Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:2511

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-03-2021
Datum publicatie
24-03-2021
Zaaknummer
C/10/600193 / HA ZA 20-665
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanneming van werk; wie is partij bij aannemingsovereenkomst en op basis waarvan moet uitgevoerde aannemingswerk worden gewaardeerd? De waardering vindt deels plaats op basis van een stilzwijgend geaccepteerde offerte en deels op basis van artikel 7:752 BW ten aanzien van het niet geoffreerde werk. Geen vaststellingsovereenkomst gesloten tussen partijen nu dit onder voorbehoud was van instemming van advocaat. In redelijkheid geen plaats voor vergoeding van buitengerechtelijke kosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/600193 / HA ZA 20-665

Vonnis van 10 maart 2021

in de zaak van

[eiseres]

,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. H.J. Ruysendaal te Rotterdam,

tegen

1. [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats gedaagde 1] ,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats gedaagde 2] ,

gedaagden,

advocaat mr. G. Hagens te Utrecht.

Eiseres zal hierna [eiseres] worden genoemd en gedaagden gezamenlijk [gedaagde 1] c.s. en afzonderlijk [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 9 april 2020, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    de brief van de rechtbank van 29 september 2020 waarin een mondelinge behandeling is bepaald;

  • -

    de akte uitlating rectificatie van [eiseres] ;

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 4 november 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

[naam persoon] (hierna: [naam persoon] ) is bestuurder van aannemingsbedrijf [eiseres] .

2.2.

[gedaagde 2] is de moeder van [gedaagde 1] en zij was bevriend met [naam persoon] .

2.3.

[gedaagde 1] is bestuurder van [naam bedrijf] (hierna: [naam bedrijf] ). [naam bedrijf] heeft een bedrijfspand aan de [adres] te Voorschoten (hierna: het pand) gekocht dat in maart 2019 is opgeleverd. [gedaagde 2] zou ook gebruik gaan maken van dit pand.

2.4.

[eiseres] heeft in deze procedure verschillende whatsapp-berichten overgelegd, waarvan de authenticiteit wordt betwist. Eén van deze berichten luidt als volgt:

[datumvermelding ontbreekt, rb]

“Hoi [voornaam persoon 1] . Het pandje is opgeleverd en erg leeg… zoon [voornaam persoon 2] heeft een vriend die aannemer is , maar tja, we hebben nog niets besloten of gedaan zonder jouw wijze ogen erover te laten gaan . Volgens mij kan alles maar op 1 manier (…) heb jij niet een geweldige concurrerende offerte;)? Liefs [voornaam gedaagde 2] ”

2.5.

[eiseres] heeft op 7 mei 2019 een eerste offerte opgesteld voor het verrichten van aannemingswerkzaamheden in het pand voor het totaal bedrag van EUR 16.444,51 (incl. btw) (hierna: de eerste offerte).

2.6.

[eiseres] heeft onder meer de volgende whatsapp-berichten overgelegd die zouden zijn verzonden in mei 2019.

15 mei 2019

“Beste [voornaam gedaagde 2]

Wij hebben een offerte gemaakt

Aanstaande zondag zit ik in Spanje die week daar op komen even bij elkaar om het te bespreken”

26 mei 2019

“Hallo [voornaam persoon 1] .

Ik ben zo ontzettend blij met de offerte!! Dank je wel!!! [voornaam persoon 2] (…) wil je woensdag avond bellen voor n afspraak over details?? Alles wat jullie afspreken vind ik goed en kom ik ook;) en ja electra dan ook graag erbij.. 1000 per maand kan ik missen want nu betaal ik die 800 ook voor hypotheek en 700 huur bij [voornaam persoon 3] en 800 thuis;) lief van je!!”

2.7.

[eiseres] heeft onder meer de volgende whatsapp-berichten overgelegd die zouden zijn verzonden in juni 2019.

20 juni 2019

“Hallo [voornaam persoon 1] . Zou jij een spoed offerte kunnen maken? Ik moet hier 1 aug uit dus de tijd dringt;? Lief dat je het doen wilt!!

Tot zondag”

“Oké [voornaam gedaagde 2]

Komt goed tot zondag”

22 juni 2019

“Hoi [voornaam persoon 1] . Kun jij morgen al voor n offerte zorgen? 1 augustus moet ik er echt uit waar ik nu zit;)”

24 juni 2019

“Beste [voornaam gedaagde 2]

Ik heb ze allemaal gesproken we gaan er alles aan doen om het te regelen voor augustus Mn zoon had het vandaag veel te druk om de offerte te maken maar morgen middag gaat hij er aan beginnen

Ik zit er boven op

Gr [voornaam persoon 1] ”

“Ah fijn [voornaam persoon 1] ! Dank je voor alle moeite! Morgen is ook prima !

Gr [voornaam gedaagde 2] ”

2.8.

[naam persoon] stuurt op 25 juni 2019 een offerte van [eiseres] . De offerte is verzonden naar een emailadres dat door [gedaagde 2] op 23 juni 2019 per whatsapp heeft doorgegeven. De offerte is gericht aan Fam. [naam gedaagde 1 en 2] , [adres] , Voorschoten en geeft een opsomming van diverse aannemingswerkzaamheden voor het totaalbedrag van EUR 31.419,59 (incl. btw) (hierna: de tweede offerte). Volgens de offerte is daarin het volgende niet opgenomen: “Behang en schilderwerk, elektra werk, CV werk, aanbrengen plafonds, aftimmeren overheaddeur”.

2.9.

[eiseres] heeft onder meer de volgende whatsapp-berichten overgelegd die zouden zijn verzonden in juli 2019.

11 juli 2019

“Hoi [voornaam persoon 1] ; gaat het lukken voor 1 augustus? Over elf of twaalf dagen dus… of heb je liever dat we een ander zoeken ? Ik snap dat wij voor vriendenprijs zitten , maar ook wel op de schopstoel ;) (…) gr [voornaam gedaagde 2] ”

15 juli 2019

“ [voornaam gedaagde 2]

Ze gaan morgen al beginnen

Kan je aan [voornaam persoon 2] vragen of hij woensdag even bij die jongens langs kan gaan ze hebben wat vragen”

16 juli 2019

“Hallo [voornaam persoon 1] . [voornaam persoon 2] heeft geen idee hoe groot de keuken is en hij heeft met jou en je zoon gesproken. En hij wil vijf afgesloten ongeveer even grote werkruimtes hebben. (…)”

21 juli 2019

“ [naam bedrijf] ”

“Het pand staat op de BV dus dit is het factuur adres.”

29 juli 2019

“ [voornaam gedaagde 2]

[voornaam persoon 4] wil graag weten of er op de begane grond een plafond in moet dat had hij ook aan je gevraagd je zou dat met [voornaam persoon 2] overleggen

Oké ik hoor je gr [voornaam persoon 1] ”

“Volgens mij willen we rustieke balken [voornaam persoon 1] , maar ik vraag even snel [voornaam persoon 2] ”

2.10.

Op 29 juli 2019 heeft [eiseres] een factuur gestuurd naar [naam bedrijf] ter hoogte van het bedrag van EUR 18.150 (incl. btw) met de omschrijving “1e termijn”.

2.11.

Op 1 augustus en 2 september 2019 heeft [naam bedrijf] telkens een bedrag van EUR 1.000 betaald aan [eiseres] . Na die data heeft [naam bedrijf] geen betalingen meer verricht aan [eiseres] .

2.12.

Op 9 oktober 2019 heeft [eiseres] een factuur gestuurd naar [naam bedrijf] ter hoogte van het bedrag van EUR 26.721,64 (incl. btw) met de volgende toelichting:

Omschrijving werkzaamheden Bedrag

Laatste termijn conform offerte 3134 € 10.966,00

Geen koelkast geleverd € - 175,00

Geen wasbakje in toilet geleverd € - 65,00

Geen plafond in toilet gemaakt € - 110,00

Plafond beganegrond uitgevoerd in rachelwerk met gipsplaat € 990,00

Systeemplafond op de verdieping € 1.170,00

Cement gietvloer op de 2e verdieping € 3.790,00

Schilderwerk behangwerk en sauswerk wanden en plafonds € 935,00

Elektra werk € 3.833,00

Loodgieter werk € 750,00

2.13.

Op 17 januari 2020 heeft [eiseres] een factuur gestuurd naar [naam bedrijf] ter hoogte van het bedrag van EUR 6.158,90 (incl. btw) met de volgende toelichting:

Omschrijving werkzaamheden

Kabel aanleggen + leveren kabel Airco € 1.500,00

Arbeid ( [naam persoon] ) € 2.090,00

Diverse behandelingskosten en administratie € 1.500,00

2.14.

Partijen hebben verschillende pogingen gedaan om het geschil minnelijk af te wikkelen maar zonder succes.

3. Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde 1] c.s. tot betaling van EUR 49.030,54, vermeerderd met rente en (buitengerechtelijke) kosten.

3.2.

[gedaagde 1] c.s. voert verweer en concludeert tot nietigverklaring van de dagvaarding, dan wel niet-ontvankelijkverklaring, dan wel afwijzing van de vordering met veroordeling van eiseres in de kosten van de procedure.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

De dagvaarding is uitgebracht door [eiseres] , waarna eiseres bij akte toelichting rectificatie de rechtbank heeft verzocht om voornoemde naam te wijzigen in [eiseres] . Zoals de rechtbank reeds tijdens de zitting heeft geoordeeld, is deze rectificatie toegestaan, zodat de vordering wordt geacht te zijn ingesteld door [eiseres] . De rechtbank passeert dan ook het verweer van [gedaagde 1] c.s. dat de dagvaarding nietig moet worden verklaard, dan wel eiseres niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat [eiseres] aannemingswerkzaamheden heeft verricht in het pand. Partijen zijn wel verdeeld over de vraag wie als opdrachtgever van [eiseres] moet worden beschouwd. Volgens [eiseres] zijn dit zowel [gedaagde 2] als [gedaagde 1] . [gedaagde 1] c.s. betwisten dat zij als contractspartij kunnen worden beschouwd. Het pand is van [naam bedrijf] , de facturen zijn ook aan deze vennootschap verstuurd en de eerder verrichte betalingen zijn gedaan door [naam bedrijf] . Het is dan ook [naam bedrijf] die als wederpartij moet worden beschouwd van [eiseres] en niet [gedaagde 1] c.s., aldus [gedaagde 1] c.s. De rechtbank overweegt als volgt.

4.3.

Op grond van artikel 6:217 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) komt een overeenkomst tot stand door aanbod en aanvaarding daarvan. Aanbod en aanvaarding hoeven niet uitdrukkelijk plaats te vinden; zij kunnen in elke vorm geschieden en kunnen besloten liggen in een of meer gedragingen (artikel 3:33 BW, gelezen in samenhang met de artikelen 3:35 en 3:37 lid 1 BW). Of een overeenkomst tot stand is gekomen, is afhankelijk van dat wat partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten afleiden.

4.4.

Niet in geschil is dat geen van beide offertes van [eiseres] zijn ondertekend door een (rechts)persoon. Volgens [eiseres] zijn de afspraken over de (te verrichten) aannemingswerkzaamheden mondeling gevoerd en via whatsapp-berichten, waarbij de communicatie met name liep tussen [naam persoon] en [gedaagde 2] .

Tegen de door [eiseres] aangehaalde whatsapp-berichten voeren [gedaagde 1] c.s. in hun conclusie van antwoord aan dat de herkomst, achtergrond en relevantie daarvan volstrekt onduidelijk is. Volgens [gedaagde 1] c.s. heeft het er alle schijn van dat [naam persoon] berichten heeft doorgestuurd aan zichzelf. Nu niet kan worden vastgesteld wie de afzender is of in de tekst aanpassingen zijn gemaakt, kan er geen waarde aan de whatsapp-berichten worden gehecht, aldus [gedaagde 1] c.s.

In reactie op het verweer van [gedaagde 1] c.s. heeft [naam persoon] ter zitting bevestigd dat de overgelegde whatsapp-berichten tussen hem en [gedaagde 2] zijn uitgewisseld, hetgeen ter zitting niet meer is betwist door [gedaagde 1] c.s. [gedaagde 1] c.s. hebben ook niet nader gemotiveerd op grond waarvan zou moeten worden getwijfeld aan de authenticiteit van de whatsapp-berichten.

De rechtbank acht deze whatsapp-berichten, in onderling verband bezien met de overgelegde offertes en facturen, logisch en authentiek. Daarbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat vaststaat dat [naam persoon] en [gedaagde 2] met elkaar bevriend waren. Niet in geschil is dat zij mondeling met elkaar spraken over de verbouwing van het pand maar ook via whatsapp-berichten. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de in de vaststaande feiten weergegeven whatsapp-berichten zijn uitgewisseld tussen [naam persoon] en [gedaagde 2] .

4.5.

Op grond van deze whatsapp-berichten, de twee door [eiseres] opgestelde offertes en facturen en de door partijen ingenomen stellingen, stelt de rechtbank het volgende vast ter beantwoording van de vragen met wie [eiseres] heeft gecontracteerd en welke afspraken zijn gemaakt over aannemingswerkzaamheden.

4.6.

[gedaagde 2] heeft [naam persoon] benaderd met het verzoek om een offerte op te stellen (zie 2.4). In haar whatsapp-bericht noemt zij ook gelijk haar zoon [voornaam persoon 2] en schrijft ze dat “we hebben nog niets besloten of gedaan zonder jouw wijze ogen erover te laten gaan”. In reactie op de eerste offerte van [eiseres] , schrijft [gedaagde 2] vervolgens aan [naam persoon] dat ze daar erg blij mee is en dat [voornaam persoon 2] hem woensdag wil bellen voor een afspraak over details. Daar voegt zij aan toe dat zij “alles wat jullie afspreken” goed vindt.

Tussen partijen is vervolgens niet in geschil dat [eiseres] de eerste offerte in mei 2019 heeft opgesteld. Ter zitting heeft [naam persoon] toegelicht dat na deze offerte zijn zoon, die ook werkzaam is bij [eiseres] , het pand heeft bezocht en daar overleg heeft gehad met [gedaagde 1] over de te verrichten werkzaamheden. Volgens [naam persoon] wilde [gedaagde 1] andere werkzaamheden dan in de eerste offerte waren genoemd, hetgeen geleid heeft tot de tweede offerte van 25 juni 2019. [gedaagde 1] c.s. hebben deze gang van zaken (ook) ter zitting niet gemotiveerd betwist en het komt de rechtbank ook aannemelijk voor dat het zo gegaan is, gelet op de onder 2.7 genoemde whatsapp-berichten waarin [gedaagde 2] in juni 2019 aan [naam persoon] om een nieuwe offerte vraagt. Daaruit volgt dat de eerste offerte van mei 2019 niet meer van belang was voor partijen.

4.7.

Op 23 juni 2019 geeft [gedaagde 2] haar emailadres door aan [naam persoon] en op 25 juni 2019 stuurt [naam persoon] de tweede offerte per email naar dit emailadres. De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van [gedaagde 1] c.s. dat zij onbekend zijn met de tweede offerte. Uit de whatsapp-berichten van juni 2019 blijkt duidelijk dat [gedaagde 2] met spoed zat te wachten op een offerte van [eiseres] . De tweede offerte is vervolgens door [naam persoon] gestuurd naar het door [gedaagde 2] opgegeven emailadres zodat er in beginsel vanuit mag worden gegaan dat deze ook door [gedaagde 2] is ontvangen. Als dat niet het geval was geweest had het voor de hand gelegen dat [gedaagde 2] een bericht had gestuurd naar [naam persoon] om te vragen waar de beloofde offerte bleef, maar gesteld noch gebleken is dat dit is gedaan.

4.8.

Het eerstvolgende whatsapp-bericht na verzending van de tweede offerte dateert van 11 juli 2019, waarin [gedaagde 2] vraagt aan [naam persoon] of “het gaat lukken voor 1 augustus”. [naam persoon] antwoordt daarop op 15 juli 2019 dat “ze morgen al gaan beginnen”. Ter zitting heeft [naam persoon] onbestreden gesteld dat [gedaagde 2] hem had gezegd dat de werkzaamheden zo snel mogelijk moesten beginnen en op basis van dat verzoek is [eiseres] aan de slag gegaan met haar aannemingswerkzaamheden. Als onbestreden staat in dit kader vast dat [eiseres] op of omstreeks 16 juli 2019 met haar aannemingswerkzaamheden is gestart in het pand.

4.9.

Uit het vorengaande volgt dat het in ieder geval [gedaagde 2] is geweest die opdracht heeft gegeven aan [eiseres] om aannemingswerkzaamheden uit te voeren in het pand nu zij offertes heeft aangevraagd en [naam persoon] verzocht heeft om te starten met de aannemingswerkzaamheden. [gedaagde 1] moet daarnaast ook als opdrachtgever worden beschouwd. Uit de diverse geciteerde whatsapp-berichten volgt dat hij beslissingen nam over wat er in het pand moest gebeuren (zie berichten van 26 mei, 15, 16 en 29 juli 2019). [gedaagde 1] c.s. hebben voorts de stelling van [eiseres] onvoldoende bestreden dat [gedaagde 1] mondelinge instructies heeft gegeven aan [naam persoon] en zijn zoon ter zake de uit te voeren werkzaamheden, zodat de rechtbank daarvan uitgaat. [naam persoon] heeft in dit kader ter zitting verklaard dat de opdrachten van beide kanten kwamen, dus zowel vanaf [gedaagde 2] als van [gedaagde 1] en dat hij hen beide als wederpartij zag van [eiseres] .

4.10.

De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van [gedaagde 1] c.s. dat niet zij maar [naam bedrijf] als wederpartij moet worden beschouwd. Uit geen van de voor de start van de aannemingswerkzaamheden uitgewisselde whatsapp-berichten van [gedaagde 2] volgt dat zij voor een ander dan voor haarzelf en haar zoon handelde. Eerst op 21 juli 2019 – dus na de start van de werkzaamheden – stuurt zij informatie door aan [naam persoon] van [naam bedrijf] met het verzoek om de factuur naar dit adres te sturen. Op dat moment was de aannemingsovereenkomst reeds gesloten. Daarnaast geldt dat enkel het doorsturen van informatie over het factuuradres nog niet maakt dat die entiteit contractspartij wordt. Een verbintenis, in dit geval betaling van een geldsom, kan immers worden voldaan door een derde, zoals ook is bepaald in artikel 6:30 BW. Het feit dat [gedaagde 1] in april 2019 vanaf het emailadres van [naam bedrijf] om een offerte heeft gevraagd aan [eiseres] , althans [naam persoon] , leidt niet tot een ander oordeel. Tussen partijen is immers niet in geschil dat deze email nooit is beantwoord door [eiseres] en evenmin heeft geleid tot de eerste en tweede offerte van [eiseres] .

4.11.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de tweede offerte als uitgangspunt moet worden genomen voor de prijsafspraken tussen partijen over de in de offerte genoemde werkzaamheden. Weliswaar blijkt uit de aangevoerde feiten niet dat [gedaagde 1] c.s. expliciet hebben ingestemd met deze offerte maar de rechtbank stelt wel vast dat dit stilzwijgend is gebeurd. Tussen partijen staat in dit kader als niet, althans niet gemotiveerd bestreden vast dat de werkzaamheden die in de tweede offerte waren opgenomen zijn uitgevoerd, behoudens een paar in de factuur van 9 oktober 2019 genoemde minderwerkpunten. Voorts is gesteld noch gebleken dat er na het opstellen van de tweede offerte andersluidende prijsafspraken zijn gemaakt door partijen over deze werkzaamheden.

4.12.

Nu is vastgesteld dat dat de werkzaamheden, die in de tweede offerte waren opgenomen, zijn uitgevoerd minus wat minderwerk, zijn [gedaagde 1] c.s. de in juni 2019 geoffreerde prijs minus het minderwerk verschuldigd aan [eiseres] .

4.13.

Tussen partijen is niet in geschil dat [eiseres] werkzaamheden heeft gefactureerd in oktober 2019 die niet in de tweede offerte waren opgenomen. Het betreft volgens de onder 2.12 genoemde factuur plafondwerk, het aanbrengen van een cementen gietvloer, schilder- en behangwerk, elektrawerk en loodgieterswerk (hierna gezamenlijk: het meerwerk). Tussen partijen is niet in geschil dat dit meerwerk ook is uitgevoerd door [eiseres] . Onbestreden is voorts dat partijen aangaande dit meerwerk geen prijsafspraken hebben gemaakt. Ingevolge artikel 7:752 BW geldt dan ook dat, bij gebreke aan prijsafspraken, de opdrachtgever, in dit geval [gedaagde 1] c.s., een redelijke prijs is verschuldigd voor het meerwerk.

4.14.

Volgens de factuur bedragen de totale kosten van het meerwerk EUR 11.468 (excl. btw). [naam persoon] heeft ter zitting verklaard dat “het werk allemaal veel te goedkoop [is] gedaan”, hetgeen de rechtbank aldus begrijpt dat de hoogte van de gefactureerde (meerwerk)kosten volgens [eiseres] zeker redelijk is. Uit de stellingen van [gedaagde 1] c.s. volgt dat zij het totale bedrag van de twee facturen, te weten EUR 44.871,64, erg hoog vinden. Met dit verweer hadden zij echter niet kunnen volstaan om vast te kunnen stellen dat de prijzen van het meerwerk niet redelijk zijn. Van [gedaagde 1] c.s. had een nadere onderbouwing mogen worden verwacht, bijvoorbeeld in de vorm van een prijsindicatie door een andere aannemer van het meerwerk, maar dat hebben zij nagelaten.

Nu de kosten voor het meerwerk de rechtbank niet buitensporig voorkomen gaat de rechtbank ervan uit dat de prijs voor het meerwerk redelijk is en daarmee toewijsbaar.

4.15.

[eiseres] vordert ook betaling van de factuur van januari 2020 ter hoogte van het bedrag van EUR 6.158,90 (zie 2.13). [gedaagde 1] c.s. hebben verweer tegen deze factuur gevoerd dat er kort gezegd op neerkomt dat zij deze factuur niet kunnen plaatsen, gelet op het feit dat beide offertetermijnen al zijn gefactureerd alsmede het meer- en minderwerk. [eiseres] heeft na dit verweer niet nader onderbouwd op grond waarvan [gedaagde 1] c.s. deze factuur toch verschuldigd zou zijn, zodat de rechtbank dit deel van haar vordering, als onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd, afwijst.

4.16.

[gedaagde 1] c.s. voeren tot slot als verweer dat tussen partijen in het kader van de minnelijke afwikkeling van het geschil een mondelinge overeenkomst tot stand is gekomen waar enkel geen uitvoering aan is gegeven door de tussenkomst van de advocaat van [eiseres] . De rechtbank overweegt hierover als volgt.

4.17.

Tussen partijen is niet in geschil dat [eiseres] en [gedaagde 1] c.s. eind 2019 een eerste schikkingspoging hebben gedaan, hetgeen geleid heeft tot een vaststellingsovereenkomst waarin [gedaagde 1] c.s. de verplichting op zich hadden genomen om een bedrag van EUR 30.000 in een aantal termijnen te betalen, waarvan de eerste betaling moest zijn verricht uiterlijk 12 januari 2020. Onbestreden is dat [gedaagde 1] c.s. deze eerste termijnbetaling niet hebben verricht. Tussen partijen is ook niet in geschil dat deze vaststellingsovereenkomst als ontbonden moet worden beschouwd. [eiseres] heeft vervolgens mr. Ruysendaal in de arm heeft genomen voor juridische bijstaand met betrekking tot het geschil met [gedaagde 1] c.s. [gedaagde 1] was ermee bekend dat mr. Ruysendaal bij het geschil was betrokken, want hij heeft hem aangeschreven in een poging om een nieuwe vaststellingsovereenkomst te treffen. [gedaagde 1] heeft daarnaast in 2020 ook met [naam persoon] gesproken over het geschil, hetgeen volgens [gedaagde 1] c.s. heeft geresulteerd in een mondelinge afspraak, althans vaststellingsovereenkomst ter afwikkeling van het geschil waaraan [gedaagde 1] c.s. [eiseres] wensen te houden. De rechtbank verwerpt deze stelling. Immers, [gedaagde 1] c.s. erkennen in hun conclusie van antwoord dat afgesproken was dat [naam persoon] de vaststellingsovereenkomst nog met zijn advocaat zou doornemen en dat hij daarna is teruggekomen op de gemaakte afspraak. Gelet op deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de door mondelinge afspraak moet worden geacht te zijn gemaakt met het voorbehoud van instemming van mr. Ruysendaal. Nu deze instemming er kennelijk niet was, is er dus geen overeenkomst ter beëindiging van het geschil tussen partijen tot stand gekomen als bedoeld in artikel 7:900 BW.

4.18.

Het vorengaande leidt er wel toe dat er voor een vergoeding van buitengerechtelijke kosten aan de zijde van [eiseres] geen plaats is. De pogingen die gedaan zijn om een minnelijke regeling te treffen zijn grotendeels buiten mr. Ruysendaal om gegaan. Gesteld noch gebleken is dat [eiseres] voor het doen van deze pogingen kosten heeft gemaakt. De rechtbank stelt voorts vast dat mr. Ruysendaal enkel één e-mail heeft gestuurd met een voorstel ter afwikkeling van het geschil. Mr. Ruysendaal heeft zich voorts zowel in zijn correspondentie richting [gedaagde 1] c.s. als op de zitting negatief uitgelaten over [gedaagde 1] c.s. en over de gedane pogingen tussen partijen tot het beëindigen van het geschil middels een schikking. Zijn buitengerechtelijke werkzaamheden zijn dan ook zeer beperkt geweest en bovendien niet erg constructief, zodat er voor er voor een vergoeding van eventueel gemaakte buitengerechtelijke kosten in redelijkheid geen plaats is. Het gevorderde bedrag van EUR 1.265 aan buitengerechtelijke kosten zal dan ook worden afgewezen.

4.19.

Het vorengaande leidt tot de conclusie dat de vordering van [eiseres] zal worden toegewezen voor het bedrag van EUR 44.871,64. Dit bedrag zal niet worden vermeerderd met de gevorderde wettelijke handelsrente nu de aannemingsovereenkomst tussen partijen niet als handelsovereenkomst kan worden beschouwd als bedoeld in artikel 6:119a BW. De hoofdsom zal wel worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding, te weten 9 april 2020.

4.20.

[gedaagde 1] c.s. voert verzet tegen uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het vonnis. Bij de beoordeling van dit verweer dienen de belangen van partijen te worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. De Hoge Raad heeft in dit verband geoordeeld dat degene die een veroordeling tot betaling van een geldsom verkrijgt, wordt vermoed het vereiste belang bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad te hebben (HR 27 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2602). Voorts heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een daartegenover gesteld restitutierisico geconcretiseerd moet worden (HR 17 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1400) en dat mogelijk ingrijpende gevolgen van de executie, die moeilijk ongedaan gemaakt kunnen worden, op zichzelf niet in de weg staan aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad, maar slechts meegewogen moeten worden (HR 28 mei 1993, NJ 1993, 468).

[eiseres] wordt dus vermoed een belang te hebben bij de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een restitutierisico of van ingrijpende gevolgen van de executie, die moeilijk ongedaan gemaakt kunnen worden of van een ander belang van [gedaagde 1] c.s. bij behoud van de status quo. De rechtbank oordeelt dan ook dat het verzet tegen de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis ongegrond is.

4.21.

[gedaagde 1] c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 186,20

- griffierecht EUR 2.042,00

- salaris advocaat EUR 2.228,00 (2 punten × tarief EUR 1.114,00)

Totaal EUR 4.456,20

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde 1] c.s. om aan [eiseres] te betalen een bedrag van EUR 44.871,64 (vierenveertigduizend achthonderdéénenzeventig euro en vierenzestig cent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 9 april 2020 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagde 1] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op EUR 4.456,20,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Witkamp. Het is ondertekend en in het openbaar

uitgesproken door mr. J.F. Koekebakker, rolrechter, op 10 maart 2021.

2054/1407