Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:2380

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-03-2021
Datum publicatie
23-03-2021
Zaaknummer
C/10/604226 / HA ZA 20-891
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot herroeping ex artikel 382 Rv. Niet-ontvankelijkverklaring eisers. Geen belang omdat eisers geen eigenaren meer zijn van het appartementsrecht. Geschil met gedaagde over verbeurde dwangsommen op grond van het vonnis waarvan herroeping wordt gevorderd, levert ook geen belang op nu daaromtrent reeds een andere procedure aanhangig is geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/604226 / HA ZA 20-891

Vonnis van 17 maart 2021

in de zaak van

1. [naam eiser 1],

2. [naam eiser 2],

beide wonende te [woonplaats eisers],

eisers,

advocaat mr. P.H. de Bruin te Bleiswijk,

tegen

[naam gedaagde] H.O.D.N. [handelsnaam],

wonende te [woonplaats gedaagde],

gedaagde,

advocaat mr. A.H.F. Beiboer te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eisers] en [naam gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 12 augustus 2020, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    de oproepingsbrief van de rechtbank van 26 november 2020 waarin de mondelinge behandeling is bepaald;

  • -

    de brief van mr. Beiboer van 27 januari 2021, met aanvullende producties;

  • -

    het B3-formulier van mr. De Bruin van 10 februari 2021, met akte tot overlegging van nadere stukken;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 11 februari 2021, inclusief de daaraan gehechte brief van mr. Beiboer van 1 maart 2021 met opmerkingen op het proces-verbaal.

1.2.

Ter zitting heeft mr. Beiboer bezwaar gemaakt tegen de indiening van de akte met nadere stukken van 10 februari 2021 door mr. De Bruin. Het bezwaar tegen toevoeging van bovengenoemde akte met stukken aan het procesdossier wordt afgewezen, nu gesteld noch gebleken is dat [naam gedaagde] daardoor in enig procesbelang is geschaad.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

[eisers] zijn eigenaar geweest van het appartementsrecht aan de [adres 1]. Het appartementsrecht maakt, tezamen met de appartementsrechten [adressen] deel uit van een appartementencomplex (hierna: het appartementencomplex).

2.2.

[naam gedaagde] is sinds 31 oktober 1997 eigenaar van het erf met opstallen, waaronder een bedrijfsgebouw, gelegen aan de [adres 2]. Vanaf het erf van [naam gedaagde] is een in- en uitrit naar de openbare weg aan de [straatnaam 1] alsmede een in-, uitrit van en naar de openbare weg aan de [straatnaam 2].

2.3.

De in- en uitrit naar de [straatnaam 2] betreft een strook grond naast het appartementencomplex (hierna: het pad). Het pad loopt vanaf de [straatnaam 2] naar een deur van een op het perceel van [naam gedaagde] gevestigd bedrijfspand. Het pad is op enig moment bij de uitgang aan de [straatnaam 2] door de gemeente Rotterdam afgesloten met een hek.

2.4.

Tussen partijen is een geschil ontstaan over het gebruik van het pad.

2.5.

In een procedure tussen [naam gedaagde] en meerdere omwonenden (waaronder eigenaren van het appartementencomplex, waaronder [eisers]) heeft deze rechtbank op 16 januari 2019 een verstekvonnis gewezen. Hierin is (kort samengevat en voor zover relevant) geoordeeld dat [naam gedaagde] alleen een recht van overpad diende te verlenen aan de eigenaren en de rechtmatige bewoners van die woningen waarvoor in het verleden bij notariële akte een erfdienstbaarheid daartoe is gevestigd. Eveneens is geoordeeld dat de omwonenden die gebruik maken van het pad, op straffe van een dwangsom, dit pad dienen op te ruimen en opgeruimd dienen te houden en dit pad vrij van begroeiing dienen te houden.

2.6.

[eisers] hebben op 9 september 2020 een koopovereenkomst gesloten met [naam 1] en [naam 2] (hierna: de opvolgende eigenaren), waarbij zij het eigendom van het onder 2.1 vermelde appartementsrecht aan hen hebben verkocht. De eigendom van het appartementsrecht van [eisers] is op 23 november 2020 aan de opvolgende eigenaren geleverd en [eisers] wonen niet langer in het appartement.

3. Het geschil

3.1.

[eisers] vorderen om bij uitvoerbaar te verklaren vonnis:

  1. het vonnis van 16 januari 2019 te herroepen door de vorderingen van [naam gedaagde] alsnog af te wijzen;

  2. [naam gedaagde] te veroordelen in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover bij gebreke van voldoening daarvan binnen 14 dagen na betekening van het te wijzen vonnis.

3.2.

[naam gedaagde] voert verweer, met de conclusie tot niet-ontvankelijk verklaring van [eisers] dan wel tot afwijzing van hun vorderingen, met veroordeling van [eisers] in de proceskosten en in de nakosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten indien betaling daarvan niet binnen 14 dagen na het te wijzen vonnis heeft plaatsgevonden.

3.3.

De rechtbank zal hierna (voor zover relevant) ingaan op de stellingen van partijen.

4. De beoordeling

4.1.

Vaststaat dat [eisers] niet langer eigenaren of bewoners zijn van het onder 2.1 vermelde appartementsrecht en dat dit appartementsrecht op 23 november 2020 op grond van de daartoe gesloten koopovereenkomst aan de opvolgende eigenaren is overgedragen.

4.2.

Op grond van artikel 3:303 BW geldt dat zonder voldoende belang niemand een rechtsvordering toekomt.

4.3.

[eisers] hebben gesteld dat zij belang hebben bij onderhavige procedure omdat zij bij de verkoop van het appartementsrecht aan de opvolgende eigenaren een appartementsrecht met het recht van overpad hebben geleverd. Daarnaast stellen

[eisers] dat zij geraakt worden door de als gevolg van het vonnis van 16 januari 2019 opgelegde dwangsommen.

4.4.

[naam gedaagde] heeft aangevoerd dat [eisers] geen belang hebben bij hun vordering omdat zij niet langer eigenaar zijn van het appartementsrecht.

4.5.

De rechtbank is van oordeel dat nu [eisers] niet langer eigenaar zijn van het appartementsrecht en niet langer in de woning wonen, zij bij herroeping van het vonnis van 16 januari 2019 onvoldoende belang hebben. In zoverre [eisers] menen dat hun belang gelegen is in de omstandigheid dat voor de opvolgend eigenaren duidelijk moet zijn wat de situatie met betrekking tot het pad is, geldt dat hierover geen onduidelijkheid bestaat. Immers, tussen partijen is niet in geschil dat er een recht van overpad gekoppeld is aan het appartementsrecht dat toebehoorde aan [eisers]

4.6.

Met betrekking tot het geschil tussen partijen over de dwangsommen waarvan [naam gedaagde] op grond van het verstekvonnis van 16 januari 2019 betaling vordert, geldt dat reeds een andere procedure aanhangig is (geweest) over de vraag of de dwangsommen al dan niet door [eisers] zijn verbeurd en of [naam gedaagde] al dan niet terecht betaling daarvan vordert. Immers, bij vonnis van 20 oktober 2020 heeft de voorzieningenrechter [naam gedaagde] gelast de tenuitvoerleggingen van het vonnis van 16 januari 2019 ter zake het opeisen van de dwangsommen te staken. Ook op die grond komt [eisers] derhalve geen belang bij hun vordering toe.

4.7.

De rechtbank zal [eisers] vanwege het ontbreken van een voldoende belang niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen jegens [naam gedaagde]. Aan de beoordeling van de door partijen ingenomen stellingen over de (gestelde) gronden voor herroeping van het verstekvonnis van 16 januari 2019 komt de rechtbank gelet op dit oordeel niet toe.

4.8.

[eisers] zullen als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [naam gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 304,00

- salaris advocaat € 1.126,00 (2,0 punt × tarief € 563,00)

Totaal € 1.430,00

4.9.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart [eisers] niet-ontvankelijk in hun vorderingen;

5.2.

veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van [naam gedaagde] tot op heden begroot op € 1.430,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.3.

veroordeelt [eisers] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. den Hollander. Het is ondertekend door

mr. J.F. Koekebakker, rolrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2021.

[3266/2872]