Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:2631

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-03-2021
Datum publicatie
26-03-2021
Zaaknummer
C/10/599217 / HA ZA 20-615
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad. Kettingbotsing. Heeft gedaagde onrechtmatig gehandeld? Bewijsopdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0283
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/599217 / HA ZA 20-615

Vonnis van 17 maart 2021

in de zaak van

[naam eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser],

eiser,

advocaat mr. O. Arslan te 's-Gravenhage,

tegen

de naamloze vennootschap

ALLIANZ BENELUX N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. R.H.J. Wildenburg te Arnhem.

Partijen zullen hierna [naam eiser] en Allianz genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 17 juni 2020, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 9 september 2020 waarbij de mondelinge behandeling is gelast,

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 10 november 2020, met als bijlage de pleitaantekening van mr. Arslan.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

[naam eiser] is op 11 april 2017 in Amersfoort betrokken geraakt bij een kettingbotsing met vijf auto’s. [naam eiser] bestuurde de achterste auto. Op het moment dat [naam eiser] tegen de voor hem rijdende auto aanreed, kwam zijn auto deels op de andere weghelft terecht en schoot het portier van zijn auto open.

2.2.

Een auto die bestuurd werd door [naam 1] (hierna: [naam 1]), reed op de andere weghelft [naam eiser] tegemoet. [naam 1] reed met een ter plaatse toegestane snelheid van 70 kilometer per uur. De auto van [naam 1] is in aanrijding gekomen met het openstaande portier van de auto van [naam eiser]. Als gevolg daarvan klapte het portier tegen de arm van [naam eiser]. De auto van [naam 1] was op grond van de WAM verzekerd bij Allianz.

2.3.

[naam eiser] heeft als gevolg van het ongeval letsel aan zijn arm opgelopen.

2.4.

In het proces-verbaal dat door de verbalisanten van de politie na het ongeval is opgemaakt, is – onder meer – het volgende opgenomen:

“5 ([naam eiser], toevoeging rechtbank) kon niet op tijd tot stilstand komen binnen de afstand waarover de weg was te overzien en waarover deze vrij was. Hierdoor ontstond tussen alle auto's een aanrijding met vermelde schade. Door de aanrijding schoot de bestuurdersdeur open van 5. Op dat moment kwam er een tegemoetkomer (6) ([naam 1], toevoeging rechtbank), vanaf de andere kant en raakte het portier van 5.”

2.5.

Partijen hebben allebei de voorzijde van het schadeformulier ingevuld en ondertekend. Op 3 mei 2017 heeft [naam eiser] de achterzijde van zijn exemplaar van het schadeformulier ingevuld en ondertekend. Hij heeft – onder meer – het volgende ingevuld:

“Ik was in kettingbotsing beland. Door aanrijding is de deur opengegaan. Tegenpartij/ligger is tegen mijn deur gereden die openstond. Meer dan 40 sec. naar aanrijding. Gevolg deur klapt dicht gen arm/elleboog  verbrijzelde elleboog.”

2.6.

Op 3 mei 2017 heeft [naam 1] op zijn exemplaar van het schadeformulier de achterzijde ingevuld en ondertekend. Hij heeft – onder meer – het volgende ingevuld:

“Voertuig A reed in op zijn voorgangers en door de klap vloog zijn deur open en kon ik die net niet meer ontwijken, alles gebeurde in een fractie van een seconde en zijn deur vloog open op het moment dat ik er aan kwam.”

2.7.

Namens [naam eiser] is Allianz per e-mailbericht van 9 mei 2017 aansprakelijk gesteld voor het ontstaan van het ongeval en de als gevolg daarvan geleden schade.

2.8.

In een aanvullende, ongedateerde reactie heeft [naam 1] ten behoeve van Allianz het volgende verklaard:

“In de verklaring v/d tegenpartij zie ik staan dat zijn deur 40 sec openstond??

Erg vreemd wanneer meneer mij wist te vertellen dat hij zich niks meer kon herinneren in bijzijn van zijn verzekeringsagent.

De kettingbotsing gebeurde precies naast ons en ik kon niet volledig uitwijken omdat ten eerste alles zo snel ging en ik naast mij een zachte berm had.

Zoals de foto’s laten zien komt zijn achterkant v/d Audi op mijn weghelft en zijn deur die open vloog door de heftige klap precies voor mijn auto toen wij daar net kamen aanrijden.”

2.9.

De bijrijder in de auto van [naam 1], [naam 2] (hierna: de vader van [naam 1]), heeft in een schriftelijke getuigenverklaring – onder meer – het volgende verklaard:

“ik als bijrijder maakte een kettingbotsing mee op de andere rijbaan waarbij meerder auto's

betrokken waren de laatste auto klapte zo hard op de andere auto, zodat hij met de

achterkant op onze weghelft terecht kwam en zijn deur opensloeg en dit alles gebeurde in

een fractie van een seconde waardoor mijn zoon tegen zijn deur aan reed die op onze weghelft openvloog.”

3. Het geschil

3.1.

[naam eiser] vordert om bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht te verklaren dat Allianz aansprakelijk is voor de schade die [naam eiser] heeft

geleden als gevolg van het ongeval van 11 april 2017 met de verzekerde van Allianz,

II. Allianz te veroordelen tot vergoeding van de door [naam eiser] als gevolg van voornoemd ongeval geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, en te vermeerderen met de wettelijke rente daarover; en

III. Allianz te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.

[naam eiser] legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag. [naam 1] heeft onrechtmatig jegens [naam eiser] gehandeld, door te handelen in strijd met artikel 19 Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (hierna: RVV), en artikel 5 en artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). [naam 1] had zich gezien de situatie ter plaatse met meer zorgvuldigheid in het verkeer moeten bewegen. [naam 1] had kunnen en in beginsel moeten verwachten dat het verkeer ter hoogte van de ongevalslocatie zich ‘anders’ zou gedragen. Het blijven rijden met een hoge snelheid terwijl een lagere snelheid geïndiceerd was, is dan niet verantwoord. [naam 1] heeft niet, althans onvoldoende, afstand gehouden op zodanige wijze dat hij zijn voertuig tijdig tot stilstand kon brengen. Uit de verklaring van [naam 1] volgt dat hij er bewust voor heeft gekozen om minimaal uit te wijken, in plaats van te remmen en uit te wijken. Dit terwijl er voldoende tijd en gelegenheid was om uit te wijken. Dit onrechtmatig handelen leidt ertoe dat [naam 1] aansprakelijk is voor de geleden en nog te lijden schade. Allianz moet als diens verzekeraar deze schade vergoeden.

3.3.

Allianz concludeert tot afwijzing van de vorderingen, hetzij door [naam eiser] daarin niet-ontvankelijk te verklaren, hetzij door [naam eiser] deze vorderingen te ontzeggen, een en ander met veroordeling, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, van [naam eiser] in de kosten van deze procedure te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten.

3.4.

Allianz heeft betwist dat zij aansprakelijk is voor de door [naam eiser] geleden schade als gevolg van het ongeval. [naam 1] naderde de ongevalslocatie vanuit tegengestelde richting en werd plotseling geconfronteerd met een voertuig dat deels op zijn weghelft terecht kwam met een in zijn richting openslaande deur. Dit alles gebeurde in een fractie van een seconde. Voor [naam 1] was er geen tijd om te anticiperen, waardoor een aanrijding met de openslaande deur niet was te voorkomen. [naam 1] kan in dit verband geen verwijt worden gemaakt en heeft niet onrechtmatig gehandeld.

Voor het geval Allianz toch aansprakelijk wordt geacht voor de schade van [naam eiser] stelt zij subsidiair dat de schade van [naam eiser] op grond van eigen schuld (artikel 6:101 BW) voor zijn eigen rekening moet komen. Het is immers [naam eiser] die als gevolg van zijn eigen handelen in aanrijding kwam met zijn voorganger, waardoor hij met de achterzijde van zijn voertuig en het portier op de weghelft van [naam 1] terecht kwam.

Uitsluitend voor het geval dat Allianz aansprakelijk wordt gehouden en gehouden is tot vergoeding van de door [naam eiser] geleden schade, stelt Allianz uiterst subsidiair dat [naam eiser] niet, althans onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van te vorderen

schade.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

Vooropgesteld wordt dat vaststaat dat een aanrijding heeft plaatsgevonden en dat daarbij betrokken waren [naam eiser] en [naam 1], wiens voertuig op grond van de WAM verzekerd was bij Allianz.

4.2.

Partijen twisten over de vraag of [naam 1] onrechtmatig heeft gehandeld en of Allianz aansprakelijk is voor de door [naam eiser] geleden schade.

4.3.

[naam eiser] beroept zich op de rechtsgevolgen van zijn stelling dat [naam 1] onzorgvuldig aan het verkeer heeft deelgenomen en dat hij als gevolg daarvan schade heeft geleden. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) draagt [naam eiser] de bewijslast van zijn stellingen. Dit is niet anders omdat vaststaat dat [naam 1] met zijn auto tegen het portier van de auto van [naam eiser] is gebotst. Dit betekent immers niet dat de aanrijding is veroorzaakt doordat [naam 1] onrechtmatig heeft gehandeld. Ook zijn er, anders dan [naam eiser] meent, geen bijzondere redenen die een afwijking van de in artikel 150 Rv neergelegde hoofdregel van bewijslastverdeling rechtvaardigen. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende.

4.4.

Door [naam eiser] wordt gesteld dat sprake is van aanvullende omstandigheden waardoor (voorshands) moet worden aangenomen dat [naam 1] een aan hem toerekenbare verkeersfout heeft gemaakt. Hiertoe stelt [naam eiser] dat het duidelijk zichtbaar was dat de auto van [naam eiser] op de andere rijbaan terecht was gekomen, zodat tegemoetkomend verkeerd daarmee rekening moest houden en om hem heen moest sturen bij het passeren. Daarvoor was ook voldoende ruimte aanwezig, aldus [naam eiser]. Hij wijst in dit verband op de foto’s en op de verklaring van [naam 1], waaruit blijkt dat hij er bewust voor zou hebben gekozen om slechts minimaal uit te wijken. Volgens [naam eiser] maakt het feit dat het portier in een fractie van een seconde openklapte niet dat geen sprake is van onzorgvuldig rijgedrag van [naam 1]. Hierbij verwijst hij naar een arrest van het Gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2016:1720).

4.5.

Door Allianz zijn de stellingen van [naam eiser] gemotiveerd betwist. Allianz voert in dat kader aan dat [naam 1] geen tijd had om te anticiperen. Hierbij verwijst Allianz naar de verklaring van [naam 1] (zie 2.7), waaruit blijkt: “alles gebeurde in een fractie van een seconde en zijn deur vloog open op het moment dat ik er aan kwam”. Ook verwijst Allianz naar de verklaring van de bijrijder van [naam 1] (zie 2.9) die stelt: “… dit alles gebeurde in een factie van een seconde waardoor mijn zoon ([naam 1], toevoeging rechtbank) tegen zijn deur aan reed die op onze weghelft openvloog”.

4.6.

De rechtbank acht de door [naam eiser] aangevoerde omstandigheden, in het licht van het gemotiveerde verweer van Allianz, van onvoldoende gewicht om voorshands aannemelijk te achten dat [naam 1] een verkeersfout heeft gemaakt en daarmee onrechtmatig jegens [naam eiser] zou hebben gehandeld. Allianz voert immers met verwijzing naar de verklaring van [naam 1] en zijn vader, gemotiveerd aan dat er onvoldoende tijd voor [naam 1] was om op de situatie te anticiperen. In tegenstelling tot wat [naam eiser] meent is het tijdsverloop naar het oordeel van de rechtbank wel relevant. Immers, [naam 1] hoefde in algemene zin geen rekening te houden met de situatie dat er plotseling een auto op zijn weghelft bevond, hetgeen aangemerkt kan worden als een onverwachte en ongebruikelijke verkeerssituatie. De rechtbank neemt daarbij ook in aanmerking dat tussen partijen niet in geschil is dat [naam 1] de aldaar toegestane maximumsnelheid van 70 kilometer per uur niet heeft overschreden.

4.7.

Gelet op het voorgaande dient [naam eiser] te bewijzen dat [naam 1] op onzorgvuldige wijze aan het verkeer heeft deelgenomen door niet dan wel onvoldoende tijdig te remmen en uit te wijken, terwijl daartoe wel voldoende tijd en gelegenheid was. [naam eiser] heeft bewijs aangeboden van zijn stellingen en de rechtbank zal hem tot het leveren van dat bewijs toelaten.

4.8.

Als na de bewijsverrichtingen wordt geoordeeld dat [naam 1] onrechtmatig heeft gehandeld, komt pas de vraag aan de orde of sprake is van eigen schuld aan de zijde van [naam eiser]. Het oordeel daarover houdt de rechtbank aan.

4.9.

Ook alle overige beslissingen worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

draagt [naam eiser] op feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit volgt dat [naam 1] op onzorgvuldige wijze aan het verkeer heeft deelgenomen, door niet althans onvoldoende te remmen en uit te wijken terwijl daartoe voldoende tijd en gelegenheid was,

5.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 31 maart 2021 voor uitlating door [naam eiser] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,

5.3.

bepaalt dat [naam eiser], indien hij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

5.4.

bepaalt dat [naam eiser], indien hij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden april tot en met juni 2021 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.5.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. S.M. den Hollander in het gerechtsgebouw te Rotterdam aan Wilhelminaplein 100/125,

5.6.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk tien dagen voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. den Hollander. Het is ondertekend door

mr. J.F. Koekebakker, rolrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2021.

[3070/2872]