Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:2370

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-03-2021
Datum publicatie
22-03-2021
Zaaknummer
8840313 \ VZ VERZ 20-18722
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Geschil over hoogte transitievergoeding; uitleg artikel 10 contractcateringbranche; contractswisseling zag alleen op 1 locatie; wn is niet mee overgegaan.

Anciënniteit bij vorige wg telt niet mee bij berekening hoogte transitievergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0362
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8840313 \ VZ VERZ 20-18722

uitspraak: 15 maart 2021

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[verzoekster] , bewindvoerder, h.o.d.n. [naam bedrijf] . in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [naam persoon 1],

wonende te Spijkenisse,

verzoekster,

gemachtigde: mr. M.A. Oosterveen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Césant Professionele Catering B.V.,

kantoorhoudende te Spijkenisse,

verweerster,

gemachtigde: mr. D. Pieterse.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [verzoekster] ” respectievelijk “CPC”.

1. Het verloop van de procedure

Van de volgende processtukken is kennisgenomen:

  • -

    het verzoekschrift met producties, ontvangen op 23 oktober 2020;

  • -

    het verweerschrift met producties;

  • -

    de bij gelegenheid van de mondelinge behandeling overgelegde pleitaantekeningen

aan de zijde van [verzoekster] met één productie;

  • -

    de bij gelegenheid van de mondelinge behandeling overgelegde pleitaantekeningen aan de zijde van CPC;

  • -

    de akte van [verzoekster] van 12 januari 2021 met één productie en de nagezonden brief van 12 januari 2021 aan de zijde van [verzoekster] ;

  • -

    de antwoordakte na mondelinge behandeling aan de zijde van CPC met één productie.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 december 2021. [verzoekster] is in persoon ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens CPC is haar directeur dhr. [naam persoon 2] ter zitting verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van CPC.

Van hetgeen op de zitting is besproken, heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

De kantonrechter heeft de datum van deze beschikking bepaald op heden.

2. De feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten:

2.1

CPC is een zelfstandig opererende vennootschap binnen de Césant Horeca & Catering Groep. CPC verzorgt bedrijfscatering en horeca-activiteiten.

2.2

Na een openbare aanbesteding heeft de Stichting Hogeschool Rotterdam (hierna Hogeschool Rotterdam) op 19 juli 2013 CPC de opdracht verstrekt om voor eigen rekening en risico (bedrijfs)cateringswerkzaamheden te verzorgen voor de locatie Academieplein aan de G.J. de Jonghweg 4-6 te Rotterdam.

2.3

Mevrouw [naam persoon 1] (hierna: [naam persoon 1] ) is in dienst geweest van CPC in de functie van cateringmedewerkster.

2.4

Het loon van [naam persoon 1] bij CPC bedroeg laatstelijk € 826,11 bruto, te vermeerderen met emolumenten.

2.5

Sinds 9 januari 2020 staat [naam persoon 1] onder bewind. [verzoekster] is haar bewindvoerder.

2.6

Op de arbeidsovereenkomst tussen CPC en [naam persoon 1] is de cao voor de Contractcateringbranche (hierna: de cao) van toepassing. In de periode 2011-2015 was de volgende bepaling over “contractswisseling” uit de toen geldende cao algemeen verbindend verklaard:

“(…)

ARTIKEL 10: Contractswisseling

1. Ten behoeve van dit artikel wordt “contractswisseling” gedefinieerd als een situatie waarbij een opdrachtgever, ten gevolge van een heraanbesteding respectievelijk hergunning, een nieuwe cateringovereenkomst aangaat met een andere contractcateraar (tevens werkgever in de zin van deze cao). De contractcateraar/werkgever die het nieuwe contract verwerft (hierna: de “nieuwe werkgever”) en de contractcateraar/ werkgever die het contract verliest (hierna: de “oude werkgever”) worden dan geconfronteerd met de vraag op welke wijze door hen dient te worden omgegaan met de werknemers van de oude werkgever.

2. Hoofdregel bij contractswisseling is dat de nieuwe werkgever verplicht is tot overname van alle “betrokken werknemers” (als gedefinieerd in artikel 10 lid 3 en lid 4 hieronder) en aan deze werknemers een arbeidsovereenkomst dient aan te bieden, met inachtneming van het hierna in lid 10 van dit artikel en in artikel 11 bepaalde (dat ingaat op de mogelijkheden van contractsaanpassing) en met uitzondering van de regiomanager. Deze arbeidsovereenkomst dient voor wat betreft onderstaande arbeidsvoorwaarden overeen te komen met de voorwaarden die golden bij de oude werkgever. Onder deze arbeidsvoorwaarden wordt verstaan het geldend salaris voor de werknemer (waaronder begrepen een eventuele (rest)vereveningstoeslag), anciënniteit, het overeengekomen aantal contractsuren dat de werknemer bij de oude werkgever werkte, de pensioenaanspraken van de werknemer (indien en voor zover er sprake is van de bedrijfstakpensioenregeling van het Pensioenfonds Horeca & Catering) en de aanspraken die een werknemer heeft verworven bij de oude werkgever en die afwijken van, c.q. uitstijgen boven, de aanspraken die voortvloeien uit de cao (hierna: de “boven cao-lijke rechten”).

3. a. De nieuwe werkgever heeft de zelfstandige plicht om bij de oude werkgever informatie in te winnen over de werknemers die betrokken zijn bij de contractswisseling en die ten gevolge van de contractswisseling hun arbeidsplek bij de oude werkgever zullen verliezen, zowel voor wat betreft de personeelsbezetting, samenstelling en duur van de dienstverbanden alsmede voor wat betreft de voor de betrokken werknemers bij de oude werkgever geldende arbeidsvoorwaarden.

b. De oude werkgever heeft daarnaast de zelfstandige plicht de nieuwe werkgever de hierboven bedoelde informatie (ongevraagd) zo spoedig mogelijk correct, volledig en tijdig te verstrekken.

4. De informatieverstrekking en informatieaanvraag van lid 3 dient gerelateerd te worden aan de situatie zoals die gold op de betreffende locatie(s) waar de contractswisseling betrekking op heeft, te rekenen vanaf 1 jaar voorafgaand aan het moment van inwerktreding van de contractswisseling door de nieuwe werkgever (de “referentiedatum”), gecorrigeerd met de mutaties die sinds dat moment zijn opgetreden, te verwerken in een mutatielijst als opgenomen in bijlage 11 van de cao. De werknemers die op deze mutatielijst zijn opgenomen en die op moment van inwerkingtreding van de contractswisseling volgens die lijst werknemer zijn op dat betreffende project worden geacht ‘betrokken werknemers’ in de zin van dit artikel 10 te zijn.

5. a. De in lid 4 vermelde mutatielijst dient bij elke situatie van contractswisseling te worden opgemaakt. Op deze lijst dienen in ieder geval de items te worden vermeld van de bij contractswisseling te hanteren lijst zoals opgenomen in bijlage 11 van de cao. Alleen die mutaties die zijn doorgevoerd vanwege zuiver verloop of vervanging, dan wel om redenen die niet door de oude werkgever konden worden beïnvloed en die om geen andere redenen dan op basis van algemene aanvaarde en acceptabele bedrijfsvoering redelijkerwijs doorgevoerd mochten worden, leiden tot de slotsom dat sprake is van “betrokken werknemers” in de zin van artikel 10.

b. Op verzoek van de nieuwe werkgever zal de oude werkgever alle gevraagde informatie verstrekken over de mutatielijst en achtergronden van mutaties desgevraagd nader toelichten. Alle verzoeken om toelichting door de nieuwe werkgever zullen schriftelijk worden gedaan. Ieder verzoek om informatie zal zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval binnen 2 weken schriftelijk door de oude werkgever worden beantwoord.

6. a. De oude werkgever zal geen oneigenlijk gebruik maken van het bepaalde in deze cao ten aanzien van de verplichting van de nieuwe werkgever tot overname van werknemers van de oude werkgever.

b. Oneigenlijk gebruik betekent in dit geval onder meer, maar is daarmee niet beperkt tot, plaatsing door de oude werkgever (te rekenen vanaf het moment dat deze vermoedt of redelijkerwijze kan vermoeden het contract te gaan verliezen) van een of meer van zijn tot op dat moment niet betrokken werknemers, werkzaam op een ander project of locatie, op het te verliezen project of locatie, met het overwegend oogmerk om een extra reductie van eigen, tot dat moment niet betrokken, werknemers bovenop de reductie middels de betrokken werknemers te bewerkstelligen of met het overwegend oogmerk van het bewerkstelligen van kwaliteitsverbetering onder het eigen, niet betrokken, personeel. (…)”

2.7

In de arbeidsovereenkomst is, voor zover thans van belang, het volgende opgenomen:

“(…) De werknemer treedt met ingang van 1 augustus 2013 in dienst van werkgever voor onbepaalde tijd. (…)

4.2.

De werknemer zal werkzaam zijn in het bedrijf van de werkgever aan de G.J. de Jonghweg 4-6 te Rotterdam. (…)”

2.8

Nadat CPC toestemming had verkregen van het UWV om de arbeidsovereenkomst met [naam persoon 1] op grond van bedrijfseconomische omstandigheden op te zeggen, heeft zij de arbeidsovereenkomst bij brief van 13 juli 2020 opgezegd per 1 september 2020. Zij heeft in die brief het volgende geschreven aan [naam persoon 1] :

“(…) Wegens bedrijfseconomische redenen hebben wij een ontslagaanvraag bij het UWV ingediend. Deze aanvraag is op 12 juni 2020 in behandeling genomen.

Op 3 juli 2020 heeft het UWV de ontslagvergunning toegekend om uw arbeidsovereenkomst te beëindigen op grond van artikelen 7:669 en 7:671a van het Burgerlijk Wetboek. (…)

Met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn van 2 maanden eindigt uw arbeidsovereenkomst per 1 september 2020. (…)”

2.9

In de nadien door [verzoekster] ontvangen eindafrekening van het dienstverband tussen [naam persoon 1] en CPC is de transitievergoeding niet opgenomen.

3. Het verzoek en de grondslag daarvan

3.1

[verzoekster] heeft - verkort weergegeven - verzocht om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad CPC te veroordelen tot betaling van:

I. € 11.788,30 aan transitievergoeding;

II. € 1.978,06 in verband met het niet in acht nemen van de juiste opzegtermijn;

III. € 2.323,62 aan achterstallig loon;

IV. € 1.161,81 aan wettelijke verhogingen,;

V. € 1.146,51 aan buitengerechtelijke incassokosten;

VI. de wettelijke rente over voornoemde bedragen en veroordeling van CPC in de proceskosten.

3.2

Aan haar verzoek heeft [verzoekster] - zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd.

3.2.1

[naam persoon 1] is vanaf 5 november 1984 bij rechtsvoorgangers van CPC in dienst geweest. De directe rechtsvoorganger van CPC was Compass Group Nederland B.V. (hierna: Compass). [naam persoon 1] heeft op grond van artikel 7:673 lid 1 a sub 1 BW recht op een transitievergoeding van € 11.788,30.

3.2.2

Op grond van de duur van het dienstverband van [naam persoon 1] (meer dan 35 jaar) geldt een opzegtermijn van vier maanden op grond van artikel 7:672 BW en de cao. CPC heeft niet de juiste opzegtermijn in acht genomen. In verband met het niet in acht nemen van de juiste opzegtermijn dient CPC op grond van artikel 7:672 lid 11 BW aan [naam persoon 1] een vergoeding te betalen gelijk aan het loon over twee maanden, zijnde € 1.978,06.

3.3.3

Op grond van de cao heeft [naam persoon 1] recht op arbeidsduurverkorting. Sinds [naam persoon 1] onder CPC valt zijn de zogenoemde leeftijdsuren van [naam persoon 1] niet correct berekend. In totaal heeft [naam persoon 1] over 178,4 uren het loon niet uitbetaald gekregen. CPC dient alsnog het achterstallig salaris van € 2.323,62, dat bij dat aantal uren hoort, uit te betalen aan [naam persoon 1] .

3.3.4

Nu CPC niet tijdig is overgegaan tot betaling van het loon van [naam persoon 1] , maakt [naam persoon 1] aanspraak op de wettelijke verhoging over dat achterstallig loon ex artikel 7:625 BW van 50%.

3.3.5

[naam persoon 1] maakt aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke kosten op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW van € 1.146,31.

3.3.6

Voorts maakt [naam persoon 1] aanspraak op de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over de bedragen die CPC aan haar verschuldigd is.

4. Het verweer

4.1

Het verweer strekt primair tot afwijzing van de verzoeken van [verzoekster] en subsidiair tot toewijzing van ten hoogste € 2.278,67 bruto aan transitievergoeding en € 1.234,80 bruto aan arbeidsduurverkorting en € 476,35 aan buitengerechtelijke kosten, met veroordeling van [verzoekster] in de proceskosten.

4.2

CPC heeft hiertoe het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd:

4.2.1

CPC heeft in het kader van de arbeidsrelatie met [naam persoon 1] niet te gelden als de directe rechtsvoorganger van Compass. [naam persoon 1] was bij Compass in dienst voor de locatie Museumpark van de Hogeschool Rotterdam. In 2013 heeft Bram Ladage van Compass de cateringswerkzaamheden op die locatie overgenomen als gevolg van een opdracht tot het verzorgen van de cateringwerkzaamheden door Hogeschool Rotterdam aan Bram Ladage. Bram Ladage wilde [naam persoon 1] als werkneemster niet overnemen, waarna CPC, zonder dat daartoe enige verplichting bestond, een arbeidsovereenkomst met [naam persoon 1] is aangegaan met ingang van 1 augustus 2013. CPC heeft geen rechten en/of plichten jegens [naam persoon 1] overgenomen van Bram Ladage of Compass. De anciënniteit bij Compass en/of Bram Ladage dient dan ook buiten beschouwing te worden gelaten bij de berekening van de transitievergoeding die CPC aan [naam persoon 1] verschuldigd is geworden. Die transitievergoeding bedraagt volgens de berekening van CPC hooguit

€ 2.278,67.

4.2.2

Er is geen sprake van een onregelmatige opzegging. Met inachtneming van de geldende opzegtermijn van twee maanden en hetgeen bepaald is in artikel 7:672 lid 6 BW heeft CPC de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen de juiste datum.

4.2.3

De aanspraken op arbeidsduurverkorting over de jaren 2013, 2014 en 2015 zijn verjaard ex artikel 3:308 juncto artikel 7:642 BW. Voor wat betreft de periode vanaf november 2018 tot en met augustus 2020 heeft CPC de arbeidsverkorting reeds toegepast.

Nadat [naam persoon 1] in oktober 2019 aanspraak maakte op de arbeidsduurverkorting, heeft financieel manager en personeelsfunctionaris [naam persoon 3] (hierna: [naam persoon 3] ) de arbeidsduurverkorting met terugwerkende kracht toegepast vanaf november 2018 tot en met november 2019. Als gevolg hiervan hebben [naam persoon 1] en [naam persoon 3] een gesprek gehad, waarbij [naam persoon 1] afstand van recht heeft gedaan als bedoeld in artikel 6:160 BW met betrekking tot de arbeidsduurverkorting.

Indien de kantonrechter van oordeel is dat [naam persoon 1] geen afstand van recht heeft gedaan met betrekking tot de arbeidsduurverkorting over de periode vanaf november 2015 tot en met oktober 2018, stelt CPC zich subsidiair op het standpunt [naam persoon 1] recht heeft op hooguit € 1.234,80 bruto aan arbeidsduurverkorting over de periode vanaf november 2015 tot en met oktober 2018.

4.2.4

De wettelijke verhoging kan alleen verschuldigd zijn over het in geld vastgesteld loon. Over de arbeidsduurverkorting is geen wettelijke verhoging verschuldigd. Indien dat wel het geval is, dan verzoekt CPC om de wettelijke verhoging te matigen tot 10%. In de eerste plaats vanwege de slechte financiële positie van CPC en in de tweede plaats omdat [naam persoon 1] vóór november 2019 geen aanspraak heeft gemaakt op de arbeidsduurverkorting en de uitbetaling daarvan pas bij het einde van het dienstverband hoeft te geschieden.

4.2.5

De buitengerechtelijke kosten zijn aangezegd over een onjuist bedrag, zodat CPC zich primair op het standpunt stelt dat de vordering tot vergoeding daarvan om die reden moet worden afgewezen. Subsidiair stelt CPC zich op het standpunt dat hooguit € 476,35 kan worden toegewezen aan vergoeding van de buitengerechtelijke kosten.

5. De beoordeling

5.1

Tussen partijen is niet in geschil dat CPC op grond van artikel 7:673 lid 1 aanhef onder a sub 1 een transitievergoeding verschuldigd is aan [naam persoon 1] . De hoogte van de transitievergoeding is op grond van artikel 7:673 lid 2 BW - kort gezegd - afhankelijk van het loon en de duur van de arbeidsovereenkomst. De vraag die partijen verdeeld houdt is op basis van welke duur aan arbeidsverleden die transitievergoeding berekend moet worden. Als gevolg van het verweer van CPC is duidelijk geworden dat in dit kader de kern van het geschil tussen partijen is of CPC als rechtsopvolger van Compass [naam persoon 1] als werkneemster met al haar rechten en verplichtingen van Compass heeft overgenomen.

5.2

De kantonrechter is van oordeel dat als onvoldoende gemotiveerd weersproken rondom de heraanbesteding van de contractcatering door Hogeschool Rotterdam in 2013 feitelijk het volgende is komen vast te staan.

Tot ongeveer medio 2013 verzorgde Compass in opdracht van Hogeschool Rotterdam de catering op vier verschillende locaties van Hogeschool Rotterdam. [naam persoon 1] was voor Compass werkzaam op de locatie Museumpark van Hogeschool Rotterdam.

Compass is medio 2013 gestopt met het verzorgen van de catering voor Hogeschool Rotterdam. Hogeschool Rotterdam heeft aansluitend met vier verschillende cateraars contracten gesloten voor de verzorging van de catering op de betreffende vier verschillende locaties. Zo nam elke nieuwe cateraar als het ware een locatie van Compass over.

Hogeschool Rotterdam sloot met CPC een overeenkomst tot het verzorgen van de catering op locatie Academieplein en sloot met Bram Ladage een overeenkomst tot het verzorgen van de catering op locatie Museumpark.

5.3

In de cao, waaraan zowel CPC als Compass gebonden waren tijdens de heraanbesteding in 2013, zijn in artikel 10 van de cao regels gegeven voor zogenoemde contractswisselingen binnen de cateringbranche. [verzoekster] beroept zich kennelijk primair op artikel 10 van de cao ter onderbouwing van haar stelling dat zij als werkneemster met haar anciënniteit door CPC van Compass is overgenomen. Partijen lijken te twisten over de uitleg van deze bepaling in de cao en in het bijzonder over het begrip “betrokken werknemer”.

5.4

Volgens vaste rechtspraak (HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2687) geldt voor de uitleg van een bepaling van een cao de zogeheten cao-norm. Deze houdt in dat aan een bepaling van een cao een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao, van doorslaggevende betekenis zijn, zodat het niet aankomt op de bedoelingen van de partijen die de cao tot stand hebben gebracht, voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de cao is gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de cao gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. Ook de bewoordingen van de eventueel bij de cao behorende schriftelijke toelichting worden betrokken. Indien de bedoeling van de partijen bij de cao naar objectieve maatstaven volgt uit de cao-bepalingen en de eventueel daarbij behorende toelichting, en dus voor de individuele werknemers en werkgevers die niet bij de totstandkoming van de overeenkomst betrokken zijn geweest, kenbaar is, kan ook daaraan bij de uitleg betekenis worden toegekend.

De bestaansgrond van de cao-norm is gelegen in de bescherming van derden, die niet betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van de cao en dus geen invloed hebben kunnen uitoefenen op de inhoud of de formulering van de daarin opgenomen bepalingen, tegen een uitleg van een bepaling in een overeenkomst, waarbij betekenis wordt toegekend aan de voor hen niet kenbare partijbedoeling, en in de noodzaak van eenvormige uitleg voor alle door die overeenkomst gebonden partijen.

5.5

In de na de mondelinge behandeling door [verzoekster] genomen akte heeft zij gewezen op hetgeen bepaald is in artikel 10 van de cao en zich op het standpunt gesteld dat [naam persoon 1] een betrokken werknemer is geweest in de zin van dat artikel en als werkneemster is overgegaan van Compass naar CPC.

Uitgaande van een objectieve uitleg van artikel 10 van de cao waarbij wordt gekeken naar de bewoording van deze bepaling gezien in het licht van de gehele tekst, komt de kantonrechter tot de volgende uitleg van dat artikel.

Van een contractswisseling tussen twee partijen is sprake, indien een nieuwe contractcateraar als opdrachtnemer als het ware in de plaats komt van de vorige contractcateraar die met de opdrachtgever, in dit geval Hogeschool Rotterdam, een contract tot het verzorgen van de catering heeft gesloten. Die wisseling vindt plaats als gevolg van een heraanbesteding die ertoe leidt dat een contractcateraar de opdracht tot het verzorgen van de catering verliest en een nieuwe contractcateraar de opdracht tot het verzorgen van de catering gegund krijgt. De contractswisseling kan betrekking hebben op een bepaalde locatie van de opdrachtgever. De betrokken werknemer is de werknemer die als gevolg van een contractswisseling de arbeidsplek bij de oude contractcateraar/oude werkgever zal verliezen. Die betrokken werknemer wordt met al zijn arbeidsvoorwaarden, waaronder anciënniteit, verplicht overgenomen door de nieuwe contractcateraar die het contract tot het verzorgen van de catering als het ware overneemt. Als de contractswisseling uitsluitend betrekking heeft op één locatie, dan is de betrokken werknemer de werknemer die als gevolg van de contractswisseling op dezelfde locatie blijft werken en te maken krijgt met een nieuwe contractcateraar als werkgever die verplicht is zijn rechten en verplichtingen uit hoofde van zijn arbeidsovereenkomst over te nemen van de vorige werkgever/contratcateraar op die locatie.

Aanknopingspunten voor een andere uitleg, zoals [naam persoon 1] voorstaat, zijn niet gegeven en evenmin gebleken.

5.6

In casu is vast komen te staan dat de contractswisseling tussen Compass en CPC medio 2013 uitsluitend betrekking had op de locatie Academieplein van Hogeschool Rotterdam. Op grond van voornoemde bepaling was CPC verplicht de werknemers die onder Compass werkzaam waren op de locatie Academieplein over te nemen in het kader van de contractswisseling. [naam persoon 1] behoorde niet tot die groep werknemers. Zij was immers bij Compass werkzaam op de locatie Museumpark. De contractswisseling met betrekking tot die locatie had plaatsgevonden tussen Compass en een andere partij. CPC was niet verplicht op grond van artikel 10 van de cao [naam persoon 1] over te nemen van Compass.

Dat tussen CPC en [naam persoon 1] , wat ook zij van de exacte aanleiding of reden daarvan, een arbeidsovereenkomst is gesloten, staat dus los van voornoemde contractswisselingen.

CPC heeft [naam persoon 1] onverplicht een nieuwe arbeidsovereenkomst aangeboden en was niet gehouden de arbeidsovereenkomst die [naam persoon 1] had met Compass voort te zetten, met alle rechten en verplichtingen uit hoofde van die arbeidsovereenkomst. Uit niets blijkt dat CPC dit in de praktijk wel zou hebben gedaan. Het standpunt dat op grond van artikel 10 van de cao voor de berekening van de transitievergoeding rekening gehouden moet worden met de opgebouwde anciënniteit bij Compass wordt dan ook verworpen.

Artikel 10 van de cao heeft in zijn algemeenheid de strekking om de werkgelegenheid van betrokken werknemers te beschermen tegen de gevolgen van heraanbestedingen van cateringwerkzaamheden, maar dit gaat niet zo ver dat op grond van die bepaling een nieuwe contractcateraar die onverplicht een cateringwerknemer een nieuwe arbeidsovereenkomst aanbiedt de arbeidsvoorwaarden van die werknemer uit hoofde van de arbeidsovereenkomst met de vorige werkgever moet overnemen.

5.7

De kantonrechter begrijpt dat [naam persoon 1] zich subsidiair op het standpunt stelt dat op grond van ‘opvolgend werkgeverschap’ voor de berekening van de transitievergoeding rekening moet worden gehouden met de duur van de arbeidsovereenkomst met Compass.

Volgens [naam persoon 1] moet CPC als werkgever van [naam persoon 1] beschouwd worden als opvolger van Compass, zodat voor de berekening van de door CPC aan [naam persoon 1] verschuldigde transitievergoeding op grond van artikel 7:673 lid 4 aanhef en onder b BW rekening moet worden gehouden met de duur van de arbeidsovereenkomst met Compass. Uit rechtspraak van de Hoge Raad (HR 17 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2905) volgt dat voor werkgeverswisselingen van vóór 1 juli 2015 voor de vraag of sprake is van ‘opvolgend werkgeverschap’ de destijds geldende maatstaf uit het arrest ‘Van Tuinen/Wolters’ (HR 11 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9603) moet worden gehanteerd. Die maatstaf houdt in dat enerzijds de nieuwe overeenkomst wezenlijk dezelfde vaardigheden en verantwoordelijkheden eist als de vorige overeenkomst, en anderzijds tussen de nieuwe werkgever en de vorige werkgever zodanige banden bestaan dat het door de laatste op grond van zijn ervaringen met de werknemer verkregen inzicht in diens hoedanigheden en geschiktheid in redelijkheid ook moet worden toegerekend aan de nieuwe werkgever. Ter invulling van deze maatstaf heeft [verzoekster] niets, althans onvoldoende gesteld, zodat er niet van kan worden uitgegaan dat er sprake is van opvolgend werkgeverschap tussen Compass en CPC ten aanzien van de arbeidsovereenkomst met [naam persoon 1] .

5.8

Uitgaande van de duur van de arbeidsovereenkomst tussen CPC en [naam persoon 1] van 7 jaar (en één maand), bedraagt de opzegtermijn op grond van het bepaalde in artikel 7:672 lid 2 in dit geval twee maanden, zoals CPC terecht heeft gesteld.

De kantonrechter volgt CPC in haar standpunt dat zij met inachtneming van de juiste opzegtermijn de arbeidsovereenkomst tegen de juiste datum heeft opgezegd, omdat zij ingevolge artikel 7:672 lid 6 BW de opzegtermijn mocht verkorten met de duur tussen de datum waarop het volledige verzoek om toestemming van het UWV is ontvangen en de dagtekening van de beslissing op het verzoek. Er is derhalve geen sprake van onregelmatige opzegging, zodat een schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging niet toewijsbaar is.

5.9

Eén en ander leidt tot de conclusie dat voor de berekening van de transitievergoeding alleen rekening wordt gehouden met het arbeidsverleden van [naam persoon 1] bij CPC van zeven jaren en één maand. Voor de hoogte van het loon van [naam persoon 1] bij CPC wordt uitgegaan van het loonbedrag dat [verzoekster] laatstelijk ter zitting onweersproken heeft gesteld, zijnde € 1.064,25 bruto inclusief vereveningstoeslag, eindejaarsuitkering en vakantietoeslag.

De hoogte van de toe te kennen transitievergoeding bedraagt op basis van deze informatie

€ 2.513,78 bruto. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt op grond van artikel 7:686a lid 1 BW toegewezen vanaf 1 oktober 2020.

5.10

Ten aanzien van de vordering tot vergoeding van de niet genoten adv-uren wordt het volgende overwogen. Blijkens hetgeen hieromtrent ter zitting naar voren is gebracht namens [naam persoon 1] vordert zij de betreffende vergoeding over de jaren 2016 t/m 2019, zodat geen sprake is van verjaring. Vaststaat tussen partijen dat in december 2019 een betaling door CPC is gedaan ter zake van adv-uren. Echter, de kantonrechter kan nergens uit afleiden welke betaling dit betreft en op welke periode deze betaling zag.

Het standpunt van CPC dat [naam persoon 1] rondom de periode van deze betaling ‘afstand van recht’ in de zin van artikel 6:160 BW heeft gedaan van het in het verleden opgebouwde recht op arbeidsduurverkorting wordt verworpen. Ingevolge artikel 6:160 lid 1 BW gaat een verbintenis teniet door een overeenkomst van de schuldeiser met de schuldenaar, waarbij hij van zijn vorderingsrecht afstand doet. In ieder geval is dus vereist dat tussen de schuldenaar en de schuldeiser wilsovereenstemming bestaat over het afstand doen van het vorderingsrecht. [naam persoon 1] heeft gemotiveerd betwist dat zij afstand zou hebben gedaan van het recht op een vergoeding voor de niet-genoten adv-uren. Uit de door CPC ter onderbouwing van de gestelde ‘afstand van recht’ overgelegde verklaring van [naam persoon 3] blijkt naar het oordeel van de kantonrechter niet, althans onvoldoende, dat [naam persoon 1] tegenover [naam persoon 3] duidelijk en ondubbelzinnig heeft verklaard afstand te doen van haar recht op in het verleden opgebouwde arbeidsduurverkorting. Van wilsovereenstemming tussen [naam persoon 1] en CPC tot afstand van recht op een vergoeding voor adv-uren is ook anderszins niet gebleken.

Hoewel hiermee duidelijk is geworden dat CPC het niet uitbetaalde bedrag aan vergoeding voor de adv-uren over de jaren 2016 t/m 2019 nog aan [naam persoon 1] moet uitbetalen, is evenwel onduidelijk gebleven wat in dit kader wel en niet reeds aan [naam persoon 1] is uitbetaald. De kantonrechter heeft wel geconstateerd dat in de als productie 3 bij verzoekschrift overgelegde eindafrekening van augustus 2020 “57,60 leeftijdsuren” heeft afgerekend, maar acht onduidelijk wat dit precies betekent voor het aantal uren waarvoor nog geen vergoeding is betaald. De berekening van [verzoekster] , zoals opgenomen in haar brief van 9 september 2020 aan CPC, acht de kantonrechter ook onduidelijk, omdat in die brief de jaren 2013 t/m 2015 lijken te zijn meegenomen, terwijl onduidelijk is waarop de betalingen van CPC voor de adv-uren zijn afgeboekt.

Al met al is de kantonrechter van oordeel dat het op de weg van [verzoekster] had gelegen om de vordering ter zake van de niet genoten adv-uren en de berekening daartoe voldoende inzichtelijk te maken, eventueel middels een na de mondelinge behandeling in te dienen specificatie. Zij heeft dit niet gedaan. Hierin ziet de kantonrechter aanleiding om het bedrag toe te wijzen waarvan CPC heeft gesteld dit nog aan [naam persoon 1] verschuldigd te zijn, indien haar overige verweren tegen deze vordering niet zouden slagen. Derhalve wordt een bedrag van € 1.234,80 bruto aan vergoeding voor niet genoten adv-uren toegewezen.

5.11

De vergoeding voor niet genoten adv-uren betreft achterstallig loon en is vergelijkbaar met een vergoeding wegens niet genoten vakantiedagen. Een dergelijke vergoeding valt onder “het in geld vastgesteld loon” als bedoeld in artikel 7:625 BW.

Ter zitting is aan de orde gekomen dat CPC als gevolg van de coronamaatregelen in een slechte financiële situatie verkeert. De kantonrechter ziet hierin aanleiding de op grond van artikel 7:625 BW toe te wijzen wettelijke verhoging te matigen tot 10%.

5.12

De wettelijke rente over het achterstallige loon en de wettelijke verhoging daarover wordt toegewezen.

5.13

Voor toewijzing van een vergoeding van buitengerechtelijke kosten is vereist dat ter verkrijging buiten rechte werkzaamheden zijn verricht die een vergoeding van buitengerechtelijk kosten rechtvaardigen. [verzoekster] heeft ter onderbouwing van deze vordering verwezen naar de brief van 1 oktober 2020 waarin haar gemachtigde CPC heeft aangeschreven tot betaling van hetgeen CPC volgens haar aan [naam persoon 1] verschuldigd was. Naar nu blijkt is [verzoekster] daarbij uitgegaan van een veel hoger totaalbedrag aan hoofdsom dan CPC aan haar verschuldigd is. Verder zijn geen buitengerechtelijke werkzaamheden verricht. De kantonrechter acht gelet hierop toekenning van een vergoeding voor buitengerechtelijke werkzaamheden niet gerechtvaardigd.

5.14

Nu beide partijen deels in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt CPC om aan [verzoekster] te betalen € 2.513,78 bruto aan transitievergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf

1 oktober 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt CPC om aan [verzoekster] te betalen € 1.234,80 bruto aan vergoeding voor niet genoten adv-uren, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 10% ex artikel 7:625 BW en met de wettelijke rente over het aldus verhoogde bedrag vanaf de data van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat elk der partijen de eigen kosten van deze procedure draagt;

verklaart deze beschikking voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders verzochte/gevorderde.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.I. Mentink en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

757