Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:2439

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-03-2021
Datum publicatie
23-03-2021
Zaaknummer
8944080 \ VV EXPL 20-553
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding; vordering nakoming concurrentiebeding en geheimhoudingsbeding afgewezen; niet is vast komen te staan dat wn met deze wg arbeidsovereenkomst heeft gehad op grond waarvan deze bedingen gelden.

Niet is voldaan aan schriftelijkheidsvereiste in de zin van art. 7:653 BW bij verlenging eerste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Onvoldoende feiten en/of omstandigheden die gestelde vrees schending geheimhoudingsbeding rechtvaardigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0355
XpertHR.nl 2021-20005445
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8944080 \ VV EXPL 20-553

uitspraak: 18 maart 2021

vonnis in kort geding ex artikel 254 lid 5 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[naam makelaarskantoor A]

,

gevestigd te [vestigingsplaats A] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

gemachtigden: mr. P.F. van den Brink en mr. M.A.W. Holdtgrefe,

tegen

[persoon B] ,

wonende te [woonplaats B] , gemeente [gemeente B] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

gemachtigde: mr. W.T.M. Uilhoorn.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [naam makelaarskantoor A] ” respectievelijk “ [persoon B] ”.

1. Het verloop van de procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:

  • -

    het exploot van dagvaarding van [naam makelaarskantoor A] van 20 januari 2021, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende conclusie van eis in reconventie, met producties;

  • -

    de bij gelegenheid van de mondelinge behandeling overgelegde pleitnota aan de zijde van [naam makelaarskantoor A] ;

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 januari 2021. Ter zitting is namens [naam makelaarskantoor A] dhr. [persoon C] verschenen, bijgestaan door de gemachtigden van [naam makelaarskantoor A] [persoon B] is in persoon ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Van hetgeen tijdens de zitting is besproken, heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

Na de zitting is de zaak aangehouden opdat partijen een minnelijke regeling konden beproeven. Zij hebben vervolgens om vonnis verzocht.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

In het kader van de onderhavige procedure kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.1 In 2009 is [makelaarskantoor D] opgericht. In 2011 gebruikte [makelaarskantoor D] ‘ [handelsnaam] ’ als handelsnaam. Op 4 november 2014 is de statutaire naam van [makelaarskantoor D] gewijzigd in [naam makelaarskantoor E] In de periode vanaf 17 juli 2009 tot 2 april 2019 respectievelijk vanaf 17 juli 2009 tot 1 januari 2018 was [naam vastgoedbedrijf F] de enig aandeelhouder en bestuurder van [makelaarskantoor D] / [naam makelaarskantoor E] Sinds april 2019 is [naam bedrijf G] . enig aandeelhouder en enig bestuurder van [naam makelaarskantoor E]

2.2 [naam makelaar/verhuurbedrijf] is opgericht op 31 oktober 2012. Op 10 april 2017 is de naam [naam makelaar/verhuurbedrijf] gewijzigd in [naam makelaarskantoor A]

Enig aandeelhouder van [naam makelaarskantoor A] is dhr. [persoon C] . [naam vastgoedbedrijf F] is de bestuurder van [naam makelaarskantoor A] De heer [persoon C] is de bestuurder van [naam vastgoedbedrijf F]

[handelsnaam J] is een handelsnaam van [naam makelaarskantoor A]

2.3 [persoon B] is per 3 mei 2011 bij “ [naam makelaar/verhuurbedrijf] (h.o. [handelsnaam] )” in dienst getreden als commercieel medewerkster op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van 12 maanden.

2.4 Deze indiensttreding is vastgelegd in een schriftelijke arbeidsovereenkomst d.d.

26 maart 2011. In deze arbeidsovereenkomst zijn, voor zover van belang, de volgende bepalingen opgenomen:

Artikel 12 – Geheimhouding

12.1 Werknemer erkent dat hem door werkgever geheimhouding is opgelegd van alle bijzonderheden bij de uitoefening van zijn functie en het kantoor van de werkgever betreffende of daarmee verband houdende, met name ten aanzien van al hetgeen waarvan hij weet of redelijkerwijs moet kunnen vermoeden, dat het in belang van zijn werkgever is daaromtrent geheimhouding te bewaren.

12.2 Het is werknemer verboden om zonder toestemming van werkgever, hetzij gedurende de arbeidsovereenkomst, hetzij na beëindiging daarvan, op enigerlei wijze derden derden direct danwel indirect, in welke vorm dan ook en in welker voege dan ook, enige mededeling te doen van of aangaande bijzonderheden als bedoeld in 12.1.

12.3 Bij schending van zijn geheimhoudingsplicht verplicht werknemer zich tot betaling aan werkgever van een volledige schadevergoeding ter dezer zake.

(…)

Artikel 14 – Relatiebeding

14.1 Werknemer verplicht zich bij het einde van de arbeidsovereenkomst, ongeacht om welke reden deze eindigt, alle door hem behandelde zaken, alsmede alle bestaande zaken bij werkgever achter te laten, deze met de daarop betrekking hebbende stukken te beschouwen als het eigendom van werkgever en zich van iedere activiteit met betrekking tot deze zaken te onthouden.

14.2 Werknemer zal tijdens de looptijd van de arbeidsovereenkomst, alsmede gedurende een periode van 1 jaar na het einde van zijn arbeidsovereenkomst noch voor eigen rekening, noch voor rekening van derden, noch anderszins werkzaam zijn ten behoeve van cliënten van de werkgever, een en ander voor zover de te verrichten werkzaamheden geacht kunnen worden te behoren tot het werkterrein van de werkgever. Onder cliënten van de werkgever dient in dit verband te worden verstaan natuurlijke personen en rechtspersonen met hun gelieerde ondernemingen, waarmee de werkgever binnen een periode van 2 jaar voorafgaande aan het einde van de arbeidsovereenkomst te eniger tijd beroepsmatig contact heeft gehad.

14.3 Bij overtreding van het in 14.1, 14.2 en 14.3 bepaalde verplicht werknemer zich tot betaling aan werkgever van een volledige schadevergoeding te dezer zake.

14.4 Bij eventuele overdracht van het kantoor van de werkgever of inbreng daarvan in een ander samenwerkingsverband wordt dit relatiebeding geacht mede ten behoeve van de ondernemer dan wel het andere samenwerkingsverband te zijn gemaakt en blijft de werknemer ook na die overdracht jegens de werkgever aan dit beding gebonden. ”

2.5 Op briefpapier van “ [handelsnaam] ” hebben de heren [persoon C] en [persoon G] op 24 april 2012 het volgende aan [persoon B] geschreven:

“Naar aanleiding van ons gesprek van vorige maand, waarin we jouw functioneren en contract hebben besproken, kan ik je het volgende bevestigen.

Gezien de economische situatie, waarin de woningmarkt en daarmee ons kantoor bevindt willen we je nog geen contract voor onbepaalde tijd aanbieden.

Wel willen we jou graag voor ons kantoor behouden en hebben een verlenging van jouw tijdelijke contract afgesproken voor de periode van 1 jaar.

Per 3 mei 2012 zal de verlenging van het contract ingaan, waardoor er een nieuwe einddatum wordt vastgesteld op dinsdag 2 mei 2013. (…)”

2.6 Op 27 mei 2020 hebben “ [naam makelaar/verhuurbedrijf] ” als werkgeefster en [persoon B] als werkneemster “een vaststellingsovereenkomst met wederzijds goedvinden” met elkaar gesloten. In die vaststellingsovereenkomst is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“(…)

IN AANMERKING NEMENDE:

A. dat Werkneemster met ingang van 3 mei 2011 bij Werkgeefster in dienst is getreden, alwaar hij laatstelijk op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voor 32 uur in de week werkzaam was in de functie van Commercieel medewerkster binnendienst tegen een basissalaris van EUR 2.480 bruto per maand exclusief 8% vakantiebijslag en overige emolumenten;

De werkgever neemt het initiatief om het dienstverband met de werkgeefster te beëindigen om bedrijfsorganisatorische redenen waarbij de functie van werkneemster komt te vervallen.

(…)

1.1 De tussen Partijen bestaande arbeidsovereenkomst eindigt met wederzijds goedvinden per 1 augustus 2020, hierna te noemen: ‘de Einddatum’, waarbij 31 juli 2020 de laatste dag van het dienstverband is.

(…)

6. Postcontractuele verplichtingen

6.1

Alle postcontractuele verplichtingen die voortvloeien uit de tussen Partijen bestaande

Arbeidsovereenkomst, blijven ook na de Einddatum onverkort van kracht. Werkneemster blijft eveneens gebonden aan de daaraan verbonden boetebepalingen.

8. Geheimhouding

8.1

De aan Werkneemster opgelegde geheimhoudingsplicht ten aanzien van de bedrijfsaangelegenheden van Werkgeefster in de ruimste zin van het woord, blijft onverminderd van kracht.

(…)

8.3

In geval van inbreuk op bovenstaande geheimhoudingsverplichtingen verbeurt Werkneemster aan Werkgeefster een direct opeisbare boete van EUR 1000,00 voor iedere overtreding, zonder dat enige ingebrekestelling of gerechtelijke tussenkomst vereist is. De boete strekt ten gunste van de Werkgeefster. In plaats van deze boete te vorderen, heeft Werkgeefster de mogelijkheid vergoeding van de volledige schade te vorderen. Werkgeefster heeft te allen tijde het recht nakoming van de geheimhoudingsverplichtingen te vorderen.

(…)”

2.7

Op 30 en 31 oktober 2020 heeft tussen dhr. [persoon C] en [persoon B] het volgende gesprek plaatsgevonden via de LinkedIn-chatfunctie:

van [persoon C] aan [persoon B]

“Hoi [voornaam persoon B] ,

Hoe gaat het? Zie dat je nog bij ons werk. Kan je dit wijzigen svp.

Thanks

[voornaam persoon C] ”

van [persoon B] aan [persoon C]

“Hoi [voornaam persoon C] ,

Met mij gaat alles goed. Ben met de voorbereidingen bezig om voor mezelf te beginnen. Erg leuk! Met jou ook alles goed? Ik zie het inderdaad. Ik zal het dit weekend direct aanpassen. (…)”

van [persoon C] aan [persoon B]

“Spannend, wat ga je doen? Heb je al iets?”

van [persoon B] aan [persoon C]

“Jazeker, mijn eigen bedrijf gaat [naam bedrijf H] heten. Een vernieuwd huurconcept waar ik heel enthousiast over ben en wat ik aan het optuigen ben. Daarnaast ga ik vanaf volgende week op inhuurbasis voor [voornaam persoon G] en [voornaam persoon I] werken. Hoe gaat het verder met jou? Binnenkort een bak koffie drinken?”

van [persoon C] aan [persoon B]

“Ja graag. Erg belangrijk zelfs indien je voor [voornaam persoon G] en [voornaam persoon I] gaat werken. Maak me zorgen over het feit dat er mogelijk een probleem zou ontstaan over inbreuk op het relatie beding. Dat zou onwenselijk zijn. (…)”

van [persoon B] aan [persoon C]

“Ik had al verwacht dat je zo zou reageren. Ik kan je direct geruststellen als dat helpt. Voor zover ik weet is [voornaam persoon G] niet uit op jouw relaties en [naam bedrijf H] richt zich op een hele andere doelgroep. Dus ik ben zeker niet geïnteresseerd in relaties van [handelsnaam J] . Daarnaast heb ik allang laten uitzoeken wat ik wel en niet mag. Dit hoef ik niet perse met jou te bespreken. Wat ik wel leuk vind is om je weer eens te zien. Laten we inderdaad, als de horeca weer opengaat is bijpraten. (…)”

van [persoon C] aan [persoon B]

“(…) je hebt het laten uitzoek. Dan begrijp je waarom ik hierop reageer. Misschien is het beter om nu even te bellen en niet te wachten tot de horeca opengaat.”

van [persoon B] aan [persoon C]

“Hoi [voornaam persoon C] , dat is goed. We bellen maandag wel even. (…)”

2.8

Bij brief van 5 november 2020 heeft de gemachtigde van [naam makelaarskantoor A] ,

mr. Van den Brink, namens [naam makelaarskantoor A] het volgende aan [persoon B] geschreven:

“(…)

Uw voormalig werkgeefster, [naam makelaarskantoor A] (h.o.d.n. [handelsnaam J] ) meer in het bijzonder de heer [persoon C] , heeft mij gevraagd haar belangen te behartigen ten aanzien van het volgende.

(…)

Cliënte heeft moeten vast stellen dat u zich al dan niet op zelfstandige basis bezig gaat houden of al bezig houdt met verhuur activiteiten o.a. bij [naam makelaarskantoor E] . Daarmee gaat u zich in concurrerend vaarwater begeven aangezien ook cliënte in die markt actief is. Op zich staat het u overigens vrij om te concurreren mits u daarmee wel heel nadrukkelijk de postcontractuele fatsoensnormen in acht neemt met name waar het gaat om het vertrouwelijk houden van bedrijfsvertrouwelijke informatie van cliënte. Het relatiebeding is echter helder en verbiedt u zaken te doen met de relaties van cliënte.

Waar de heer [persoon C] u op deze verplichtingen wees hebt u eerst kenbaar gemaakt dat hij zich geen zorgen hoefde te maken aangezien u het beding volledig zou accepteren. En dus een toezegging dat u met geen enkele relatie van cliënte contact zou hebben. Sterker nog, u stelde niet eens een belang te hebben bij de relaties van cliënte, noch daar op uit te zijn. Echter noemde u ook dat u de reikwijdte van het beding had laten beoordelen en daarmee wist wat u wel en niet zou mogen. Die stelling kwam wat cryptisch over waardoor cliënte mij vroeg hierover met u volstrekte helderheid te realiseren.

Dit klemt te meer omdat cliënte vermoedt dat u zich bezig gaat houden met verhuur activiteiten ten behoeve van de voormalig compagnon van cliënte [persoon G] van wie cliënte onlangs is afgesplitst waarbij heldere afspraken zijn gemaakt om te voorkomen dat beide partijen zich in elkaars vaarwater gaan begeven. Het zal voor u geen verrassing zijn dat cliënte mede vanuit deze ontvlechting heel nadrukkelijk wil voorkomen dat partijen zich vervolgens toch gaan beconcurreren. Mocht dat het geval zijn zal cliënte ook u hiervoor in rechte betrekken aangezien u als medewerker van beide partijen onderdeel bent geweest van het geheel en ook van de ontvlechting.

Omdat cliënte niet op vermoedens en suggestie en indrukken wil afgaan leg ik u bij deze de vraag voor of u mij onverkort en ondubbelzinnig wilt bevestigen dat u zich tot 1 augustus 2021 zult houden aan de afspraken omtrent postcontractuele bepalingen in uw arbeidsovereenkomst met cliënte met name (zonder negeren van de andere clausules) waar het gaat om het respecteren van het relatiebeding. En dus ook dat u over deze periode geen contact hebt met het klanten bestand van cliënte. Ook dat u, in de wetenschap dat [persoon G] zich na de ontvlechting, niet op met cliënte concurrerend pad mag begeven, geen gebruik c.q. misbruik zult maken van enige wanprestatie van [persoon G] .

Om hierover elk misverstand te voorkomen is cliënte overigens bereid om onder strikte geheimhouding de bedoelde klantenlijst toe te sturen. Evenwel wil cliënte daarbij tevens een boete overeen komen zodat er bij overtreding achteraf geen discussie over ‘schade’ gaat ontstaan. En bovenal dat geen sprake is van een wassen neus die niet of nauwelijks handhaafbaar is. Waar u stelt geen behoefte te hebben aan de benoemde contacten wordt u daarmee in uw belangen niet geschaad en zal van het verschuldigd worden van een boete ook geen sprake zijn.

(…)”

2.9

Op deze brief heeft [persoon B] als volgt gereageerd:

“(…)

Zoals gezegd heb ik zelf de heer [persoon C] mijn plannen verteld. U doet voorkomen alsof ik iets stiekems doe door te schrijven dat de heer [persoon C] dat heeft moeten vaststellen (…). Terecht merkt u op dat het mij vrij staat om me op zelfstandige basis bezig te houden met verhuuractiviteiten en als ik dat ga doen daarmee als concurrent van [naam makelaarskantoor A] gezien kan worden. Uiteraard heb ik mij vooraf laten informeren over wat op dat punt wel en wat niet is toegestaan gezien mijn arbeidsverleden bij [naam makelaarskantoor A]

Met afspraken over elkaar beconcurreren en/of het benaderen van klanten tussen [naam makelaarskantoor A] en [naam makelaarskantoor E] dan wel tussen de heer [persoon G] ben ik verder niet bekend. Voor zover ik weet mag [naam makelaarskantoor E] ook verhuuractiviteiten verrichten en staat het mij vrij om voor [naam makelaarskantoor E] te werken.

Mocht ik dat verkeerd zien dan is het aan u om aan mij documenten te sturen waaruit het tegendeel blijkt. Ik wil uiteraard voorkomen dat ik gebruik of misbruik maak van een mogelijke wanprestatie door de heer [persoon G] . Ik ben echter niet bereid om onder de voorwaarde van strikte geheimhouding en een dwangsom, akkoord te gaan met het door [naam makelaarskantoor A] aan mij overleggen van een klantenlijst waarover [naam makelaarskantoor E] en [naam makelaarskantoor A] afspraken gemaakt zouden hebben. Mocht de door u gestelde afspraak er zijn dan is deze klantenlijst bij zowel [naam makelaarskantoor A] als bij [naam makelaarskantoor E] bekend, en zie ik niet in waarom ik dan een geheimhoudingsverklaring moet tekenen. (…)”

3. Het geschil

in conventie

3.1

[naam makelaarskantoor A] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

I. [persoon B] te veroordelen tot onverkorte nakoming van het relatiebeding, zoals opgenomen in artikel 14 van de arbeidsovereenkomst, onder verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 per overtreding door [persoon B] en onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag of per deel van een dag dat de overtreding voortduurt, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag;

II. [persoon B] te veroordelen tot onverkorte nakoming van het geheimhoudingsbeding zoals opgenomen in artikel 12 van de arbeidsovereenkomst onder verbeurte van een dwangsom van EUR 10.000,00 per overtreding en onder verbeurte van een dwangsom van EUR 1.000,00 voor iedere dag of per deel van een dag dat de overtreding voortduurt, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag;

III. [persoon B] te veroordelen in de kosten van het geding, te vermeerderen met de nakosten.

3.2

Aan haar vorderingen heeft [naam makelaarskantoor A] naast de hiervoor genoemde in rechtsoverwegingen 2.1 t/m 2.4 en 2.6 t/m 2.9 vaststaande feiten het volgende - verkort en zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - ten grondslag gelegd:

3.2.1

[persoon B] is per 3 mei 2011 in dienst getreden bij [makelaarskantoor D] , later [naam makelaar/verhuurbedrijf] en [naam makelaarskantoor A] In de arbeidsovereenkomst van 3 mei 2011 zijn [naam makelaar/verhuurbedrijf] en [persoon B] rechtsgeldig een relatiebeding en een geheimhoudingsbeding overeengekomen. Eventuele wijzigingen in handelsnamen en/of de rechtsverhouding hebben geen invloed gehad op de geldigheid van het relatie- en/of geheimhoudingsbeding van [persoon B] .

[naam makelaarskantoor E] en [naam makelaarskantoor A] zijn makelaarskantoren die dezelfde en/of soortgelijke makelaarsactiviteiten verrichten. De heer [persoon C] heeft in juni 2019 [naam makelaarskantoor E] verkocht aan de heer [persoon G] . Alle aandelen van [naam makelaarskantoor A] bleven na de verkoop van [naam makelaarskantoor E] in volledige eigendom van de heer [persoon C] . Sindsdien en sinds de uitdiensttreding van [persoon B] bij [naam makelaarskantoor A] stort [naam makelaarskantoor E] zich plotseling onder leiding van de heer [persoon G] op de lokale verhuurmarkt, terwijl [naam makelaarskantoor E] zich jarenlang alleen op de verkoopmarkt heeft begeven. Dit heeft tot gevolg dat [naam makelaarskantoor E] zich inmiddels, net als [naam makelaarskantoor A] , op de lokale verhuurmarkt van Dordrecht en omstreken richt. Het is daarmee evident dat deze twee vennootschappen directe concurrenten van elkaar zijn.

[persoon B] heeft geen nadere informatie met de heer [persoon C] willen delen over welke werkzaamheden zij voor [naam makelaarskantoor E] verricht. Het heeft er alle schijn van dat [persoon B] bij [naam makelaarskantoor E] voor commerciële verhuurwerkzaamheden zal worden ingeschakeld, waarbij haar bij [naam makelaarskantoor E] opgedane kennis en ervaring uitstekend van pas zal komen. Bij [naam makelaarskantoor A] is de gegronde vrees ontstaan dat [persoon B] zich niet zal houden aan het relatiebeding en het geheimhoudingsbeding

3.2.2

Het spoedeisend belang van [naam makelaarskantoor A] is daarin gelegen dat zij haar bedrijfsdebiet moet kunnen beschermen, terwijl het (door de houding van [persoon B] ) er alle schijn van heeft dat [persoon B] spoedig [naam makelaarskantoor A] zal benadelen en waarschijnlijk al benadeelt.

3.3

Het verweer van [persoon B] strekt tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [naam makelaarskantoor A] in de proceskosten en de nakosten. Zij heeft daartoe - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd.

3.3.1

[persoon B] is niet meer gebonden aan het relatiebeding uit de arbeidsovereenkomst van 26 maart 2011. Het relatiebeding valt onder het regime van artikel 7:653 BW. In de door [persoon B] ondertekende brief van 24 april 2012, waarin [makelaarskantoor D] aan [persoon B] heeft medegedeeld dat de arbeidsovereenkomst wordt verlengd, is niet aan het schriftelijkheidsvereiste van artikel 7:653 BW voldaan.

3.3.2

[persoon B] heeft de werkzaamheden die ze verrichtte voor [naam makelaarskantoor E] in eerste instantie deels bij [makelaarskantoor D] voortgezet en is deels voor de nieuw opgerichte [naam makelaar/verhuurbedrijf] gaan werken.

Zonder dat daarover door [makelaarskantoor D] en/of [naam makelaar/verhuurbedrijf] duidelijke afspraken zijn gemaakt met [persoon B] , is [persoon B] blijkbaar op enig moment volledig werknemer van [naam makelaar/verhuurbedrijf] geworden. Het had voor de hand gelegen dat door [naam makelaar/verhuurbedrijf] op enig moment aan [persoon B] ter voorkoming van onduidelijkheid een schriftelijke arbeidsovereenkomst of brief zou zijn voorgehouden. [naam makelaarskantoor A] stelt zich ten onrechte op het standpunt dat het dienstverband van [persoon B] bij [naam makelaar/verhuurbedrijf] als een voortzetting van de arbeidsovereenkomst met [makelaarskantoor D] gezien moet worden.

Tussen [naam makelaar/verhuurbedrijf] dan wel [naam makelaarskantoor A] en [persoon B] is tijdens het dienstverband nooit een relatie- en/of geheimhoudingsbeding overeengekomen.

3.4

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht met betrekking tot de vorderingen in conventie, komt, slechts voor zover van belang, in de beoordeling aan de orde.

in reconventie

3.5

Voor het geval dat de kantonrechter tot het oordeel komt dat de vorderingen van [naam makelaarskantoor A] worden toegewezen, vordert [persoon B] :

I. het relatiebeding te schorsen, dan wel de duur te bepalen op een periode van 6 maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst, dan wel een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum;

II. het geheimhoudingsbeding uit de arbeidsovereenkomst van 26 maart 2011 te schorsen;

III. om [naam makelaarskantoor A] te veroordelen om binnen 7 dagen na de datum van het vonnis aan [persoon B] een lijst aan te leveren met daarop cliënten -natuurlijke personen en rechtspersonen met hun gelieerde ondernemingen - waarmee [persoon B] voor [naam makelaarskantoor A] binnen een periode van 2 jaar voorafgaand aan het einde van de arbeidsovereenkomst, derhalve vanaf 1 augustus 2018, te eniger tijd beroepsmatig contact heeft gehad;

IV. te bepalen dat [persoon B] op- en aanmerkingen mag plaatsen ten aanzien van de cliënten op die lijst en dat het vervolgens aan [naam makelaarskantoor A] is om ter zake doende bewijzen over te leggen die het opnemen van de cliënt op de lijst rechtvaardigen;

V. om [naam makelaarskantoor A] , haar bestuurder [naam vastgoedbedrijf F] en haar indirect bestuurder de heer [persoon C] te verbieden [persoon B] en/of [naam bedrijf H] in diskrediet te brengen, onder het opleggen van een dwangsom van € 10.000,00 voor iedere keer dat [naam makelaarskantoor A] (en haar (in)direct bestuurders) na betekening van dit vonnis in strijd met dat verbod handelt;

VI. veroordeling van [naam makelaarskantoor A] in de proceskosten en de nakosten.

3.6

Hetgeen [persoon B] aan de vordering in reconventie ten grondslag heeft gelegd en hetgeen [naam makelaarskantoor A] hiertegen heeft aangevoerd, komt, slechts indien en voor zover van belang, in de beoordeling aan de orde.

4. De beoordeling

in conventie

4.1

Op basis van de stellingen van [naam makelaarskantoor A] over haar spoedeisend belang is zij in zoverre ontvankelijk in haar vorderingen.

4.2

In dit kort geding dient, mede op basis van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vorderingen van [naam makelaarskantoor A] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van voorzieningen zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

4.3

De kantonrechter stelt het volgende voorop. [persoon B] is in 2011 bij [makelaarskantoor D] , die op een gegeven moment [naam makelaarskantoor E] is gaan heten, in dienst getreden. In 2020 is zij uit dienst getreden bij [naam makelaarskantoor A] Het dienstverband tussen [persoon B] en [naam makelaarskantoor E] is nooit expliciet beëindigd. Tussen partijen is niet in geschil dat [persoon B] op enig moment in dienst is gekomen van [naam makelaar/verhuurbedrijf] , die later [naam makelaarskantoor A] is gaan heten. Evenwel is onduidelijk gebleven hoe dit precies – juridisch gezien – heeft plaatsgevonden. In ieder geval is geen sprake van een nieuwe tussen [persoon B] en [naam makelaar/verhuurbedrijf] of [naam makelaarskantoor A] gesloten arbeidsovereenkomst. Gesteld noch gebleken is dat aan [persoon B] is medegedeeld dat er sprake zou zijn van een voortzetting van haar arbeidsovereenkomst door [naam makelaar/verhuurbedrijf] , op grond van opvolgend werkgeverschap of overgang van onderneming tussen [naam makelaarskantoor E] en [naam makelaarskantoor A] Eerst ter zitting heeft [naam makelaarskantoor A] zich op het standpunt gesteld dat er een overgang van onderneming in de vorm van een splitsing heeft plaatsgevonden. Dit laatste is betwist door [persoon B] . Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [naam makelaarskantoor A] , mede gelet op deze betwisting, de door haar gestelde splitsing onvoldoende onderbouwd. In ieder geval is geen splitsingsakte overgelegd. Ook anderszins acht de kantonrechter voorshands onvoldoende onderbouwd dat het ervoor gehouden moet worden dat er sprake is geweest van een overname of voortzetting van de arbeidsovereenkomst die [persoon B] met [naam makelaarskantoor E] had, met alle rechten en verplichtingen uit hoofde van die arbeidsovereenkomst.

De kantonrechter merkt in dit kader nog op dat, gelet op de aard van deze procedure, thans geen ruimte is voor een nader onderzoek naar de feiten op dit punt.

4.4

Ten aanzien van het relatiebeding geldt bovendien het volgende. Het relatiebeding is een beding als bedoeld in artikel 7:653 BW. Ten tijde van het aangaan van de arbeidsovereenkomst in 2011 en de verlenging daarvan in 2012 luidde het eerste lid van dat artikel als volgt:

Een beding tussen de werkgever en de werknemer waarbij deze laatste wordt beperkt in zijn bevoegdheid om na het einde van de overeenkomst op zekere wijze werkzaam te zijn, is slechts geldig, indien de werkgever dit schriftelijk is overeengekomen met een meerderjarige werknemer.”

Aan het schriftelijkheidsvereiste als bedoeld in deze bepaling ligt de gedachte ten grondslag dat in het vereiste van geschrift een bijzondere waarborg is gelegen dat de werknemer de consequenties van dit voor hem bezwarende beding goed heeft overwogen.

Uit jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 28 maart 2008, JAR 2008/113) blijkt dat niet aan het schriftelijkheidsvereiste is voldaan in gevallen waarin de werknemer zich schriftelijk akkoord verklaart met de inhoud van een niet in schriftelijke vorm bijgevoegd document waarin een concurrentiebeding voorkomt, tenzij de werknemer daarbij uitdrukkelijk verklaart dat hij met het concurrentiebeding instemt.

4.5

In de brief van 24 april 2012, waarin aan [persoon B] is medegedeeld dat haar contract wordt verlengd, is het relatiebeding niet opgenomen noch is daarin verwezen naar de inhoud van de schriftelijk aangegane arbeidsovereenkomst, waaronder het relatiebeding, van 26 maart 2011. Die schriftelijke arbeidsovereenkomst is bovendien niet bij de door [persoon B] ondertekende verlengingsbrief gevoegd. Naar het oordeel van de kantonrechter leidt één en ander voorshands tot de conclusie dat bij de verlenging van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in 2012 ten aanzien van het relatiebeding niet aan het schriftelijkheidsvereiste is voldaan, zodat zij voorshands van oordeel is dat vanaf dat moment geen sprake is van een rechtsgeldig overeengekomen relatiebeding tussen partijen of tussen [persoon B] en [naam makelaarskantoor E] [persoon B] wordt dan ook aldus niet meer gebonden geacht aan het relatiebeding uit de arbeidsovereenkomst van 26 maart 2011.

4.6

Voor wat betreft het geheimhoudingsbeding, zo er al vanuit zou worden gegaan dat dat wel tussen partijen zou gelden, wordt nog het volgende overwogen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [naam makelaarskantoor A] onvoldoende feiten en/of omstandigheden gesteld die tot de conclusie kunnen leiden dat de gestelde vrees van [naam makelaarskantoor A] dat [persoon B] zich niet aan het geheimhoudingsbeding zal houden, gegrond is. Hiermee acht de kantonrechter toewijzing van de vordering van [naam makelaarskantoor A] tot nakoming van de verplichtingen uit het geheimhoudingsbeding op straffe van verbeurte van een dwangsom voorbarig, nog daargelaten dat het de kantonrechter voorkomt dat [persoon B] niets meer weet dan [persoon G] van [naam makelaarskantoor E] , met wie [persoon C] van [naam makelaarskantoor A] jarenlang in hetzelfde pand samenwerkte.

4.7

Al met al komt de kantonrechter op grond van het vorenstaande tot het oordeel dat niet geconcludeerd kan worden dat een ordemaatregel thans vereist is dan wel dat het zodanig aannemelijk is dat in een bodemprocedure de vorderingen van [naam makelaarskantoor A] zullen worden toegewezen, dat vooruitlopend daarop die vorderingen in dit kort geding dienen te worden toegewezen. De vorderingen zullen dan ook worden afgewezen.

4.8

[naam makelaarskantoor A] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De apart gevorderde nakosten worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten.

in reconventie

4.9

De vorderingen in reconventie zijn voorwaardelijk ingesteld, namelijk voor het geval dat de vorderingen in conventie worden toegewezen. Nu deze voorwaarde niet in vervulling is gegaan, komt de kantonrechter niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van deze vorderingen.

5. De beslissing

De kantonrechter,

rechtdoende in kort geding:

wijst de vorderingen van [naam makelaarskantoor A] af;

veroordeelt [naam makelaarskantoor A] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [persoon B] vastgesteld € 747,00 aan salaris voor de gemachtigde, en indien [naam makelaarskantoor A] niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan dit vonnis heeft voldaan, begroot op € 75,00 aan nasalaris.

Indien daarna betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening;

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. Kemp-Randewijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

757