Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:2568

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-03-2021
Datum publicatie
25-03-2021
Zaaknummer
C/10/585176 / HA ZA 19-1023
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil tussen een verzekeraar en een volmachtbedrijf. Grenzen van de volmacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/585176 / HA ZA 19-1023

Vonnis van 10 maart 2021

in de zaak van

de vennootschap naar buitenlands recht

CHINA TAIPING INSURANCE (UK) CO LTD,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaat mr. A.J. van Steenderen te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE HOLLANDSCHE VERZEKERINGS MAATSCHAPIJ B.V.,

gevestigd te Hardinxveld-Giessendam,

gedaagde,

advocaat mr. C. Banis te Rotterdam.

Partijen zullen hierna China Taiping en DHV genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    de berichten van de rechtbank omtrent de mondelinge behandeling en de afgelasting daarvan in verband met de pandemie;

  • -

    de conclusie van repliek;

  • -

    de conclusie van dupliek;

  • -

    de brief d.d. 7 augustus 2020 waarbij alsnog een mondelinge behandeling is bepaald;

  • -

    de voor die zitting overgelegde producties van DHV;

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 4 november 2020;

  • -

    de opmerkingen naar aanleiding van het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

Tussen partijen is op 1 augustus 2017 na ongeveer een jaar van onderhandelingen een volmachtovereenkomst gesloten, die DHV het recht geeft om op naam van China Taiping en voor haar risico verzekeringsovereenkomsten af te sluiten. Deze overeenkomst , waarin China Taiping is aangeduid als de Maatschappij en DHV als gevolmachtigde, luidt voor zover relevant:

“ (…) 11. Aansprakelijkheid

11.1.

Partijen zijn jegens elkaar aansprakelijk voor de schade die het gevolg is van een

toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen uit deze

overeenkomst.

(…)

II. Bijzondere bepalingen inzake de verleende volmacht

16. Omvang van de volmacht

16.1

Gevolmachtigde is bevoegd om voor risico van de Maatschappij zelfstandig

overeenkomsten van verzekeringen aan te gaan volgens de bepalingen van deze

overeenkomst.

16.2

Het is Gevolmachtigde, tenzij met de Maatschappij anders overeengekomen, niet

toegestaan:

(…)

d. verzekeringen te accepteren boven de limieten en buiten de overeengekomen

branches als in deze overeenkomst neergelegd;

(…)

19. Richtlijnen en instructies Acceptatie

19.1

Gevolmachtigde zal uitsluitend risico’s accepteren op basis van door de Maatschappij

goedgekeurde voorwaarden en tarieven en overeenkomstig de richtlijnen en

instructies zoals vermeld in bijlage 7 (acceptatierichtlijnen van de Maatschappij).

(…)

Bijlage 6. Overzicht Branches en Limieten

De verleende volmacht geldt uitsluitend:

• voor de branches en producten, die staan vermeld in deze bijlage

• ten hoogste de in deze bijlage vermelde maximum acceptatielimieten.

(…)

Voor alle niet in deze bijlage genoemde brandrisico’s treedt de Gevolmachtigde in overleg met de Maatschappij. De uiteindelijke beslissing betreffende de acceptatie van deze risico’s wordt genomen door de Maatschappij.

(…)

Ia. Bedrijven

(…) Voor alle risico’s boven deze limieten treedt de Gevolmachtigde in overleg met de

branchedeskundigen van de Maatschappij. De uiteindelijke beslissing betreffende de acceptatie van risico’s vallende buiten voornoemde kaders, wordt genomen door de Maatschappij.

(…)

Bijlage 7. Acceptatie-instructies (…)

Bijzondere Richtlijnen

I. BRANDVERZEKERINGEN (…)

2.7

Uitgesloten risico's:

(…)

Niet acceptabel:

- Bedrijfsverzamelgebouwen

(…)”

2.2a

Op 20 december 2017 heeft DHV aan China Taiping een mail van een hypotheekadviseur doorgestuurd, met de vraag of de daarin genoemde risico’s onder de volmacht verzekerd konden worden. In de mail van de hypotheekadviseur wordt vermeld:

“(…)

Hoe dan ook is voor wat betreft D&S het geheel aangeboden. Dat wil zeggen;

1. De Portefeuille van D&S zelf

2. De Portefeuille van de VVE's waarvoor D&S opkomt. (…)”

2.2.b

In een e-mail van 27 december 2017 heeft China Taiping daarop geantwoord:

“(…) Ik heb de portefeuilles bekeken.

Wij hebben uitsluitend mogelijkheden voor brand en evt. AVB in combinatie met de gebouwen. Geen andere verzekeringen !

Alles mbt woningen zouden we conform ons tarief (VVE’s) kunnen doen, geen probleem.

Wat betreft de overige zaken is het lastiger.

Deels omdat we risicoinformatie missen en deels vanwege risico’s die we niet doen of tekenen in volmacht of dat de verzekerde som te hoog is.

Wij doen bijvoorbeeld geen garages, manege, bedrijfsverzamelgebouwen en vuurwerkopslag. Ook voor bepaalde items is de premie aangehouden voor winkels en woningen terwijl de bestemming anders is.

Dus woningen is prima voor de overige zaken zie ik geen mogelijkheden.

(…) ”

2.3

Op 3 mei 2018 heeft China Taiping in het kader van een audit een bezoek gebracht aan het kantoor van DHV.

2.4

Per 1 augustus 2018 heeft DHV met gebruikmaking van de volmacht een verzekeringsovereenkomst met D&S gesloten op NBUG 2006 voorwaarden, die mede het risico van brand dekt. Er is een polis op naam van China Taiping afgegeven. Ingevolge die overeenkomst is verzekerd een pand gelegen te Schiedam op de hoek van de Van Cleefstraat en de Nieuwe Mathenesserstraat (hierna: het pand).

2.5

China Taiping heeft, zoals gebruikelijk voor onder de volmacht verzekerde risico’s, geen polisblad van deze verzekering ontvangen.

In het pand, dat uit vier delen bestond, was een meubelzaak gevestigd (drie delen) en een autopoetsbedrijf. Beide ondernemingen hadden een eigen ingang. Zij werden gedreven door twee verschillende ondernemers. Het autopoetsbedrijf had als adres [adres 1] , de meubelzaak [adres 2] .

Op 26 februari 2019 is brand ontstaan in het pand. Als gevolg van de brand is het pand total loss verklaard.

China Taiping heeft aanvankelijk dekking geweigerd, doch na aandringen van DHV alsnog dekking erkend. DHV heeft de schadeafwikkeling mede begeleid. Aan D&S als verzekerde is inmiddels uitgekeerd € 422.206,61. Zij gaat, in afwijking van een eerder voornemen, voorlopig niet tot herbouw over. Afgesproken is dat zij nog tot februari 2021 de tijd heeft om –toch nog– tot herbouw over te gaan, in welk geval de reeds opgemaakte akte van taxatie geldt.

Op 17 april 2019 heeft China Taiping DHV aansprakelijk gesteld.

Voor het pand heeft China Taiping totaal € 306,64 aan premie ontvangen.

3. Het geschil

3.1.

China Taiping vordert samengevat:

I. voor recht te verklaren dat DHV haar volmacht heeft overschreden ter zake het onderhavige risico van D&S, in het bijzonder het brandrisico dat zich heeft verwezenlijkt op 26 februari 2019, en dat DHV daarvoor jegens China Taiping aansprakelijk is en

gehouden is de schade en kosten die China Taiping dientengevolge heeft geleden

respectievelijk heeft gemaakt, te vergoeden;

II. alsmede DHV te veroordelen tot betaling van een voorschot op de

schadevergoeding ter hoogte van het tot op heden door China Taiping aan verzekerde

(D&S) uitgekeerde schadebedrag van € 261.818,00, te vermeerderen met de

wettelijke handelsrente ex art. 6:119a BW althans met de wettelijke rente ex

art. 6:119 BW met ingang van de datum van betaling als volgt:

- voor de salvagekosten (€ 1.026,51) per 4 juni 2019,

- voor de onderzoekskosten [naam] (€ 2.590,73) per 16 augustus

2019,

- voor de eerste schadevergoeding aan verzekerde (€ 258.200,75) per

30 september 2019,

alles tot en met de dag der algehele voldoening,

III. DHV te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten

ad € 4.224,00;

IV. DHV te veroordelen tot betaling van de proceskosten alsmede de nakosten van dit geding.

3.2.

DHV voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

Het betreft een geschil tussen een verzekeraar, China Taiping, en een volmachtbedrijf, DHV, over de vraag of de (brand)verzekeringsovereenkomst van een inmiddels afgebrand pand gelet op de volmacht mocht worden afgesloten. Vast staat dat Nederlands recht van toepassing is.

4.2

Tussen partijen staat niet ter discussie dat bedrijfsverzamelgebouwen niet door DHV met gebruikmaking van de volmacht bij China Taiping verzekerd mochten worden. Partijen twisten over de vraag wat in het algemeen verstaan moet worden onder een bedrijfsverzamelgebouw en of het pand in kwestie als zodanig kan worden aangemerkt, maar uiteindelijk komt het aan op de vraag of DHV door het pand onder de volmacht te verzekeren haar volmacht heeft overschreden en dus wanprestatie heeft gepleegd.

4.3

De rechtbank stelt voorop dat de volmachtovereenkomst geen definitie van de term bedrijfsverzamelgebouw bevat. Er bestaat, naar tussen partijen vast staat, ook geen definitie van dat begrip op de beurs, de provinciale markt of in het volmachtbedrijf; ook gezaghebbende organisaties zoals het Verbond van Verzekeraars hanteren geen vaste definitie. Dat betekent, dat het aankomt op Haviltex-uitleg. Het gaat er dan niet alleen om wat DHV heeft begrepen omtrent de betekenis van dat woord, maar ook wat zij daaromtrent in redelijkheid kon en moest begrijpen, gelet op alle omstandigheden, op de verhouding tussen haar en China Taiping en op de verwachtingen aan de zijde van China Taiping waarmee zij rekening diende te houden.

Daarbij is het uitgangspunt dat beide partijen zijn te beschouwen als deskundig op het gebied van verzekeringen.

4.4.

De volmacht gaf DHV de mogelijkheid om, op naam en voor risico van China Taiping, verzekeringen af te sluiten waaraan China Taiping gebonden zou zijn zonder dat China Taiping het risico zelf beoordeelde. De verhouding tussen een verzekeraar en een volmachtbedrijf berust, naar DHV als ervaren gevolmachtigde voor diverse verzekeraars weet, in hoge mate op vertrouwen. Vast staat in dit geval dat China Taiping geen kopie van de polisbladen kreeg. Zowel voor als na het sluiten van de verzekeringsovereenkomst moest zij dus geheel kunnen vertrouwen op DHV.

Omdat in de acceptatierichtlijnen van de volmachtovereenkomst bedrijfsverzamelgebouwen expliciet waren uitgesloten van de volmacht was voor China Taiping van belang dat DHV een gebouw niet met gebruikmaking van de volmacht zou verzekeren als er twijfel zou bestaan over het antwoord op de vraag of het te verzekeren pand een bedrijfsverzamelgebouw betrof. Dat belang was voor DHV in redelijkheid kenbaar. De overeenkomst voorzag voorts, in het algemeen, in de verplichting om concrete risico’s die niet zonder meer aan de acceptatierichtlijnen voldeden aan China Taiping voor te leggen (zie 2.1). Dat heeft DHV in het kader van de volmacht in voorkomend geval ook daadwerkelijk gedaan, bijvoorbeeld met de mail van 20 december 2017.

China Taiping mocht, in die situatie, redelijkerwijs verwachten dat DHV bij twijfel contact met haar op zou nemen. DHV diende rekening te houden met die verwachting.

Anders dan DHV meent is daarbij niet van belang waarom China Taiping bedrijfsverzamelgebouwen had uitgesloten. Dat was immers een keuze van China Taiping en het was niet aan DHV om naar eigen inzicht een andere afweging te maken. De contra-proferentem-regel speelt evenmin een rol. Dat aldus DHV niet de volle vrijheid had om zelf te bepalen wat zij zou verzekeren en dat het optreden als gevolmachtigde voor China Taiping daardoor tijdrovender en bewerkelijker was, is een gevolg van de afspraken die China Taiping en DHV, na uitgebreide onderhandelingen, als professionele partijen hadden gemaakt.

Tegen die achtergrond moet de overeenkomst zo worden uitgelegd dat DHV een gebouw alleen zonder vooroverleg onder de volmacht mocht verzekeren in geval niet aan redelijke twijfel onderhevig was dat het geen uitgesloten risico betrof. Dat betekent dat het buiten redelijke twijfel moest zijn dat het pand in kwestie geen bedrijfsverzamelgebouw was.

4.5

Op basis van de taalkundige betekenis van het woord bedrijfsverzamelgebouw is in elk geval van belang dat het ging om een gebouw waarin meer dan één bedrijf gevestigd is. Daarvan is, gegeven de vaststaande feiten, hier sprake. In het gebouw waren een meubelzaak en een autopoetsbedrijf gevestigd. Die enkele omstandigheid was grond voor redelijke twijfel.

Voor zover DHV meent dat zij die twijfel toch niet hoefde te hebben gelet op de interpretatie die andere verzekeraars aan deze term geven, strandt dat argument op het kennelijke gebrek aan overeenstemming in de markt. Uit de door DHV zelf overgelegde stukken valt op te maken dat er door verzekeraars verschillend wordt omgegaan met dit begrip.

Dat betekent, dat DHV dit risico in beginsel separaat moest voorleggen aan China Taiping en dat China Taiping dat ook van haar mocht verwachten.

Voor een uitzondering op dat uitgangspunt gelet op de eerdere contacten tussen partijen is geen ruimte, integendeel. In december 2017 had DHV een pakket van andere aan D&S toebehorende objecten aan China Taiping ter mogelijke verzekering voorgelegd, en daarop van China Taiping te horen gekregen dat uitsluitend de woningen zonder meer voor verzekering in aanmerking kwamen (vgl.2.2b.). Daaruit had DHV in ieder geval moeten opmaken dat China Taiping niet klakkeloos bereid was om de grenzen van de volmacht ruim te interpreteren. In die mail was ook nog uitdrukkelijk gewezen op de uitsluiting voor bedrijfsverzamelgebouwen. DHV heeft toen niet om nadere uitleg gevraagd en heeft ook geen nadere toelichting gegeven. Toen zij, later, uit diezelfde D&S portefeuille het onderhavige pand ter dekking kreeg aangeboden, heeft zij in het geheel geen contact met China Tai ping opgenomen.

4.6

Nu DHV in de zomer van 2018 het onderhavige gebouw met gebruikmaking van de volmacht namens China Taiping heeft verzekerd zonder daarover eerst China Taiping te raadplegen terwijl er minst genomen twijfel bestond over de vraag of het een bedrijfsverzamelgebouw betrof heeft zij de grenzen van haar volmacht overschreden en daarmee wanprestatie gepleegd jegens China Taiping. De volmachtovereenkomst zelf stelt buiten twijfel dat zij jegens China Taiping voor de schade ten gevolge van die wanprestatie aansprakelijk is.

4.7

Wat in het algemeen moet worden verstaan onder een bedrijfsverzamelgebouw doet, gelet op vorenstaande afweging in dit geval, niet ter zake. Dat geldt ook voor het belang van de verschillende adressen, de precieze indeling van het pand en het al dan niet verhoogde risico van de in het pand gevestigde bedrijven. In de gegeven omstandigheden was immers voor dit pand niet evident dat het géén bedrijfsverzamelgebouw was en kon DHV dus niet aannemen dat zij het onder de volmachtovereenkomst zonder verder overleg namens en voor risico van China Taiping mocht verzekeren.

Evenmin ter zake doet of de heer Dirks, namens DHV, al dan niet in een telefoongesprek aansprakelijkheid heeft erkend.

4.8

Van eigen schuld van China Taiping is geen sprake. Ook als juist is dat de sfeer tussen China Taiping en DHV goed was, dat China Taiping de indruk gaf dat er veel mogelijk was en dat China Taiping andere panden van D&S wel geaccepteerd heeft, valt dat niet aan te merken als eigen schuld van China Taiping aan deze schade.

De rechtbank begrijpt het verweer van DHV verder zo dat China Taiping uit de haar verschafte gegevens - maandelijkse overzichten met de voor haar rekening en risico geaccepteerde risico’s en de premie- had moeten opmaken dat DHV dit pand in dekking had genomen en dat zij daartegen, als zij daar niet mee akkoord was, voorafgaand aan de brand had moeten optreden. Nog daargelaten dat niet voldoende is onderbouwd dat China Taiping had kunnen zien dat dit pand in dekking genomen was faalt dit verweer. D&S stond buiten dit geschil en kon zich, ongeacht eventuele na het sluiten van de verzekeringsovereenkomst bij China Taiping opgekomen bezwaren, beroepen op dekking.

De schade, in de vorm van de uitkering aan D&S uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst met kosten, vloeit voort uit het eigenmachtig sluiten van de verzekeringsovereenkomst door DHV als zodanig, en dus uit de wanprestatie. Die schade is niet mede veroorzaakt door nalatigheid van China Taiping. De schade is door de, naar inmiddels vast staat, onterechte aanvankelijke dekkingsweigering jegens de verzekerde niet toegenomen, zodat ook in zoverre geen sprake is van eigen schuld.

4.9

Partijen zijn het erover eens dat de verzekeringsovereenkomst dekking bood voor de schade zoals die zich heeft gemanifesteerd en die inmiddels door China Taiping is vergoed tot een bedrag van € 422.206,61. Deze schade is veroorzaakt door de wanprestatie van DHV omdat zij rechtstreeks voortvloeit uit het sluiten van de verzekeringsovereenkomst namens en voor risico van China Taiping.

Nu dit bedrag het gevorderde voorschot overstijgt en blijkens de verklaringen ter zitting aan verzekerde de gelegenheid is geboden om het pand toch te laten herbouwen en haar in dat geval een hoger bedrag aan schadepenningen toekomt, zal het voorschot worden toegewezen als onder II gevorderd. Bij wijze van voordeelverrekening in de zin van art. 6:100 BW dient daarop in mindering te strekken het bedrag van de door China Taiping -naar uit het vorenstaande voortvloeit- ten onrechte ontvangen premie ad € 306,64, een en ander als in het dictum te melden.

De onder I gevorderde verklaring voor recht, waarbij China Taiping gelet op de schade-afwikkeling als hiervoor genoemd, voldoende belang heeft zal worden toegewezen als in het dictum.

4.10

De bijkomende kosten van expertise, onderzoek en salvage ad € 13.593,21 zijn met medeweten van DHV gemaakt en de noodzaak, de redelijkheid en de hoogte daarvan zijn niet betwist. Deze kosten hadden niet gemaakt hoeven worden als DHV niet buiten de volmacht de verzekeringsovereenkomst had gesloten, zodat deze posten deel uitmaken van de te vergoeden schade.

Dat buitengerechtelijke incassokosten als gevorderd zijn gemaakt is onvoldoende onderbouwd.

4.11

De rentevordering is toewijsbaar op de voet van art. 6:119 BW. Het gaat hier niet om een handelstransactie zodat art. 6:119a BW toepassing mist. De vordering zal wat betreft de ingangsdata, als niet betwist, dienovereenkomstig worden toegewezen.

4.12

DHV wordt, als in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van China Taiping worden begroot op:

- dagvaarding € 103,58

- griffierecht € 4.030,00

- salaris advocaat € 7.472,61 (3,0 punt × tarief € 2.490,87)

Totaal € 11.616,19

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat DHV haar volmacht heeft overschreden ter zake het onderhavige risico dat zich heeft verwezenlijkt op 26 februari 2019 en dat DHV daarvoor jegens China Taiping aansprakelijk is en gehouden is de schade en kosten die China Taiping dientengevolge heeft geleden respectievelijk heeft gemaakt, te vergoeden, voor zover deze schade en kosten na te noemen voorschot te boven gaan,

II. veroordeelt DHV om bij wijze van voorschot aan China Taiping te betalen een bedrag van € 261.818,00 (zegge: tweehonderdeenenzestigduizend achthonderdenachttien euro) vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over:

  • -

    het bedrag van € 258.200,75 met ingang van 30 september 2019

  • -

    het bedrag van € 1.026, 51 met ingang van 4 juni 2019

- het bedrag van € 2.590,73 met ingang van 16 augustus 2019

telkens tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt DHV in de proceskosten, aan de zijde van China Taiping tot op heden begroot op € 11.339,58,

5.3.

veroordeelt DHV in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2021.

106/1582