Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:2565

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-03-2021
Datum publicatie
25-03-2021
Zaaknummer
10/268365-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak witwassen. De rechtbank staat uitgebreid stil bij het in de rechtspraak ontwikkelde toetsingskader en de toepassing daarvan in deze zaak.

Het vonnis in deze zaak is op een nieuwe manier opgebouwd. Er wordt direct een samenvatting van het vonnis gegeven en de lezer kan aan de hand van een leeswijzer direct naar het hoofdstuk gaan waar de interesse naar uitgaat. Deze nieuwe vorm is gekozen door de drie rechters en de griffier in deze zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ROTTERDAM

Team 1

Parketnummer: 10/268365-19

Datum uitspraak: 22 maart 2021

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] .

Advocaat van de verdachte: mr. R.T. Schrama, advocaat te Rijswijk.

Officier van justitie: mr. M.L.B. Wille.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van 8 maart 2021.

Kern van het vonnis

De verdachte wordt beschuldigd van witwassen. Op de zitting stond de vraag centraal of, aan de hand van het in de rechtspraak ontwikkelde toetsingskader, bewezen kan worden dat het ten laste gelegde geldbedrag van misdrijf afkomstig is. Deze vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend en daarom komt zij niet meer toe aan de vraag of de verdachte dat ook wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden. De verdachte wordt vrijgesproken.

Inhoudsopgave van dit vonnis

De verdachte wordt - kort samengevat - beschuldigd van het witwassen van een geldbedrag van € 1.465,- en een geldbedrag van € 1.500,-. De volledige tekst van de beschuldiging zoals deze door de officier van justitie is opgeschreven in de tenlastelegging is opgenomen in hoofdstuk 1 van dit vonnis.

De rechtbank vindt de beschuldiging niet bewezen. De argumenten die tot vrijspraak hebben geleid zijn in hoofdstuk 2 van dit vonnis uiteengezet.

Hoofdstuk 3 sluit dit vonnis af met een korte weergave van de beslissing en de ondertekening door de rechters en de griffier.

1. De beschuldiging in de tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks de periode 13-04-2019 tot en met 18-04-2019 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, van één of meer geldbedrag(en), te weten 1.465,- euro en/of 1.500,- euro, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, dan wel heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op één of meer geldbedrag(en), te weten 1.465,- euro en/of 1.500,- euro, is/zijn, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie één of meer geldbedragen, te weten 1.465,- euro en/of 1.500,- euro, voorhanden heeft gehad,

en/of één of meer geldbedrag(en), te weten 1.465,- euro en/of 1.500,- euro, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van één of meer geldbedrag(en), te weten 1.465,- euro en/of 1.500,- euro gebruik heeft gemaakt, terwijl zij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

2. Motivering vrijspraak

Algemeen

Zoals hiervoor al is beschreven is de beschuldiging aan de verdachte dat zij door geldtransacties van Nederland naar Ecuador via zogeheten ‘money transfers’ twee geldbedragen (hierna: het geld) heeft witgewassen. Voor een bewezenverklaring van witwassen is onder meer vereist dat wordt vastgesteld dat het geld ‘afkomstig is uit enig misdrijf’. Dat daarvan sprake is kan direct of indirect worden bewezen.

Afkomstig uit enig misdrijf

Op grond van beschikbare bewijsmiddelen kan niet worden vastgesteld dat er een rechtstreeks verband is tussen het geld en een nauwkeurig aan te duiden misdrijf en/of wie, wanneer en waar dat misdrijf concreet heeft of is begaan. Een andere voldoende bewijsgrondslag zou kunnen zijn dat op grond van de bewijsmiddelen rechtstreeks de conclusie wordt getrokken dat het niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Daarvan is evenmin sprake. Een en ander is ook het standpunt van zowel de officier van justitie als de verdediging.

Constructie bewijsvermoeden

Dat het niet anders kan zijn dan dat het geld van enig misdrijf afkomstig is, kan ook via de weg van een bewijsvermoeden worden geconstrueerd. Als de door de officier van justitie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is (hierna: bewijsvermoeden), mag van de verdachte worden verlangd dat zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het geld niet van misdrijf afkomstig is. Als zo’n verklaring door de verdachte niet wordt gegeven, kan dat een rol spelen bij de bewijsoverwegingen. Belangrijk daarbij is dat een en ander niet inhoudt dat de verdachte aannemelijk moet maken dat het geld niet van misdrijf afkomstig is.1

- Bewijsvermoeden

Een aanwijzing voor een bewijsvermoeden is dat in een onderzoek naar de invoer van bijna 30 kilogram cocaïne uit Ecuador een aantal chatberichten zijn onderschept waarin de aan de verdachte en haar medeverdachten ten laste gelegde ‘money transfers’ worden besproken. Het gegeven dat de geldtransacties kennelijk bedoeld waren voor de financiering van verdovende middelen, is op zichzelf echter nog niet voldoende voor een bewijsvermoeden dat het geld afkomstig is uit enig misdrijf.2 Dat wordt anders als deze aanwijzing wordt bezien in samenhang met de volgende feiten en omstandigheden (onder a)) en feiten van algemene bekendheid (onder b)):

a)

  1. Niet alleen de verdachte is gevraagd om geld over te maken naar voor haar onbekende personen in Ecuador, maar ook vijf medeverdachten.

  2. Zij kregen allemaal het verzoek om één keer of meerdere keren geld over te maken via verschillende filialen van Western Union, RIA en Moneygram.

  3. De overboekingen van de verdachte en de medeverdachten hebben op één na allemaal op dezelfde dag plaatsgevonden.

  4. Zij ontvingen het over te boeken bedrag contant van de verzoeker. Het ging daarbij steeds om bedragen rond de 1.500 of 1.950 euro.

  5. Uit de chatberichten blijkt dat in totaal bijna 20.000 dollar via de money transfers is overgeboekt.

b)

  1. Het fysiek vervoeren van grote bedragen in contanten brengt aanzienlijke veiligheidsrisico’s met zich.

  2. Het splitsen van een groot geldbedrag in porties beneden de grens van 2.000 euro duidt op ‘smurfen’, oftewel het in zodanige porties omwisselen van geld dat geen melding ongebruikelijke transactie behoeft plaats te vinden.

  3. Het is aanmerkelijk duurder en omslachtiger om geld over te maken naar het buitenland via money transfers dan via girale transacties.

Uit dit alles bij elkaar kan een gerechtvaardigd bewijsvermoeden worden afgeleid dat het niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Van de verdachte mag daarom worden verlangd dat zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het geld niet van misdrijf afkomstig is.

- Verklaring verdachte

De verdachte heeft verklaard dat zij de money transfers op verzoek van een derde heeft verricht respectievelijk heeft geprobeerd te verrichten, omdat die derde dat zelf niet kon doen. De naam van die derde heeft zij niet willen noemen, maar die persoon betrof een bekende van haar die ze vertrouwde. Het geld zou volgens die derde bestemd zijn geweest ‘voor iemand die dat nodig heeft’.

- Beoordeling verklaring van de verdachte

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van de verdachte concreet en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Sterker nog: het is heel aannemelijk dat het is gegaan zoals de verdachte heeft verklaard, gelet op de verklaringen van de medeverdachten die (in de kern) hetzelfde hebben verklaard als de verdachte en de overige omstandigheden rond de transacties. Waar het vervolgens op aankomt is of de verklaring van de verdachte ook verifieerbaar is, en zo nee of die (enkele) vaststelling tegen de achtergrond van alle omstandigheden voldoende is om tot de conclusie te komen dat het niet anders kan zijn dan dat het geld van misdrijf afkomstig is. De officier van justitie is duidelijk en stellig: ‘niet verifieerbaar’ dus ‘kan het niet ander zijn dan dat’ het geld van enig misdrijf afkomstig is.

De rechtbank vindt ook dat het met de verifieerbaarheid van de verklaring van de verdachte niet overhoudt. Weliswaar zijn onderdelen van de verklaring van de verdachte te onderzoeken, maar met name de concrete naam van de geldgever blijft uit. Toch geeft deze gedeeltelijke niet-verifieerbaarheid van de verklaring van de verdachte voor de rechtbank niet de doorslag naar de conclusie ‘dat het niet anders kan zijn dan dat het geld afkomstig is uit enig misdrijf’. Daarbij zijn de volgende vijf punten van belang, waarbij nogmaals wordt benadrukt dat het uitdrukkelijk niet aan de verdachte om aannemelijk te maken dat het geld niet van misdrijf afkomstig is.

  1. Het uitblijven van een (voldoende) verklaring van de verdachte over de herkomst van het geld kan in samenhang met het bewijsvermoeden leiden tot de conclusie dat het gaat om geld dat van misdrijf afkomstig is. Het is daarmee de verdachte zelf die als het ware het bewijsvermoeden het benodigde zetje kan geven om van bewijsvermoeden te verschieten naar bewijs. De eisen die aan de verklaring van de verdachte mogen worden gesteld hangen daarmee ook in belangrijke mate samen met de omvang van het bewijsvermoeden.

  2. Het vastgestelde bewijsvermoeden heeft een voldoende basis, maar deze basis is niet van gewapend beton. Het fundament van het bewijsvermoeden bestaat bovendien voor een groot deel uit feiten en omstandigheden waar de verdachte geen weet van heeft en daarom niet in haar verklaring terugkomen. Deze atypische omstandigheid is van invloed op de eisen die aan de verklaring van de verdachte mogen worden gesteld, met name bij de vraag in hoeverre de verdachte in de gelegenheid is om aan dat deel van het bewijsvermoeden ‘tegenwicht’ te bieden.

  3. De eisen die - in dit geval - aan de verifieerbaarheid van de verklaring van de verdachte mogen worden gesteld hangen samen met de mate van concreetheid en waarschijnlijkheid van die verklaring.3 De vaststelling dat de verklaring van de verdachte over de niet-criminele herkomst van het geld niet hoogst onwaarschijnlijk en zelfs aannemelijk is, staat op gespannen voet met een oordeel dat het ‘niet anders kan zijn dan dat’ het geld van misdrijf afkomstig is.

4. Bij de beoordeling van de verklaring van de verdachte spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen, ook een rol. Wat daarbij klemt is dat de verklaring van de verdachte mogelijk is gekleurd door - niet direct op haar of de herkomst van het geld betrekking hebbende - informatie die de politie in het verhoor heeft prijsgegeven, waardoor de positie van de verdachte bij de verklaring over de herkomst van het geld niet meer blanco was.

5. Uit het dossier blijkt dat bij de politie en de officier van justitie verdachten in beeld waren die mogelijk betrokken zijn geweest bij de financiering van het drugstransport en de transacties. Dat maakt dat de nadruk leggen op de verifieerbaarheid van de verklaring van de verdachte voor een deel vragen naar de bekende weg is. Anders gezegd: nader onderzoek naar de herkomst van het geld mag niet alleen afhankelijk zijn van de verklaring van de verdachte.

Conclusie

Er is geen direct/rechtstreeks bewijs dat het geld van enig misdrijf afkomstig is. Evenmin kan, gelet op het beperkte bewijsvermoeden en de verklaring van de verdachte, worden vastgesteld dat het niet anders kan zijn dan dat het geld van enig misdrijf afkomstig is. Het bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ kan daarom niet worden bewezen en de verdachte wordt - al hierom - vrijgesproken van het ten laste gelegde.

3. Beslissing in het kort en ondertekening

De rechtbank:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H. Janssen, voorzitter,

en mrs. J.C. Tijink en E.M. Moerman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.M.H. van Mullekom, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 22 maart 2021.

De oudste rechter en jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Vgl. HR18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352

2 Vgl. HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:571, rov. 2.3

3 Vgl. de noot van J.M. Reijntjes, nr. 4 onder EHRM 2 mei 2017, ECLI:CE:ECHR:2017:0502DEC002357207, NJ 2017/360 (Zschüschen/België).