Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:2400

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-03-2021
Datum publicatie
23-03-2021
Zaaknummer
10/194036-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor medeplegen van mensensmokkel. Ontvankelijkheidsverweer schending redelijke termijn verworpen. Schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/194036-17

Datum uitspraak: 23 maart 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren te Curaçao (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum verdachte],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte]

,

raadsvrouw mr. K.S. Kort, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 9 maart 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M.J. Blotwijk heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf van honderdtwintig uren, te vervangen door zestig dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

4. Ontvankelijkheid officier van justitie

Standpunt van de verdediging

De zaak tegen de verdachte betreft een feit dat zich inmiddels meer dan zes jaar geleden heeft afgespeeld. Naar aanleiding van de (pas) op 4 juni 2018 toegezonden concept tenlastelegging werd door de verdediging het horen van twee getuigen verzocht. Eén van die getuigen bleek onvindbaar, de andere getuige werd op 29 oktober 2018 gehoord. Vervolgens bleef het stil tot de dagvaarding van de verdachte, gedateerd 9 februari 2021; een vertraging die niet aan de verdediging is te wijten. Het is volstrekt onduidelijk op grond waarvan de zaak van januari 2015 tot juni 2018 en vervolgens van oktober 2018 tot heden heeft stilgelegen. Gelet op deze schending van de redelijke termijn dient de officier van justitie niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt met de raadsvrouw en de officier van justitie vast dat de redelijke termijn fors is overschreden (zoals hierna onder 8 nader wordt toegelicht). Artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) houdt mede in dat een ieder recht heeft op behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn en heeft daarmee tot doel te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging zou moeten leven. Vaste rechtspraak van de Hoge Raad is evenwel dat overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen.1 Regel is dat die overschrijding wordt gecompenseerd door vermindering van de op te leggen straf. De rechtbank ziet geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Hierop stuit dit ontvankelijkheidsverweer dus af.

Conclusie

De officier van justitie is ontvankelijk.

5. Waardering van het bewijs

Standpunt van de verdediging

De verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde. Niet bewezen kan worden dat de verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat de toegang, doorreis of het verblijf wederrechtelijk was. Enkel het beloofde geldbedrag is onvoldoende om dit te bewijzen. En misschien waren de omstandigheden enigszins verdacht en had verdachte een vermoeden moeten hebben dat er iets niet klopte, maar nergens blijkt uit wat er dan niet klopte. [naam] heeft niet met de verdachte en de bijrijder gesproken en uit zijn verklaring noch uit de telefoongegevens kan worden afgeleid dat verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat het paspoort of de ID-kaart (onduidelijk is om wat voor document het precies gaat) vals was of dat er iets anders niet in orde was met de verblijfsstatus.

Oordeel van de rechtbank

Op grond van de bewijsmiddelen gaat de rechtbank uit van het volgende.

De verdachte is door medeverdachte [naam medeverdachte 1] benaderd dat hij geld kon verdienen door een hem onbekende persoon met de auto naar Londen te brengen met de boot vanaf Hoek van Holland naar Engeland. Daarbij is hem (zoals verdachte ter terechtzitting heeft bevestigd) een bedrag van vijftienhonderd euro in het vooruitzicht gesteld. Ook kreeg de verdachte van [naam medeverdachte 1] te horen dat de boottickets voor hen betaald zouden worden. De betaling zou achteraf plaatsvinden, als deze persoon daadwerkelijk in Engeland zou zijn aangekomen. De verdachte heeft tegen medeverdachte [naam medeverdachte 1] gezegd dat te willen doen, samen met medeverdachte [naam medeverdachte 2]. Hij heeft vervolgens de dag van vertrek met [naam medeverdachte 1] afgesproken.

Op 3 januari 2015 was de verdachte aanwezig in Hoek van Holland, samen met [naam medeverdachte 2], de naar Engeland te vervoeren persoon ([naam], met de Somalische nationaliteit), [naam medeverdachte 1] en enkele voor de verdachte onbekende personen waarmee [naam medeverdachte 1] naar Hoek van Holland was gereden. De verdachte heeft daar toen drie boottickets gekocht voor de heenreis naar Engeland die avond en terugreis de volgende ochtend. Het geld daarvoor was hem gegeven door een van de mannen die [naam medeverdachte 1] vergezelden. De verdachte is met [naam medeverdachte 2] en [naam] in de auto de ferry op gereden. [naam] is de volgende ochtend in Harwich bij het verlaten van de boot aangehouden, omdat hij het land probeerde in te reizen met een identiteitsdocument dat niet op zijn naam stond en waarop ook zijn pasfoto niet was opgenomen.

Gelet op de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de verdachte en zijn medeverdachten [naam] naar Engeland hebben proberen te brengen, kan niet anders geconcludeerd worden dan dat de verdachte wist of in ieder geval ernstige reden had te vermoeden dat [naam] niet op een legale wijze naar Engeland kon reizen en dat de verdachte en zijn medeverdachten door de door hen (mede) georganiseerde en uitgevoerde reis [naam] hielpen om zich wederrechtelijk toegang tot het Verenigd Koninkrijk te verschaffen.

Daartoe heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor het royale geldbedrag dat betaald zou worden als hij en zijn medeverdachten een hen onbekende man op de boot naar Engeland zouden meenemen. Ook is geen goede reden gesteld of aannemelijk gemaakt voor de omstandigheden dat [naam] kennelijk niet zelf vervoer kon regelen maar dat daarvoor via via iemand werd gevraagd, [naam] niet zelf een ticket voor de boot kocht, hij door andere personen op de boot begeleid moest worden, een derde zijn identiteitsdocument en reissom aan verdachte verstrekte, de verdachte en zijn medeverdachten pas achteraf en bij een geslaagd vervoer betaald zouden worden voor hun diensten en verdachte en [naam medeverdachte 2] blijkens de gekochte retourtickets meteen na aankomst in Harwich weer de eerste ferry terug naar Nederland zouden nemen, binnen anderhalf uur na aankomst.

Dat de verdachte wist of in elk geval reden had te vermoeden dat sprake was van hulp bij wederrechtelijk toegang verschaffen, ziet de rechtbank ook bevestigd in de verklaring van de verdachte zoals afgelegd bij de Koninklijke marechaussee, waarin hij verklaart dat [naam medeverdachte 1] hem pas achteraf wilde betalen, “omdat het fout kon gaan”.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat bewezen is dat verdachte zich samen met andere personen schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – mensensmokkel.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 3 januari 2015 te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen,

een persoon, met de Somalische nationaliteit,

- behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot het Verenigd

Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland

en- uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in

een lidstaat van de Europese Unie terwijl hij

wist of ernstige redenen had te vermoeden dat die toegang van die genoemde persoon en dat verblijf wederrechtelijk was,

immers heeft/hebben verdachte en/of verdachtes mededaders toen aldaar:

- contact onderhouden met en instructies gegeven aan en/of ontvangen van

en/of afspraken gemaakt met een of meer medeverdachten over de organisatie

en

het verloop van het vervoer van bovengenoemde persoon en

het ter beschikking (laten) stellen van reisdocumenten aan die bovengenoemde

persoon enover het betalen van gelden voor het vervoer van bovengenoemde

persoon en- die bovengenoemde persoon al dan niet tegen betaling van een geldbedrag

vervoerd van Nederland naar Harwich, Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië

en Noord-Ierland en- een vervoersbewijs voor de reis van Nederland naar Harwich, Verenigd Koninkrijk

van Groot-Brittannië en Noord-Ierland voor die bovengenoemde persoon

gekocht en

- een auto gebruikt voor het vervoer van die bovengenoemde

persoon en

- een vals identiteitsdocument en/of zogenaamd

look-a-like document ter beschikking gesteld ten behoeve van

bovengenoemde persoon .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

6. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

de eendaadse samenloop van

medeplegen van mensensmokkel

en

medeplegen van een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

7. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

8. Motivering schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel

De beslissing of een sanctie passend is en zo ja, welke, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich met anderen schuldig gemaakt aan mensensmokkel, door behulpzaam te zijn bij het op illegale wijze verschaffen van toegang van een hem kennelijk onbekend persoon tot het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland. Aldus heeft de verdachte het beleid om illegaal verblijf in een (toenmalige) lidstaat van de Europese Unie tegen te gaan, gefrustreerd.

De rechtbank heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 3 februari 2021, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortelijke strafbare feiten.

Bij de berechting van een zaak, waarbij geen sprake is van bijzondere omstandigheden heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat een verdachte in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De inverzekeringstelling van een verdachte kan als een zodanige handeling worden aangemerkt. De verdachte is in de onderhavige zaak op 4 januari 2015 in verzekering gesteld. Op deze datum is de redelijke termijn derhalve aangevangen.

Naar het oordeel van de rechtbank is er in deze zaak geen sprake van bijzondere omstandigheden.

Tussen de aanvang van de redelijke termijn en de datum van het eindvonnis ligt een periode van ruim zes jaar. Nu in deze zaak, zoals hiervoor is overwogen, wordt uitgegaan van een redelijke termijn van twee jaar, is er in de onderhavige zaak sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) van ruim vier jaar. Nu deze overschrijding niet is toe te rekenen aan de verdachte, dient dit gecompenseerd te worden.

De rechtbank weegt ook de persoonlijke omstandigheden van de verdachte mee. De verdachte heeft ter terechtzitting verteld dat hij zijn leven thans goed op orde heeft. Hij heeft werk en is bezig zijn schulden af te lossen.

Alle bovenstaande omstandigheden in aanmerking nemend, is de rechtbank, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat met het opleggen van enige straf thans in redelijkheid geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel meer wordt gediend. Daarom acht de rechtbank het raadzaam te bepalen dat aan de verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9a, 47, 55, 63 en 197a van het Wetboek van Strafrecht.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

bepaalt dat ten aanzien van het bewezenverklaarde feit geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. G.A. Bouter-Rijksen, voorzitter,

en mrs. M. Timmerman en M.J.C. Spoormaker, rechters,

in tegenwoordigheid van R. Meulendijk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 maart 2021.

De voorzitter, de jongste rechter en de griffierzijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 3 januari 2015 te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam, in

elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen,

althans alleen, één of meer personen, met de Somalische nationaliteit,

- behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door

en/of

- uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in

Nederland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie en/of IJsland en/of

Noorwegen en/of een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New

York tot stand gekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over

de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York

tot stand gekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, of die

ander(en) daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft terwijl hij

verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat die toegang of die

doorreis van die genoemde perso(o)n(en) en/of dat verblijf wederrechtelijk was,

immers heeft verdachte en/of verdachtes mededaders toen aldaar:

- contact onderhouden met en/of instructies gegeven aan en/of ontvangen van

en/of afspraken gemaakt met een of meer medeverdachten over de organisatie

en/of de coördinatie, en/of

het verloop van het vervoer van bovengenoemde perso(o)n(en) en/ of

over het verlenen van onderdak, en/of

het ter beschikking (laten) stellen van reisdocumenten aan die bovengenoemde

perso(o)n(en), en/of

- over het betalen en/of innen van gelden voor het vervoer van bovengenoemde

perso(o)n(en), en/of

- die bovengenoemde perso(o)n(en) al dan niet tegen betaling van een geldbedrag

vervoerd van Nederland naar Harwich, Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië

en Noord-Ierland, en/of

- op één of andere wijze de financiële kant van de doorreis door en/of verblijf in

Nederland van bovengenoemde persoon/personen (mede) geregeld en/of (mede)

georganiseerd en/of daarover afspraken gemaakt, en/of

- die bovengenoemde perso(o)n(en) bij aankomst in Nederland opgehaald en/of

opgevangen, en/of

- een vervoersbewijs voor de reis van Nederland naar Harwich, Verenigd Koninkrijk

van Groot-Brittannië en Noord-Ierland voor die bovengenoemde perso(o)n(en)

gekocht en/of verschaft, en/of

- een auto bestemd en/of gebruikt voor het vervoer van die bovengenoemde

perso(o)n(en), en/of

- één of meer (valse en/of vervalste) identiteitsdocumenten en/of zogenaamde

look-a-like documenten ter beschikking gesteld ten behoeve van één of meer

bovengenoemde personen en/of een bemiddelende rol gespeeld bij het ter

beschikking stellen van één of meer (valse en/of vervalste) identiteitskaarten en/of

zogenaamde look a like documenten voor bovengenoemde persoon/personen.

1 Vgl. o.a. HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1472 en HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578.