Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:2544

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-03-2021
Datum publicatie
25-03-2021
Zaaknummer
C/10/614389 / FA RK 21-1777
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Wet zorg en dwang (Wzd), rechterlijke machtiging, 24 Wzd, afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM


Team familie

Zaak-/rekestnummer: C/10/614389 / FA RK 21-1777

Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 17 maart 2021 betreffende een rechterlijke machtiging tot voortzetting van het verblijf als bedoeld in artikel 24 van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (hierna: Wzd)

op verzoek van:

het CIZ,

met betrekking tot:

[naam cliënt] ,

geboren op [geboortedatum cliënt] ,

hierna: cliënt,

wonende te [woonplaats cliënt] ,

thans verblijvende in ASVZ, locatie Merwebolder te Sliedrecht,

advocaat mr. M. Mook te Rotterdam.

1. Procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift van het CIZ, ingekomen ter griffie op 3 maart 2021.

Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:

  • -

    het indicatiebesluit op grond van artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg van 1 augustus 2015;

  • -

    de medische verklaring, opgesteld en ondertekend door [naam arts] , arts, van 18 februari 2021;

  • -

    de aanvraag voor een rechterlijke machtiging van 10 februari 2021;

  • -

    een afschrift van het zorgplan van 17 februari 2021.

1.2.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 17 maart 2021. Bij die gelegenheid zijn (overeenkomstig artikel 2 lid 1 van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid) via beeld- en geluidverbinding gehoord:

  • -

    cliënt met zijn hiervoor genoemde advocaat;

  • -

    [naam orthopedagoog] , othopedagoog en [naam woonbegeleider] , woonbegeleider, beiden verbonden aan ASVZ.

2. Beoordeling

2.1.

In de overgelegde stukken staat dat cliënt een verstandelijke beperking heeft. Hij betwist zelf dat hij een verstandelijke beperking heeft en op basis van het IQ van cliënt is dat inderdaad twijfelachtig, omdat cliënt in het grensgebied tussen normaal en zwakbegaafd zit. Bovendien is het de vraag of het genoemde ernstig nadeel voorkomt uit de betwiste verstandelijke beperking. Er is bij cliënt ook sprake van andere problematiek waaronder een hechtingsstoornis en PTSS en mogelijk ook ASS. Een medische verklaring van een psychiater had hier meer duidelijkheid over kunnen geven. Cliënt is echter ten behoeve van de rechterlijke machtiging niet door een psychiater onderzocht.

2.2.

Zelfs als de rechtbank zou aannemen dat sprake is van een verstandelijke beperking in de zin van de Wzd, dan is onvoldoende onderbouwd dat een rechterlijke machtiging nodig is om het ernstig nadeel weg te nemen. Het naar voren gebrachte ernstig nadeel ziet vooral op het de agressie gericht tegen cliënt, voortkomend uit de beschuldiging van verkrachting van een minderjarig meisje. Daarvoor is een rechterlijke machtiging niet bedoeld en daarvoor bestaan andere minder ingrijpende mogelijkheden zoals een gebiedsverbod en bescherming vanuit de politie. Verder is aangegeven dat de machtiging is bedoeld om cliënt beter te betrekken bij de behandeling. Voor deze behandelingen (zoals EMDR) is een vertrouwensband met de behandelaren belangrijk. De (aangevraagde) rechterlijke machtiging lijkt de vertrouwensband op dit moment alleen maar te verslechteren. Dit blijkt ook uit het feit dat betrokkene is weggelopen uit de instelling en nergens meer aan mee wil werken. De instelling heeft ondanks de nog lopende IBS geen pogingen gedaan om cliënt met hulp van de politie terug te halen.

2.3.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het zware middel van een rechterlijke machtiging niet past bij deze situatie. De instelling moet eerst beter onderzoeken of een samenwerking met cliënt (en zijn moeder) op vrijwillige basis – weer – mogelijk is. Daarbij zou ook de mogelijkheid van behandeling of verblijf in een andere instelling overwogen kunnen worden. Bovendien moet beter worden onderzocht worden wat er precies met betrokkene aan de hand is en welke behandeling daar bij past.

3. Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.

Deze beschikking is op 17 maart 2021 mondeling gegeven door mr. B. Krijnen, rechter, in tegenwoordigheid van M. Streefland, griffier en 19 maart 2021 schriftelijk uitgewerkt en getekend.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.