Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:2441

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-03-2021
Datum publicatie
23-03-2021
Zaaknummer
10/960051-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden en een taakstraf van 240 uur, in verband met brandstichting aan een zendmast.

De rechtbank heeft daarbij – onder meer – in aanmerking genomen dat de brandstichting weliswaar valt in een reeks van brandstichtingen aan zendmasten, samenvallend met het begin van de coronacrisis (en daardoor meer

gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving heeft veroorzaakt) maar dat in dit geval geen sprake lijkt te zijn van ideologische motieven voor de brandstichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/960051-20

Datum uitspraak: 23 maart 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. G.J. de Hosson, advocaat te Utrecht,

ter terechtzitting waargenomen door zijn kantoorgenoot mr. R.J. Jager.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 9 maart 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. S.C.M. Wildemors heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van

2 jaar.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

De ten laste gelegde feiten onder 1 en 2 primair (eendaadse samenloop) zijn door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 1 mei 2020 te [plaats delict] , Gemeente [gemeente] ,

opzettelijk brand heeft gesticht aan een zendmast gelegen aan de Rijksweg [naam rijksweg]

(ter hoogte van parkeerplaats [locatie] ) te [plaats delict] , Gemeente [gemeente] ,

door

- een hoeveelheid brandbare stof (te weten: een (gevulde)

deodorant(spuitbus)), op

feeder(s) en/of kabel(s) en vervolgens open vuur in aanraking te brengen met

die brandbare stof ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die zendmast, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

2. primair

hij op 1 mei 2020 te [plaats delict] , Gemeente [gemeente] ,

opzettelijk enig geautomatiseerd werk en/of enig werk voor telecommunicatie,

te weten

een zendmast gelegen aan de Rijksweg [naam rijksweg] (ter hoogte van parkeerplaats

[locatie] ) te [plaats delict] , Gemeente [gemeente] ,

heeft beschadigd en stoornis in

de gang of in de werking van dat werk heeft veroorzaak,

immers heeft verdachte brand gesticht in/aan/nabij die zendmast

ten gevolge waarvan gemeen gevaar voor goederen en/of de verlening

van diensten te duchten is;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

De eendaadse samenloop van:

1.

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

2. primair

opzettelijk enig geautomatiseerd werk of enig werk voor telecommunicatie beschadigen en stoornis in de gang of in de werking van zodanig werk veroorzaken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen of voor de verlening van diensten te duchten is

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straffen zijn gebaseerd

De verdachte heeft opzettelijk brand gesticht in een zendmast. Daardoor is niet alleen flinke materiële schade ontstaan aan de bekabeling van de zendmast maar is tevens een storing veroorzaakt in een deel van de zendmast waardoor inwoners van een bepaald gebied tijdelijk niet konden bellen of gebruik konden maken van internet, en dus ook feitelijk waren afgesloten van de hulpdiensten.

Hoewel de rechtbank geen aanwijzingen heeft gevonden dat de brandstichting een ideologisch gemotiveerde daad betreft, en zij er dus vanuit gaat dat het om een impulsieve daad gaat, kan de brandstichting niet volledig los worden gezien van de omstandigheid dat deze de zoveelste was in een reeks brandstichtingen van zendmasten en bovendien samenviel met een landelijk gevoelde angst en onzekerheid in verband met het coronavirus. Dit heeft mogelijk nog meer angst en gevoelens van onveiligheid veroorzaakt.

De rechtbank rekent dat de verdachte zwaar aan.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

12 februari 2021, waaruit blijkt dat de verdachte een uitgebreid strafblad heeft maar dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd

18 februari 2021. Dit rapport houdt – onder meer - het volgende in.

De verdachte is eerder met justitie in aanraking gekomen, maar er is geen patroon van brandstichting. Het dagelijks softdrugsgebruik door de verdachte lijkt niet van invloed te zijn geweest op de brandstichting.

De verdachte heeft sinds juni 2020 werk bij [naam werkgever] als bijrijder op een vuilniswagen. Hij woont sinds twee jaar in bij een bevriende familie, alwaar hij eigen woonruimte heeft. Zowel met zijn ouders als met dit gezin heeft de verdachte een goed contact.

De verdachte heeft meegewerkt aan de onderzoeken van het NIFP en hij is naar aanleiding van de conclusies van die onderzoeken aangemeld bij een forensische polikliniek voor behandeling. De reclassering adviseert deze behandeling buiten het kader van bijzondere voorwaarden te laten plaatsvinden. Er is sprake van een matige kans op recidive, omdat er kans is dat betrokkene op enig moment wordt overvallen door opwellingen waar hij geen weerstand aan kan bieden, waardoor er een kans bestaat op grensoverschrijdend gedrag.

De verdachte toont oprecht spijt van hetgeen hij gedaan heeft en werkt goed mee om zijn leven op orde te krijgen. In de praktische leefgebieden is er, op dit moment, geen sprake van een zorgelijke situatie. Betrokkene heeft zijn praktische zaken, als financiën, werk en huisvesting op orde. Beschermende factoren zijn aanwezig in de vorm van zijn ouders en het gezin waar hij bij inwoont.

De reclassering wijst erop dat een gevangenisstraf zwaarwegende consequenties zou hebben voor de verdachte nu hij mogelijk uitzicht heeft op een vast contract en zijn werkgever bereid is te investeren in de toekomst van verdachte. Detentie zou leiden tot het verlies van zijn werk hetgeen schadelijk zou zijn voor de ingeslagen positieve ontwikkeling die de verdachte nu doormaakt. Ook de behandeling zou stagneren bij een detentie.

De psycholoog drs. [naam psycholoog] heeft een forensisch psychologisch onderzoek uitgevoerd bij de verdachte en heeft daarover gerapporteerd op 20 augustus 2020. De psycholoog komt tot de conclusie dat er bij de verdachte weliswaar sprake is van verschillende stoornissen (al dan niet in remissie) op het gebied van gebruik van verdovende middelen, alcohol en tabak en dat er sprake is van onrijpe persoonlijkheidstrekken, maar dat deze stoornissen niet van invloed zijn geweest op het ten laste gelegde.

De rechtbank heeft acht geslagen op deze rapporten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank zal echter afzien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die langer is dan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft gezeten. De omstandigheden zoals geschetst in het reclasseringsrapport geven hiertoe allereerst aanleiding, omdat aannemelijk is geworden dat de verdachte na een problematische episode in zijn leven, zijn leven een positieve wending heeft gegeven (werk, financiën, huisvesting, beschermend netwerk) die mogelijk onherstelbaar doorkruist zou worden door het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Daarnaast heeft de rechtbank meegewogen dat de verdachte reeds vijf maanden een enkelband heeft moeten dragen in het kader van de geschorste voorlopige hechtenis, wat als belastend kan worden aangemerkt. Gelet op die omstandigheden zal de rechtbank – in lijn met het verzoek van de raadsvrouw - in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een forse taakstraf aan de verdachte opleggen, in combinatie met een (grotendeels) voorwaardelijke gevangenisstraf.

Het voorwaardelijke strafdeel dient er toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. Vorderingen benadeelde partijen

T-Mobile Netherlands B.V. en KPN B.V. hebben zich als benadeelde partijen in het geding gevoegd ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

T-Mobile Netherlands B.V. vordert een vergoeding van € 2078,40 aan materiële schade.

KPN B.V. vordert een vergoeding van € 600,00 aan materiële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van T-Mobile Netherlands B.V. en KPN B.V. redelijk zijn en voldoende zijn onderbouwd zodat deze voor toewijzing in aanmerking komen. Tevens heeft de officier van justitie oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft de vordering van KPN B.V. – met uitzondering van kosten gerelateerd op het doen van aangifte – niet betwist.

De vordering van T-Mobile Netherlands B.V. is volgens de verdediging onvoldoende onderbouwd (met urenstaten) zodat de verdediging heeft verzocht deze vordering af te wijzen.

8.3.

Beoordeling

KPN B.V.

Naar het oordeel van de rechtbank is door de vordering en de onderbouwing daarvan met foto’s en een gespecificeerde urenstaat, vast komen te staan dat aan de benadeelde partij KPN B.V. door de onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde strafbare feiten, rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en voor zover de gevorderde schadevergoeding is weersproken is deze weerspreking onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank zal de vordering om die reden integraal toewijzen.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 1 mei 2020.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil

en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank ziet geen aanleiding de schadevergoedingsmaatregel op te leggen, gelet op het feit dat de benadeelde partij een professionele onderneming is die in staat moet worden geacht zelf de incasso van de toegewezen vordering ter hand te nemen.

T-Mobile Netherlands B.V.

Naar het oordeel van de rechtbank is door de vordering en de daarop gegeven toelichting ter terechtzitting vast komen te staan dat aan de benadeelde partij T-Mobile Netherlands B.V. door de onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde strafbare feiten, rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Deze schade heeft bestaan uit materiaalkosten en urenbesteding voor vervanging van door de brand beschadigde feeders/bekabeling. De rechtbank is van oordeel dat – hoewel het bestaan van de schade voldoende aannemelijk is gemaakt - de totale hoogte van de schade onvoldoende gespecificeerd is onderbouwd door de benadeelde partij. De rechtbank zal om die reden een schatting maken van de geleden schade en stelt het toe te wijzen bedrag vast op € 1838,99 (€1338,99 materiaalkosten en € 500,- tijdbesteding).

De benadeelde partij zal voor het restant van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 1 mei 2020.

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank ziet geen aanleiding de schadevergoedingsmaatregel op te leggen, gelet op het feit dat de benadeelde partij een professionele onderneming is die in staat moet worden geacht zelf de incasso van de toegewezen vordering ter hand te nemen.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij KPN B.V. een schadevergoeding betalen van

€ 600,00, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

De verdachte moet de benadeelde partij T-Mobile Netherlands B.V. een schadevergoeding betalen van € 1838,99 vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 55 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) dagen;

bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 164 (honderdvierenzestig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, waarbij Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij KPN B.V., te betalen een bedrag van € 600,00 (zegge: zeshonderd euro), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij T-Mobile Netherlands B.V., te betalen een bedrag van € 1838,99 (zegge: achttienhonderdachtendertig euro en negenennegentig cent), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij T-Mobile Netherlands B.V. niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. I.W.M. Laurijssens, voorzitter,

mr. F.W.H. van den Emster en mr. F.J. Koningsveld, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.Y. de Lange, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste rechter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 1 mei 2020 te [plaats delict] , Gemeente [gemeente] , althans in

Nederland,

tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen,

opzettelijk brand heeft gesticht aan een zendmast gelegen aan de Rijksweg [naam rijksweg]

(ter hoogte van parkeerplaats [locatie] ) te [plaats delict] , Gemeente [gemeente] ,

door

- een hoeveelheid brandbare stof (te weten: een (gevulde)

deodorant(spuitbus)), althans een vluchtige stof, op/over een of meerdere

feeder(s) en/of kabel(s) en/of apparatuur van de zendmast te spuiten en/of uit

te gieten en/of daarbij te houden, en/of

- ( vervolgens) een aansteker, althans open vuur in aanraking te brengen met

die brandbare stof (te weten: een (gevulde) deodorant(spuitbus)), althans een

vluchtige stof, ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die zendmast, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek vn Strafrecht

2. primair

hij op of omstreeks 1 mei 2020 te [plaats delict] , Gemeente [gemeente] , althans in

Nederland,

tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen,

opzettelijk enig geautomatiseerd werk en/of enig werk voor telecommunicatie,

te weten

een zendmast gelegen aan de Rijksweg [naam rijksweg] (ter hoogte van parkeerplaats

[locatie] ) te [plaats delict] , Gemeente [gemeente] ,

heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of stoornis in

de gang of in de werking van dat werk heeft veroorzaakt en/of ten opzichte van

dat werk genomen veiligheidsmaatregelen heeft verijdeld,

immers, heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)

brand gesticht in/aan/nabij die zendmast

ten gevolge waarvan (telkens) gemeen gevaar voor goederen en/of de verlening

van diensten te duchten is;

art 161sexie ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair

hij op of omstreeks 1 mei 2020 te [plaats delict] , Gemeente [gemeente] , althans in

Nederland,

ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf tezamen en in vereniging

met één of meer ander(en), althans alleen, om opzettelijk enig geautomatiseerd

werk en/of enig werk voor telecommunicatie, te weten een zendmast gelegen aan

de Rijksweg [naam rijksweg] (ter hoogte van parkeerplaats [locatie] ) te [plaats delict] , Gemeente

[gemeente] , te vernielen en/of beschadigen en/of onbruikbaar te maken en/of

stoornis in de gang of in de werking van dat werk te veroorzaken en/of ten

opzichte van dat werk genomen veiligheidsmaatregelen te verijdelen,

door een hoeveelheid brandbare stof (te weten: een (gevulde)

deodorant(spuitbus)), althans een vluchtige stof, op/over een of meerdere

feeder(s) en/of kabel(s) en/of apparatuur van de zendmast te spuiten en/of uit

te gieten en/of daarbij te houden, en/of (vervolgens) een aansteker, althans

open vuur in aanraking te brengen met die brandbare stof (te weten: een

(gevulde) deodorant(spuitbus)), althans een vluchtige stof,

en daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of de verlening van diensten te

duchten is,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 161sexies ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 Wetboek van Strafrecht