Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:2621

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-03-2021
Datum publicatie
26-03-2021
Zaaknummer
10/996563-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk geen, niet binnen de door de Belastingdienst gestelde termijn of onjuiste en onvolledige doen van aangiften inkomstenbelasting en omzetbelasting en valsheid in geschrift. De verdachte heeft de Belastingdienst benadeeld voor een bedrag van ruim € 500.000,-. Het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou op zijn plaats zijn. Hiervan wordt afgezien vanwege de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden en een geldboete van € 50.000,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 30-03-2021
FutD 2021-1105
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/996563-19

Datum uitspraak: 9 maart 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte]
.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 23 februari 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. P. van de Kerkhof heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden en een geldboete van € 100.000,-, subsidiair 365 dagen hechtenis.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

zij, in de periode van 1 mei 2014 tot en met 5 december 2019 in Nederland, opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten: aangiften omzetbelasting met betrekking tot [naam verdachte] over de aangiftetijdvakken eerste kwartaal 2014 tot en met derde kwartaal 2014 en derde kwartaal 2016 tot en met het eerste kwartaal 2018 en aangiften inkomstenbelasting met betrekking tot [naam verdachte] over de jaren 2016 en 2017, niet of niet binnen de door de Inspecteur der belastingen/de Belastingdienst gestelde termijn heeft gedaan, terwijl die feiten er toe strekten dat te weinig belasting werd geheven;

2.

zij, in de periode van 29 januari 2015 tot en met 28 juli 2016 in Nederland, opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een (digitale) aangifte omzetbelasting op naam van [naam verdachte] betreffende de aangiftetijdvakken:-vierde kwartaal 2014, en-eerste kwartaal 2015, en

-tweede kwartaal 2015, en-derde kwartaal 2015, en-vierde kwartaal 2015, en-eerste kwartaal 2016, en-tweede kwartaal 2016,

onjuist en onvolledig heeft gedaan,

immers heeft verdachte telkens opzettelijk in de naar de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst in Nederland ingeleverde/gezonden aangiftebiljetten omzetbelasting over voornoemde kwartalen, telkens een te laag bedrag aan omzet en een te laag bedrag aan omzetbelasting opgegeven en vermeld,

terwijl die feiten er toe strekten dat te weinig belasting werd geheven;

3.

zij, in de periode van 12 juli 2015 tot en met 16 januari 2017 in Nederland, opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een (digitale) aangifte inkomstenbelasting op naam van [naam verdachte] betreffende de jaren 2014 en 2015 onjuist en onvolledig heeft gedaan, immers heeft verdachte telkens opzettelijk

in de naar de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst in Nederland ingeleverde/gezonden aangiftebiljetten inkomstenbelasting over voornoemde jaren, telkens geen winst uit onderneming opgegeven en een te laag bedrag aan verzamelinkomen opgegeven en vermeld,, terwijl die feiten er toe strekten dat te weinig belasting werd geheven;

4.

zij, op meer tijdstippen in de periode van 1 augustus 2014 tot en met 27 maart 2019, te ‘s-Gravenhage geschriften, te weten:

-een creditfactuur van [naam bedrijf] op naam van [naam 1] gedateerd 1 augustus 2014 , en-een creditfactuur van [naam bedrijf] op naam van [naam 2] gedateerd 13 april 2015 , en

-een creditfactuur van [naam bedrijf] op naam van [naam 3] gedateerd 18 mei 2017 , en-een creditfactuur van [naam bedrijf] op naam van [naam 1] gedateerd 18 augustus 2017 , en-een creditfactuur van [naam bedrijf] op naam van [naam 3] gedateerd 15 september 2017, en-een creditfactuur van [naam bedrijf] op naam van [naam 4] gedateerd 1 februari 2018 , en-een creditfactuur van [naam bedrijf] op naam van [naam 3] gedateerd 7 februari 2019 , en-een creditfactuur van [naam bedrijf] op naam van [naam 1] gedateerd 14 februari 2019 , en-een creditfactuur van [naam bedrijf] op naam van [naam 4] gedateerd 27 maart 2019,

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, telkens valselijk heeft opgemaakt, immers heeft zij , telkens valselijk en in strijd met de waarheid, op die creditfacturen vermeld dat er een betalingsverplichting bestond van [naam bedrijf] aan [naam 3] of [naam 1]

of [naam 4] of [naam 2] , terwijl daar in werkelijkheid geen sprake van was, zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet of niet binnen de daarvoor gestelde termijn doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;

2.

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;

3

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;

4.

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft gedurende ongeveer vier jaren opzettelijk geen, niet binnen de door de Belastingdienst gestelde termijn of onjuiste en onvolledige aangiften inkomstenbelasting en omzetbelasting voor haar eenmanszaak ingediend.

De verdachte heeft misbruik gemaakt van het door de Belastingdienst gehanteerde systeem, dat erop berust dat op de volledigheid en juistheid van belastingaangiften moet kunnen worden vertrouwd. Door haar handelen heeft zij de Belastingdienst en daarmee de samenleving benadeeld voor een bedrag van in totaal ruim € 500.000,-.

De strafbaarstelling van belastingontduiking beschermt niet alleen de gemeenschapsbelangen die door belastingheffing worden gediend, maar ook de belangen van eerlijke belastingbetalers. Belastingontduiking kan leiden tot verzwaring van de belastingdruk voor anderen. Het algemeen vertrouwen in het belastingsysteem, waarin sprake zou moeten zijn van eerlijke lastenverdeling, wordt door dit soort handelen geschaad.

Verder heeft de verdachte een groot aantal facturen valselijk opgemaakt. Zij heeft creditfacturen op naam van haar minderjarige kinderen gesteld, alsof de kinderen werkzaamheden voor haar eenmanszaak hadden verricht, terwijl dit in werkelijkheid niet het geval was. De verdachte heeft de gefactureerde bedragen na uitbetaling van de bankrekeningen van haar kinderen gehaald en contant aan derden uitbetaald, waardoor zij het geld buiten het zicht van anderen, zoals de Belastingdienst, konden houden.

Door het opmaken van valse facturen heeft de verdachte het vertrouwen ondermijnd dat in het maatschappelijk verkeer wordt gesteld in dit soort schriftelijke stukken.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 21 december 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten in fraudezaken van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht, die dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging, en op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Gelet hierop zou het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals de officier van justitie heeft geëist, op zijn plaats zijn.

De rechtbank ziet echter aanleiding om in deze zaak geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De verdachte is thans in staat om maandelijks een groot bedrag van haar belastingschuld af te lossen en zij heeft dat in de afgelopen periode ook gedaan. Het is daarom van belang dat zij de werkzaamheden binnen haar eenmanszaak kan voortzetten, zodat zij het voor de Belastingdienst en de samenleving ontstane nadeel kan compenseren. Verder draagt de verdachte in haar eentje zorg voor haar minderjarige kinderen, van wie er één epilepsie heeft. Als de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd krijgt, kan zij gedurende die tijd niet voor haar kinderen zorgen, terwijl zij haar zorg hard nodig hebben. Ook weegt de rechtbank mee dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit en dat zij op de terechtzitting openheid van zaken heeft gegeven en heeft laten zien te beseffen dat zij verkeerd heeft gehandeld.

Om evenwel recht te doen aan de ernst van de feiten, zal de rechtbank aan de verdachte een taakstraf van de maximale duur, een flinke voorwaardelijke gevangenisstraf, ook om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen, en een geldboete opleggen. De rechtbank zal een lagere geldboete opleggen dan de officier van justitie heeft geëist, omdat zij het van groter belang vindt dat de verdachte haar schuld aan de Belastingdienst afbetaalt.

Alles afwegend acht de rechtbank het opleggen van een taakstraf van 240 uren, een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden en een geldboete van € 50.000,- passend en geboden.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24c, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

9. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde:

de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdenveertig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;

veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 50.000,00 (vijftigduizend euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 285 dagen hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. L. Amperse, voorzitter,

en mrs. M.C. Franken en C. Vogtschmidt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K. Aagaard, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 maart 2021.

De oudste en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

zij,

op of omstreeks 1 mei 2014 tot en met 5 december 2019 te ‘s-Gravenhage en/of

(elders) in Nederland,

opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de

Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten:

aangiften omzetbelasting met betrekking tot [naam verdachte] over de

aangiftetijdvakken eerste kwartaal 2014 tot en met derde kwartaal

derde kwartaal 2016 tot en met het eerste kwartaal 2018, en/of

2014 en/of

aangiften inkomstenbelasting met betrekking tot [naam verdachte] over de jaren

2016 en/of 2017 (DOC-107, p. 672),

niet of niet binnen de door de Inspecteur der belastingen/de Belastingdienst

gestelde termijn heeft gedaan,

terwijl die feiten er toe strekten dat te weinig belasting werd geheven;

2.

zij,

op of omstreeks 29 januari 2015 tot en met 28 juli 2016 te ‘s-Gravenhage en/of

Heerlen en/of Apeldoorn en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de

Algemene wet inzake rijksbelastingen,

te weten een (digitale) aangifte omzetbelasting op naam van [naam verdachte]

betreffende de aangiftetijdvakken:

-vierde kwartaal 2014, en/of

-eerste kwartaal 2015, en/of

-tweede kwartaal 2015, en/of

-derde kwartaal 2015, en/of

-vierde kwartaal 2015, en/of

-eerste kwartaal 2016, en/of

-tweede kwartaal 2016,

(gedeeltelijk) onjuist en/of onvolledig heeft/hebben gedaan en/of

heeft/hebben laten doen,

immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) opzettelijk

op/in het/de bij/naar de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te

‘s-Gravenhage en/of ‘s-Hertogenbosch en/of Apeldoorn en/of elders in Nederland

ingeleverde/gezonden aangiftebiljetten omzetbelasting over voornoemde

kwartalen, (telkens) een te laag bedrag aan omzet en/of een te laag bedrag

waarover omzetbelasting wordt berekend en/of een te laag bedrag aan

omzetbelasting en/of een te laag bedrag aan “Totaal omzetbelasting” en/of een

te laag belastbaar bedrag, althans (telkens) een te laag bedrag aan belasting

opgegeven en/of vermeld, en/althans door die/een ander(en) doen of laten

opgeven en/of vermelden,

terwijl die feiten er toe strekten dat te weinig belasting werd geheven;

3.

zij,

op of omstreeks 12 juli 2015 tot en met 16 januari 2017 te ‘s-Gravenhage en/of

Apeldoorn en/of Heerlen (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de

Algemene wet inzake rijksbelastingen,

te weten een (digitale) aangifte inkomstenbelasting op naam van [naam verdachte]

betreffende de jaren 2014 en 2015

(gedeeltelijk) onjuist en/of onvolledig heeft/hebben gedaan en/of heeft/hebben

laten doen,

immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) opzettelijk

op/in het/de bij/naar de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te

‘s-Gravenhage en/of Apeldoorn en/of Heerlen en/of elders in Nederland

ingeleverde/gezonden aangiftebiljetten inkomstenbelasting over voornoemde

jaren, (telkens) geen winst uit onderneming opgegeven en/of een te laag bedrag

aan winst uit onderneming opgegeven en/of een te laag bedrag aan

verzamelinkomen opgegeven en/of vermeld, althans (telkens) een te laag bedrag

aan belastbaar inkomen opgegeven en/of vermeld, en/althans door die/een

ander(en) doen of laten opgeven en/of vermelden,

terwijl die feiten er toe strekten dat te weinig belasting werd geheven;

zij,

op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2014

tot en met 27 maart 2019,

te ‘s-Gravenhage en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

een of meer geschriften, te weten:

-een creditfactuur van [naam bedrijf] op naam van [naam 1] gedateerd 1

augustus 2014 (DOC-037, p. 412), en/of

-een creditfactuur van [naam bedrijf] op naam van [naam 2] gedateerd 13

april 2015 (DOC-142, p. 862),

-een creditfactuur van [naam bedrijf] op naam van [naam 3] gedateerd 18 mei

2017 (DOC-137, p. 857), en/of

-een creditfactuur van [naam bedrijf] op naam van [naam 1] gedateerd 18

augustus 2017 (DOC-140, p. 860), en/of

-een creditfactuur van [naam bedrijf] op naam van [naam 3] gedateerd 15

september 2017 (DOC-031, p. 388), en/of

-een creditfactuur van [naam bedrijf] op naam van [naam 4] gedateerd 1

februari 2018 (DOC-044, p. 439), en/of

-een creditfactuur van [naam bedrijf] op naam van [naam 3] gedateerd 7

februari 2019 (DOC-136, p. 856), en/of

-een creditfactuur van [naam bedrijf] op naam van [naam 1] gedateerd 14

februari 2019 (DOC-139, p. 859), en/of

-een creditfactuur van [naam bedrijf] op naam van [naam 4] gedateerd 27 maart

2019 (DOC-141, p. 861),

(elk) zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van

enig feit te dienen,

(telkens) valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of heeft/hebben vervalst en/of

doen (laten) opmaken en/of doen (laten) vervalsen,

immers heeft/hebben zij en/of haar mededader(s), (telkens) valselijk en in

strijd met de waarheid, op die creditfacturen vermeld dat er een

betalingsverplichting bestond van [naam bedrijf] aan [naam 3] en/of [naam 1]

en/of [naam 4] en/of [naam 2] , terwijl daar in werkelijkheid

geen sprake van was,

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en

onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken.