Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:2223

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-03-2021
Datum publicatie
23-03-2021
Zaaknummer
8919608 CV EXPL 20-6217
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partijen zijn in geschil over verschillende punten die zien op de uitvoering van afspraken uit het echtscheidingsconvenant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8919608 CV EXPL 20-6217

uitspraak: 18 maart 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht,

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats eiser],

eiser in conventie, verweerder in reconventie

gemachtigde: Juristu Incassodiensten BV,

tegen:

[gedaagde],

wonende te [woonplaats gedaagde],

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

gemachtigde: mr. S. Kandemir.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘de man’ en ‘de vrouw’.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  1. de dagvaarding van 24 november 2020, met producties;

  2. de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie, met producties;

  3. het tussenvonnis van 14 januari 2021 waarin een mondelinge behandeling is bepaald;

  4. de conclusie van antwoord in reconventie;

  5. de aantekening dat de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 februari 2021.

Het vonnis is bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

2.1

Partijen zijn in gemeenschap van goederen gehuwd geweest. Op 21 maart 2019 is tussen hen de echtscheiding uitgesproken.

2.2

In het echtscheidingsconvenant is onder meer het volgende opgenomen:

“4.1 Tussen partijen bestaat gemeenschap van goederen bestaande uit de hierna genoemde activa en passiva:

[…]

c. Aan de hypothecaire geldlening gekoppelde spaarpolis bij ASR met nummer [polisnummer] met

een waarde van € 7.420.-

[…]

h. Auto van het merk Mercedes

en

4.4 Partijen hebben een echtelijke koopwoning in eigendom toebehorend aan partijen. Partijen zullen de woning gezamenlijk blijven bewonen en onverdeeld laten. De hypothecaire lasten, premie van de hieraan gekoppelde polis, VVE bijdrage alsmede de eigenaarslasten zullen partijen ieder voor de helft voldoen. Partijen komt ieder de helft van de hypothecaire teruggaaf toe. Partijen zijn zich ervan bewust dat het gezamenlijk bewonen van de woning gevolgen heeft voor de fiscale situatie waaronder fiscaal partnerschap en het wel of geen recht hebben op toeslagen en fiscale voordelen. Partijen zullen zich daarover zonodig door een fiscaal deskundige nader laten voorlichten, Voorts zijn partijen ervan op de hoogte dat zij door het onverdeeld laten van de echtelijke woning, gezamenlijk eigenaar blijven van deze woning ook na scheiding.”

en

4.8 Partijen zullen ieder een gelijk aandeel hebben in het onderhouden van de woning.”

en

Auto van het merk Mercedes

4.12

De auto wordt aan de vrouw toebedeeld zonder nadere verrekening. De vrouw zal alle kosten van de auto met ingang van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding voor haar rekening nemen.”

2.3

In het ouderschapsplan is onder meer het volgende opgenomen:

Artikel 5 beslissingen en school

(…) De vader zal de kosten van school en schoolvervoer voor zijn rekening nemen.”

2.4

Op 13 mei 2020 heeft De vrouw een formulier ondertekend waarin zij verklaart dat zij afstand doet van de auto van het merk Mercedes met kenteken [kentekennummer].

3. Het geschil in conventie

3.1

De man vordert in conventie dat de vrouw bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld:

I. tot betaling aan de man van een bedrag van € 6.625,03,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 mei 2020 tot aan de dag van algehele voldoening;

II. tot betaling aan de man van de buitengerechtelijke kosten van € 854,56.

III. in de proceskosten en de nakosten.

3.2

De man legt aan zijn vordering ten grondslag dat de vrouw niet aan haar verplichtingen op grond van het echtscheidingsconvenant heeft voldaan. Zij heeft niet bijgedragen in de hypothecaire lasten, de aanverwante poliskosten, de VvE-bijdragen en de eigenaarslasten. De helft van deze kosten bedraagt € 6.625,03.

3.3

De vrouw voert als verweer dat partijen zijn overeengekomen de totale woonlasten bij helfte te voldoen en dat daarom ook de hypotheekrenteaftrek moet worden verdeeld. De vrouw heeft daarnaast de kosten voor de boodschappen en voor de kinderen betaald, zodat de man per saldo niets te vorderen heeft. De vrouw concludeert tot afwijzing van de vordering in conventie.

4. Het geschil in reconventie

4.1

De vrouw vordert in reconventie dat de man wordt veroordeeld:

I. tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 6.042,08, betreffende de kosten van de gemeenschappelijke huishouding;

II. tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 2.250,- betreffende de overbedeling met betrekking tot de Mercedes;

III. tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 3.710,- betreffende overbedeling met betrekking tot de ASR levensverzekeringspolis;

IV. in de proceskosten.

4.2

De vrouw legt aan haar vordering ten grondslag dat op basis van het echtscheidingsconvenant de woonlasten bij helfte moeten worden verdeeld. De man heeft echter niet bijgedragen in de boodschappen, de kosten voor de kinderen inclusief vakantie, de schoolkosten en de kosten voor het onderhoud van de tuin. Daarnaast is de man overbedeeld voor wat betreft de Mercedes en dient de levensverzekeringspolis nog te worden verdeeld. Tezamen betreft dit een bedrag van € 12.003,08 dat de man nog aan de vrouw is verschuldigd.

4.3

De man voert verweer tegen de vordering en legt daaraan ten grondslag dat hij eveneens heeft bijgedragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Van de Mercedes heeft de vrouw vrijwillig afstand gedaan, zodat van overbedeling geen sprake is. De levensverzekering stond op naam van de man en hier heeft de vrouw ook geen enkele premie voor betaald. Voor verdeling van de uitkering van de polis is dan ook geen aanleiding.

5. De beoordeling

5.1

Partijen hebben in deze zaak afspraken gemaakt over de wijze waarop hun activa en passiva na de echtscheiding moeten worden verdeeld. Deze afspraken hebben zij op schrift gesteld in het echtscheidingsconvenant. Voor de vraag welke afspraken er precies tussen partijen gelden, gaat het er steeds om wat zij hebben bedoeld en wat zij over en weer redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Voor zover partijen na de verdeling kosten hebben gemaakt, geldt het uitgangspunt dat zij die kosten zelf moeten dragen tenzij zij daarover andere afspraken hebben gemaakt.

in conventie

5.2

Partijen zijn het erover eens dat zij hebben afgesproken dat zij beiden de helft van de kosten voor de woning moeten dragen. Uit die afspraak volgt dat de partij die meer heeft betaald dan hij of zij op grond van deze afspraken verschuldigd was, voor dat meerdere een vordering krijgt op de ander.

5.3

Partijen zijn het erover eens dat de man de door hem gestelde woonlasten heeft betaald, zodat in beginsel de vrouw daarvan de helft moet vergoeden. De vrouw stelt echter dat de man belastingteruggave heeft genoten vanwege de hypotheekrenteaftrek, welk bedrag in mindering moet strekken. De man stelt dat ook de vrouw belastingteruggave heeft genoten. Partijen hebben met betrekking tot dit geschilpunt echter geen verificatoire informatie in het geding gebracht, zodat de kantonrechter niet in staat is gesteld dat punt te beoordelen. Het bedrag van € 6.625,03 wordt dan ook toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 mei 2020.

5.4

De man heeft geen recht op een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten. De man heeft niet voldaan aan de vereisten die de wet in artikel 6:96 lid 6 BW stelt voor het maken van aanspraak op buitengerechtelijke kosten. De man heeft de vrouw geen laatste kans tot betaling binnen veertien dagen geboden, zonder extra kosten.

5.5

De proceskosten worden gecompenseerd, in die zin partijen ieder de eigen kosten van de procedure dragen.

in reconventie

5.6

De vrouw vordert € 6.042,08 als bijdrage voor de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Dit betreft onder andere kosten voor boodschappen, kinderfeestjes, uitjes en een vakantie en overige kosten voor de kinderen. De man voert aan dat ook hij dergelijke kosten heeft betaald en legt ter onderbouwing daarvan verschillende betaalbewijzen over. De man vordert deze kosten echter niet van de vrouw.

5.7

Het echtscheidingsconvenant bepaalt, ondanks dat partijen beide zijn bijgestaan door een gemachtigde, niets over het bijdragen in de kosten van de boodschappen. De vrouw heeft ook niet gesteld op basis waarvan zij er niettemin op mocht vertrouwen dat de man in deze kosten zou bijdragen. Dit deel van de vordering moet daarom worden afgewezen.

5.8

Over de kosten van de kinderen is bepaald dat partijen zullen overleggen over bijzondere zaken. Partijen zijn het er kennelijk over eens dat de gewone kosten voor de kinderen bij helfte worden gedeeld, maar dat geldt niet voor zaken als vakanties, uit eten en kinderfeestjes. Ook de kosten die de vrouw vordert voor de tuin komen niet voor verdeling bij helfte in aanmerking, omdat dit geen onderhoud betreft en partijen hierover dus geen afspraken hebben gemaakt. De vrouw heeft immers zelf besloten om de tuin te laten betegelen.

5.9

Op basis van de rekeningafschriften die de vrouw heeft overgelegd merkt de kantonrechter een bedrag van € 2.333,66 aan als noodzakelijke kosten voor kleding, schoenen, zwemles, fietsen, bedden en kussens, waarin de man voor de helft dient bij te dragen. Daarnaast dient de man de kosten voor de schoolreis van € 73,- op basis van de afspraken tussen partijen volledig te betalen. De vordering wordt op dit punt toegewezen tot een bedrag van € 1.239,83.

5.10

De vrouw vordert daarnaast een bedrag van € 2.250,-, omdat de man zich de Mercedes heeft toegeëigend terwijl deze op basis van het echtscheidingsconvenant aan haar is toebedeeld. De man voert aan dat de vrouw vanaf dat moment niet de lasten van de auto heeft gedragen, zoals is overeengekomen, en dat de vrouw om die reden vrijwillig heeft besloten om afstand te doen van de auto. Ter onderbouwing legt de man de door de vrouw ondertekende verklaring over als productie 13.

5.11

De vrouw stelt zich op het standpunt dat zij door de man onder druk is gezet om de door hem opgestelde verklaring te ondertekenen en dat zij de inhoud niet begreep en niet wist dat zij daarmee ook afstand zou doen van verrekening van de waarde van de auto. De man erkent dat de verklaring door een kennis van hem is opgesteld, maar betwist dat hij de vrouw heeft gedwongen om afstand te doen van de auto. De man stelt dat hij de vrouw de keuze heeft gegeven om de lasten van de auto over te nemen of afstand te doen van de auto, waarop de vrouw afstand heeft gedaan van de auto. Voor zover de vrouw een beroep doet op een wilsgebrek ten aanzien van het afstand doen van de rechten met betrekking tot de auto heeft zij dit onvoldoende onderbouwd. Zij heeft immers niet uitgelegd op welke wijze zij dan precies onder druk is gezet. De vordering wordt op dit punt om die reden afgewezen.

5.12

Ook vordert de vrouw een bedrag van € 3.710,-, zijnde de helft van de ASR levensverzekeringspolis van partijen die is uitgekeerd aan de man. De man betwist dat hij dit bedrag aan de vrouw is verschuldigd, omdat de polis op zijn naam staat en de vrouw slechts was meeverzekerd en geen premie heeft betaald. De vrouw heeft dus geen recht op de uitkering, aldus de man. Vast staat echter dat de spaarpolis – die was gekoppeld aan de hypotheek – deel uitmaakte van de gemeenschap en dat deze dus in beginsel bij helfte moet worden verdeeld. Dat de vrouw wellicht niet heeft bijgedragen in de premie maakt dit niet anders. De vordering wordt op dit punt om die reden toegewezen.

5.13

De proceskosten worden gecompenseerd, in die zin partijen ieder de eigen kosten van de procedure dragen.

samenvattend

5.14

In conventie wordt de vrouw veroordeeld tot betaling van € 6.625,03, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 mei 2020. In reconventie wordt de man veroordeeld tot betaling van € 4.949,83 (€ 1.239,83 + € 3.710,-). De vrouw mag de vordering in reconventie verrekenen met de vordering in conventie, in welk geval zij nog € 1.675,20 met rente aan de man is verschuldigd.

6. De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

veroordeelt de vrouw aan de man te betalen een bedrag van € 6.625,03, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW vanaf 24 mei 2020 tot aan de dag van algehele voldoening;

compenseert de proceskosten in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten van deze procedure draagt;

in reconventie

veroordeelt de man aan de vrouw te betalen een bedrag van € 4.949,83;

geeft de vrouw de bevoegdheid om de vordering in reconventie te verrekenen met haar vordering in conventie;

compenseert de proceskosten in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten van deze procedure draagt;

in conventie en in reconventie:

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. van Boven en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

41645