Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:229

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-01-2021
Datum publicatie
19-01-2021
Zaaknummer
10/681062-20 vordering TUL VV: 22/000617-19 en 10/681023-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

‘Jeugdstrafrecht. Vrijspraak wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Afwijzing vorderingen tot tenuitvoerlegging, verkorting proeftijd en wijziging bijzondere voorwaarden. De rechtbank acht het van belang dat de betrokken hulpverlening in de komende periode wordt voortgezet en dat de verdachte spoedig weer een zinvolle dagbesteding heeft.’

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

Parketnummer: 10/681062-20

Parketnummers vordering TUL VV: 22/000617-19 en 10/681023-19

Datum uitspraak: 14 januari 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] 2003 te [geboorteplaats verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in:

[naam inrichting] , [adres inrichting] ,

raadsman: R.L.I. Jansen, advocaat te Dordrecht.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzittingen van 22 december 2020 en
14 januari 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. A.P.G. de Beer heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van de impliciet primair ten laste gelegde poging doodslag;

  • -

    bewezenverklaring van de impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling;

  • -

    oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak zonder nadere motivering

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de impliciet primair ten laste gelegde poging doodslag niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2.

Vrijspraak

4.2.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de aan de verdachte impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. De aangever [naam aangever] heeft in zijn aangifte verklaard dat hij meerdere keren met een mes is gestoken door de verdachte. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaringen van de getuigen [naam getuige 1] en [naam getuige 2] .

4.2.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft algehele vrijspraak bepleit.

4.2.3.

Beoordeling

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting blijkt het volgende.
Op 10 september 2020 wordt melding gedaan dat twee licht getinte mannen met elkaar aan het vechten waren aan de [pleegplaats] (proces-verbaal van bevindingen nr. [procesverbaalnummer 1] ). Uit de melding volgt dat één van hen een mes van 30 centimeter in zijn hand heeft en een donkere jas, spijkerbroek en een zwart petje draagt. De verbalisanten [naam agent 1] en [naam agent 2] komen kort na de melding ter plaatse en treffen daar de latere aangever aan, de heer [naam aangever] . De verbalisanten constateren dat er bij de aangever sprake is van letsel, bestaande uit een bebloede rechter onderarm met een wond van 5 centimeter.

De verbalisant [naam agent 3] hoort op 10 september 2020 van voornoemde vechtpartij (proces-verbaal van bevindingen nr. [procesverbaalnummer 2] ). Omdat hij dicht in de buurt is, gaat hij direct ter plaatse. Hij ziet vier personen op een bankje zitten, onder wie een man met een witte doek om zijn arm. De verbalisant ziet bloed op de arm. De verbalisant kent deze man ambtshalve als [naam aangever] . De verbalisant hoort [naam aangever] zeggen dat hij gestoken is en dat hij ruzie had met [naam verdachte] . Hierop vroeg de verbalisant of dit [naam verdachte] betrof, waarop [naam aangever] zei dat hij inderdaad door hem gestoken was.
Uit het verder door de aangever opgegeven signalement volgt dat de verdachte een grijze cap op had met daarop de letters LA. Op basis van de verklaring van [naam aangever] is verbalisant [naam agent 3] op zoek gegaan naar de hem ambtshalve bekende verdachte. Kort hierna wordt deze door de verbalisant herkend en aangehouden. Daarbij wordt door de verbalisant geconstateerd dat de verdachte een sneetje op zijn rechterhand heeft.

De aangever verklaart later die dag in zijn aangifte dat de verdachte, die hij kent en waarmee hij twee dagen eerder gebekvecht had, een mes van 30 centimeter uit zijn heuptas pakte, met dat mes in zijn richting begon te zwaaien en hem daarbij meerdere keren heeft geraakt aan borst, rechterhand en linker onderarm waardoor hij op die plaatsen werd verwond.


Twee dagen later, op 12 september 2020, zijn de getuigen [naam getuige 1] en [naam getuige 2] , in elkaars bijzijn, door de politie gehoord. Zij verklaren dat zij een voor hen onbekende jongen bij aangever hebben zien staan. De voor hen onbekende jongen trok een mes en zwaaide hiermee. Door de getuigen is niet waargenomen of de aangever daadwerkelijk is geraakt met het mes. De dader wordt door de getuigen omschreven als een jongen met een pet op en met een donkere broek aan. Door de afstand hebben de getuigen het gezicht van de dader niet kunnen zien. Vervolgens is aan de getuigen, in elkaars aanwezigheid, een politiefoto van het gezicht van de verdachte getoond. De getuigen herkennen de verdachte aan de hand van de betreffende foto niet als de dader. Vervolgens wordt aan de getuigen, wederom in elkaars aanwezigheid, een politiefoto van de verdachte getoond, waarop deze volledig zichtbaar en met handboeien om is te zien. Na het tonen van deze tweede foto is getuige [naam getuige 2] , op basis van de pet en de broek die de verdachte draagt, ervan overtuigd dat de man op de hem getoonde foto degene is die met het mes heeft gezwaaid. Getuige [naam getuige 1] denkt op basis van diezelfde foto dat de verdachte de dader is.

De rechtbank overweegt het volgende.

Het dossier bevat slechts één bewijsmiddel waarin de verdachte bij zijn voornaam als de dader wordt aangewezen, te weten de verklaring van de aangever [naam aangever] . De aangever noemt zelf niet de achternaam van de verdachte, maar antwoordt bevestigend op de vraag van verbalisant [naam agent 3] of ‘ [naam] ’ ‘ [naam verdachte] ’ betreft. De verdachte heeft steeds ontkend dat hij het ten laste gelegde feit heeft gepleegd. De verklaringen van de verdachte en de aangever staan daarmee lijnrecht tegenover elkaar. Voor de vraag of het ten laste gelegde kan worden bewezen, is bepalend of er sprake is van voldoende wettig en overtuigend steunbewijs voor de verklaring van de aangever.

De rechtbank stelt in dit verband allereerst vast dat door de getuigen [naam getuige 1] en [naam getuige 2] slechts een summier signalement van de dader is opgegeven, dat bovendien algemeen en weinig onderscheidend is: een jongen met een pet op en een donkere broek aan. De getuigen stonden naar eigen verklaring te ver weg om het gezicht van de dader te zien en hebben evenmin kunnen vaststellen dat de aangever daadwerkelijk met het mes is geraakt. Voorts stelt de rechtbank vast dat de getuigen [naam getuige 1] en [naam getuige 2] twee dagen na het gebeuren in elkaars bijzijn zijn gehoord, waardoor onderlinge beïnvloeding voorafgaande aan en tijdens het afleggen van hun verklaringen niet kan worden uitgesloten. Ditzelfde geldt ook voor de confrontatie van genoemde getuigen met een politiefoto van het gezicht van de verdachte, die bij geen van beide getuigen een herkenning van de verdachte heeft opgeleverd. Pas nadat zij met een politiefoto werden geconfronteerd waarop de verdachte geboeid is te zien, vond aan de hand van de pet en de broek een herkenning plaats door de getuige [naam getuige 2] en denkt ook de getuige [naam getuige 1] de verdachte te herkennen. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat een fotoherkenning onder de gegeven omstandigheden - waarbij een verdachte geboeid wordt getoond - en waarbij vooral een pet en een broek worden herkend, als onvoldoende betrouwbaar dient te worden beschouwd. De rechtbank neemt daarnaast in aanmerking dat uit het hiervoor vermelde door verbalisant [naam agent 3] opgemaakte proces-verbaal van bevindingen niet blijkt of het door de aangever opgegeven signalement van de dader overeenkomt met het signalement van de verdachte op het moment van aanhouden. Uit het dossier blijkt ook niet dat het door de aangever genoemde mes en de door aangever genoemde heuptas worden aangetroffen. Wel draagt de aangever een schoudertasje, maar daarin wordt geen mes aangetroffen. Van een pet wordt in dit proces-verbaal evenmin melding gemaakt. Hoewel de verdachte wisselend heeft verklaard over de wondjes die ten tijde van zijn aanhouding op zijn hand zijn aangetroffen, vormt ook dit onvoldoende ondersteunend bewijs. De rechtbank tekent voorts nog aan dat een FARR-verklaring in het dossier ontbreekt, zodat er behoudens de constatering van de verbalisanten dat de aangever een bloedende wond op zijn onderarm heeft, niet is komen vast te staan wat de aard is van het letsel bij de aangever. Nu het ontbreekt aan voldoende wettig en overtuigend bewijs, zal de verdachte worden vrijgesproken van het hem impliciet subsidiair en het subsidiair ten laste gelegde feit.

Gelet op het vorenstaande behoeven de overige verweren die door de verdediging naar voren zijn gebracht geen bespreking meer.

4.2.4.

Conclusie

Het impliciet subsidiair en subsidiair ten laste gelegde is evenmin wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

5. Vordering benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] , wonende te [woonplaats benadeelde] , ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 650,- aan materiële schade en een bedrag van € 750,- aan immateriële schade, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

5.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de immateriële schade toewijsbaar is. Het deel van de vordering dat ziet op de materiële schade is niet onderbouwd. De benadeelde partij dient ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering.

5.2.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, gelet op de door hem bepleite vrijspraak. Subsidiair is verzocht om de vordering te matigen. Voor wat betreft de immateriële schade dient het bedrag te worden gematigd tot maximaal € 500,-. Het feitencomplex in de jurisprudentie waarnaar wordt verwezen is niet soortgelijk aan het feitencomplex in de onderhavige strafzaak. Het letsel is niet onderbouwd met medische informatie en het betreft geen letsel aan vitale lichaamsonderdelen. Het gevorderde bedrag dat ziet op de materiële schade dient tevens te worden gematigd, nu de schade niet is onderbouwd en onduidelijk is of de jas hersteld zou kunnen worden.

5.3.

Beoordeling

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde feit waarop de vordering is gegrond.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

5.4.

Conclusie

In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen.

6. Vorderingen tenuitvoerlegging

6.1.

Vonnis en arrest waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

6.1.1.

Parketnummer 10/681023-19

Bij vonnis van 30 augustus 2019 van de kinderrechter van deze rechtbank is de verdachte veroordeeld voor zover van belang tot een jeugddetentie van 47 dagen, waarvan een gedeelte, groot 30 dagen, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

De proeftijd is ingegaan op 14 september 2019.

6.1.2.

Parketnummer 22/000617-19

Bij arrest van 6 februari 2020 van het gerechtshof Den Haag is de verdachte veroordeeld voor zover van belang tot een jeugddetentie van 85 dagen, waarvan een gedeelte, groot 42 dagen, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

De proeftijd is ingegaan op 21 februari 2020.

6.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht om de bij vonnis van 30 augustus 2019 van de kinderrechter van deze rechtbank en de bij arrest van 6 februari 2020 van het gerechtshof Den Haag opgelegde voorwaardelijke straffen niet ten uitvoer te leggen, maar in plaats daarvan de proeftijden te verkorten en de bij het vonnis opgelegde bijzondere voorwaarden op te heffen.

6.3.

Beoordeling

Gelet op de vrijspraak zal de rechtbank deze vorderingen afwijzen.

De rechtbank acht het van belang dat de betrokken hulpverlening in de komende periode wordt voortgezet en dat de verdachte spoedig een zinvolle dagbesteding heeft. Bekeken moet worden of de verdachte opnieuw kan deelnemen aan [traject] , nu ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte hiervoor gemotiveerd is.

7. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

8. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;

wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 30 augustus 2019 van de kinderrechter van deze rechtbank (parketnummer 10/681023-19) aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie;

wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij arrest van 6 februari 2020 van het gerechtshof Den Haag (parketnummer 22/000617-19) aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie;

wijst af de gevorderde verkorting van de proeftijd van de bij vonnis van 30 augustus 2019 van de kinderrechter van deze rechtbank (parketnummer 10/681023-19) opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie;

wijst af de gevorderde verkorting van de proeftijd van de bij arrest van 6 februari 2020 van het gerechtshof Den Haag (parketnummer 22/000617-19) opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie;

wijst af de gevorderde wijziging van de bijzondere voorwaarden verbonden aan de bij vonnis van 30 augustus 2019 (parketnummer 10/681023-19) van de kinderrechter van deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.P. van der Stroom, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. A.A.J. de Nijs en A.M.T.A. Verhagen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. Spaans, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 januari 2021.

De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 10 september 2020 te [pleegplaats]

ter uitvoering van het voornemen om opzettelijk [naam slachtoffer] van het leven te beroven,

althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet die [naam slachtoffer] meermalen, althans eenmaal,

(telkens) met een mes, althans een scherp / puntig voorwerp,

in de borst en/of een hand en/of een arm, althans het lichaam, heeft gesneden en/of gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voornemen niet is voltooid;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 10 september 2020 te [pleegplaats]

[naam slachtoffer] heeft mishandeld

door die [naam slachtoffer] met een mes te steken in de borst en/of een arm en/of een hand.