Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:2497

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-03-2021
Datum publicatie
23-03-2021
Zaaknummer
ROT 19/6620
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schadefonds Geweldsmisdrijven, aanvraag uitkering afgewezen, verklaringen niet onpartijdig en daarom niet objectief, inhoud verklaringen onvoldoende, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 19/6620


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 maart 2021 in de zaak tussen

[naam eiseres], te [woonplaats eiseres], eiseres

gemachtigde: mr. P. van Baaren,

en

de commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven, verweerder

gemachtigde: mr. A.S.R. Bisesser-Chigharoe.

Procesverloop

Bij besluit van 7 november 2018 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven afgewezen.

Bij besluit van 7 mei 2019 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2021. Beide partijen zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.

Overwegingen

1. Op 7 augustus 2018 heeft eiseres een aanvraag ingediend om haar op grond van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg) een uitkering uit het schadefonds toe te kennen. Zij heeft in de aanvraag vermeld dat zij in de periode 1994 tot en met 1996 (in de bezwaarprocedure gewijzigd naar de periode 1993 tot en met 1996) slachtoffer is geworden van stelselmatige mishandeling en huiselijk geweld door haar ex-echtgenoot, als gevolg waarvan zij lichamelijke klachten en nog altijd voortdurende psychische klachten heeft ondervonden. In de aanvraag heeft eiseres vermeld dat zij aangifte heeft gedaan bij de politie in Rotterdam.

2. In het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit, waarin verweerder de aanvraag van eiseres heeft afgewezen, gehandhaafd en het bezwaar ongegrond verklaard. Volgens verweerder is er onvoldoende objectieve informatie om aannemelijk te achten dat eiseres slachtoffer is geworden van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf als bedoeld in artikel 3 van de Wsg. Verweerder heeft van het Slachtofferloket desgevraagd geen aangifte of andere aanvullende informatie ontvangen en de door eiseres overgelegde verklaringen van haarzelf, haar zusje en haar moeder heeft verweerder niet aangemerkt als informatie afkomstig uit een betrouwbare en onpartijdige objectieve bron.

3. Eiseres voert aan dat het bestreden besluit innerlijk tegenstrijdig is, aangezien de verklaringen volgens verweerder enerzijds niet gebruikt kunnen worden nu deze niet objectief zouden zijn en anderzijds volgens verweerder hieruit niet voldoende duidelijk wordt wat de omstandigheden en de frequentie van het huiselijk geweld waren. Volgens eiseres betekent dat laatste dat de verklaringen wel zouden worden gebruikt wanneer daarover meer zou worden verklaard. Verweerder had haar in dat geval de gelegenheid moeten geven om meer specifieke verklaringen naar voren te brengen. De verklaringen zijn afkomstig van leken, die niet precies weten wat zij moeten opschrijven en bovendien blijkt uit de verklaringen van haar moeder en zusje dat sprake was van een ernstig geweldsmisdrijf, aangezien sprake was van ernstig letsel. Getuigenverklaringen van mishandeling in huiselijke kring zijn vrijwel altijd afkomstig van familieleden. In het strafrecht is het niet gebruikelijk om verklaringen van familieleden buiten beschouwing te laten. Er moet worden vastgesteld of de verklaringen bruikbaar zijn, want verklaringen van familieleden kunnen niet bij voorbaat worden aangemerkt als niet objectief en worden verworpen, aldus eiseres.

4.1.

Op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsg kan uitkering worden gedaan aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen.

Bij de beoordeling van een aanvraag om een uitkering hanteert verweerder het beleid dat is neergelegd in de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven (Beleidsbundel). Volgens paragraaf 1.1.2 van de toepasselijke Beleidsbundel van 1 januari 2019 hoeft een geweldsmisdrijf niet bewezen te worden, maar moet dit aannemelijk worden gemaakt. In de praktijk is een aangifte en het strafrechtelijk onderzoek dat erop volgt belangrijk voor de onderbouwing van een aanvraag. Als er geen sprake is van een aangifte, dan moet de aannemelijkheid op basis van zogenaamde objectieve informatie vastgesteld kunnen worden. Met objectief wordt gedoeld op informatie uit betrouwbare en onpartijdige bronnen.

Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1538), is het aan de aanvrager van een uitkering uit het schadefonds om met voldoende objectieve aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij slachtoffer is van een tegen hem opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf.

4.2.

Ter beoordeling staat of eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat zij slachtoffer is geworden van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. Eiseres heeft de aangifte die zij stelt te hebben gedaan van het geweldsmisdrijf waarvan zij slachtoffer stelt te zijn, niet bij haar aanvraag overgelegd. Verweerder heeft informatie opgevraagd bij het Openbaar Ministerie en het Slachtofferloket, maar geen aangifte of andere aanvullende informatie van hen ontvangen. Wel heeft eiseres een verklaring van haarzelf, een verklaring van haar zusje en een verklaring van haar moeder overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de verklaringen van de familieleden van eiseres niet onpartijdig en daarom niet objectief zijn. Daar komt bij dat de inhoud van deze verklaringen onvoldoende is om aannemelijk te maken dat eiseres slachtoffer is van stelselmatige mishandeling en huiselijk geweld in de periode 1993 tot en met 1996. Hierbij is van belang dat de verklaringen niet weergeven wat de aard en frequentie van het opgegeven huiselijk geweld en de omstandigheden waaronder dit plaatsvond waren en pas 25 jaar na de gestelde mishandelingen zijn opgemaakt en overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit op dit punt niet tegenstrijdig. De rechtbank ziet verder geen grond voor het oordeel dat verweerder eiseres in de gelegenheid had moeten stellen om meer specifieke verklaringen naar voren te brengen, nu het aan eiseres is om haar aanvraag te onderbouwen. De stellingen van eiseres dat getuigen van mishandeling in huiselijke kring meestal familieleden zijn, dat het in het strafrecht niet gebruikelijk is om verklaringen van familieleden buiten beschouwing te laten en dat vastgesteld moet worden of de verklaring bruikbaar is voordat deze wordt verworpen, maken het voorgaande niet anders. Redengevend daartoe is alleen al dat verweerder zoals hiervoor is overwogen, ook naar de inhoud van de verklaringen heeft gekeken en heeft meegewogen dat de verklaringen pas recentelijk zijn opgesteld. Buiten de verklaringen van familieleden heeft eiseres geen andere stukken overgelegd die het gestelde huiselijk geweld aannemelijk kunnen maken. Er zijn dan ook geen objectieve en onpartijdige stukken die verweerder verder in de besluitvorming had kunnen betrekken.

4.3.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij slachtoffer is geworden van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsg als gevolg waarvan zij recht zou kunnen hebben op een uitkering uit het schadefonds.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Snel-van den Hout, rechter, in aanwezigheid van mr. H.L. de Vries, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2021.

De griffier is buiten staat De rechter is verhinderd te tekenen

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.