schade staat voorts niet in verhouding met het letsel en niet is gebleken dat het letsel blijvend is. De kostenposten verlies van arbeidsvermogen, persoonlijke verzorging en de gestelde geleden immateriële schade zijn onvoldoende onderbouwd en de vordering dient om die reden niet-ontvankelijk te worden verklaard.

8.2.2.

Beoordeling

Aan de benadeelde partij is door het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De volgende posten zijn niet betwist en zullen worden toegewezen tot een bedrag van € 711,50, bestaande uit € 675,00 aan eigen risico, € 30,00 aan ziekenhuisvergoeding en € 6,50 aan reiskosten. Aan de benadeelde partij is door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade toegebracht, gelet op het letsel. De vordering ten aanzien van die schade zal, rekening houdend met vergoedingen die in soortgelijke situaties zijn toegekend en op basis van de op dit moment gebleken feiten en omstandigheden, naar maatstaven van billijkheid worden toegewezen tot een bedrag van € 750,00.

De benadeelde partij zal in het overige deel van de gevorderde materiële en immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk worden verklaard. Het gestelde verlies aan inkomsten en de kosten voor persoonlijke verzorging zijn onvoldoende onderbouwd. Nader onderzoek naar de gegrondheid van dit deel van de vordering en de omvang daarvan zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag dat ziet op de post eigen risico ad € 675,00 vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 25 september 2020. Het overige te vergoeden schadevergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 augustus 2020.

Nu de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.2.3.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 1.461,50 vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 .Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 impliciet primair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 8 (acht) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde:

de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] , te betalen een bedrag van € 2.251,50 (zegge: tweeduizendtweehonderdéénenvijftig euro en vijftig cent), bestaande uit € 751,50 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] te betalen € 2.251,50 (hoofdsom, zegge: tweeduizendtweehonderdéénenvijftig euro en vijftig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 2.251,50 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 32 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schadepost eigen risico (€ 375,00) op 25 september 2020;

bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade (€ 1.500,00), en de materiële schadeposten, te weten de ziekenhuisvergoeding (€ 120,00), de reiskosten (€ 6,50) en de kosten geannuleerd vliegticket (€ 250,00) op 8 augustus 2020;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] , te betalen een bedrag van € 1.461,50 (zegge: duizendvierhonderdéénenzestig euro en vijftig cent), bestaande uit € 711,50 aan materiële schade en € 750,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] te betalen € 1.461,50 (hoofdsom, zegge: duizendvierhonderdéénenzestig euro en vijftig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 1.461,50 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 24 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] en omgekeerd;

bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke voor de materiele schadepost wettelijk eigen risico (€ 675,00) op 25 september 2020;

bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade (€ 750,00), en de materiele schadeposten, te weten de ziekenhuisvergoeding (€ 30,00) en de reiskosten (€ 6,50) op 8 augustus 2020.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P.C.J. Peeck, voorzitter,

en mrs. C.E. Bos en P.C. Tuinenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. Soeteman,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 maart 2021.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

1
hij op of omstreeks 8 augustus 2020 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [naam slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans éénmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het oor en/of de pols en/of schouder(blad) en/of buik en/of rug, in elk geval het lichaam van die [naam slachtoffer 1] , heeft gesneden en/of gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2
hij op of omstreeks 8 augustus 2020 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [naam slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans éénmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug en/of schouder(blad) en/of bovenarm en/of elleboog, in elk geval het lichaam van die [naam slachtoffer 2] , heeft gesneden en/of gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.