Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:2194

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-03-2021
Datum publicatie
16-03-2021
Zaaknummer
ROT 19/4683
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet politiegegevens. Artikel 25 Wpg. Verzoek inzage verwerking persoonsgegevens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 19/4683

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2021 in de zaak tussen

[naam eiser], te [woonplaats eiser], eiser,

en

de Minister van Financiën,

gemachtigde: mr. I.A. Huppertz.

Procesverloop

Bij besluit van 7 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder in reactie op een verzoek van eiser, voor zover hier van belang, bepaald dat eiser in de gelegenheid wordt gesteld kennis te nemen van zijn persoonsgegevens die door de Fiscale Inlichtingen- en OpsporingsDienst (FIOD) worden verwerkt onder de Wet politiegegevens (Wpg).

Eiser heeft (tegen dit onderdeel van) het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2021. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op 15 juni 2019 heeft eiser bij de FIOD een verzoek ingediend waarin hij vraagt om hem te laten weten of er door de FIOD persoonsgegevens van hem worden verwerkt. Dit verzoek had eiser gebaseerd op artikelen 12 en 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Op 3 juli 2019 is aan eiser verzocht of zijn verzoek mag worden behandeld op grond van de Wpg in plaats van de AVG. Op dezelfde datum heeft eiser kenbaar gemaakt dat zijn verzoek onder de AVG dient te worden behandeld, omdat de Wpg in zijn situatie volgens hem niet langer van toepassing zou zijn. Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

2. Het bestreden besluit houdt het volgende in. Door de FIOD worden er op grond van de AVG geen persoonsgegevens van eiser verwerkt. Op grond van de Wpg worden er door de FIOD wel persoonsgegevens van eiser verwerkt. Verweerder heeft besloten eiser kennis te laten nemen van zijn persoonsgegevens die door de FIOD worden verwerkt op grond van de Wpg.

3. Op 3 september 2019 heeft er een inzage in die gegevens plaatsgevonden.

4. Op 6 september 2019 heeft eiser rechtstreeks beroep ingesteld tegen het bestreden besluit voor zover het betrekking heeft op de Wpg. Over dit beroep gaat deze uitspraak. Ter zitting heeft eiser te kennen gegeven dat hij bezwaar heeft gemaakt tegen het bestreden besluit voor zover het betrekking heeft op de AVG. Hierover gaat deze uitspraak niet.

5. Het voor deze uitspraak relevante juridisch kader is opgenomen in de aan deze uitspraak gehechte bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

6. Partijen houdt in de kern verdeeld of eiser op 3 september 2019 inzage heeft gekregen in alle persoonsgegevens van hem die door FIOD worden verwerkt. Verweerder stelt dat dit het geval is, terwijl eiser stelt dat er bij de inzage documenten met zijn persoonsgegevens voor hem zijn achtergehouden.

7. Volgens vaste rechtspraak van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaronder de uitspraken van 2 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2371, en 18 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1320, is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust.

8.1.

Eiser voert aan dat hij de indruk heeft dat de FIOD een onderzoek naar hem (en zijn ex-partner) heeft ingesteld. Die indruk baseert hij op het ‘proces-verbaal aanvraag vordering verstrekking historische gegevens’ van 2 november 2016, waarin staat dat “FIOD/Belastingdienst” in 2015 op vordering stukken aan de officier van justitie heeft verstrekt, en op de ‘vordering verstrekking historische gegevens’ van 10 november 2016, waarbij de officier van justitie de “Belastingdienst/FIOD Haarlem” heeft gevorderd bepaalde gegevens te verstrekken. Eiser stelt dat aan hem op 3 september 2019 geen inzage is geboden in documenten van het onderzoek dat de FIOD naar hem heeft ingesteld. Verder stelt eiser dat hem uit de stukken waarin hij wel inzage heeft gekregen is gebleken dat de FIOD aangifte tegen hem heeft gedaan. Ook in die documenten heeft hij geen inzage gehad.

8.2.

Verweerder heeft in het verweerschrift in dit verband de volgende toelichting gegeven. De processen-verbaal waarnaar eiser verwijst betreffen vorderingen om informatie van de officier van justitie aan de Belastingdienst en niet aan de FIOD. De vorderingen zijn weliswaar geadresseerd aan de FIOD Infodesk, maar waren bestemd voor de Belastingdienst. De FIOD Infodesk heeft hier slechts een postbusrol vervuld tussen de Belastingdienst en de politie. De gegevens en systemen die in de processen-verbaal zijn vermeld, zijn ook geen gegevens of systemen die de FIOD heeft. Een en ander zorgt voor onduidelijkheid, wat te betreuren is, maar dit laat onverlet dat de vorderingen niet waren bestemd voor de FIOD en dus ook niet door FIOD zijn behandeld. De FIOD heeft geen onderzoek ingesteld naar eiser en (dus) ook geen aangifte tegen eiser gedaan. Verweerder stelt zich dan ook op het standpunt dat de FIOD niet beschikt over documenten van een door hem naar eiser ingesteld onderzoek dan wel van een door hem tegen eiser gedane aangifte.

8.3.

In het licht van voormelde gemotiveerde toelichting komt de mededeling van verweerder dat er onder de FIOD zich geen documenten bevinden van een door de FIOD naar eiser ingesteld onderzoek of van een door de FIOD tegen eiser gedane aangifte, de rechtbank niet ongeloofwaardig voor. Eiser heeft hier onvoldoende concrete feiten en omstandigheden tegenovergesteld om aannemelijk te maken dat dergelijke documenten, in weerwil van verweerders mededeling, wel onder de FIOD berusten. Hierbij merkt de rechtbank op dat eiser onvoldoende heeft gespecificeerd welke concrete documenten met zijn persoonsgegevens hij op 3 september 2019 niet voor ogen heeft gekregen. Gelet hierop treffen eisers onder 8.1. weergegeven stellingen geen doel.

9.1.

Eiser voert verder aan dat hem uit de stukken waarin hij wel inzage heeft gehad is gebleken dat de politie in 2016 gegevens over hem aan de FIOD heeft verstrekt. Hij stelt geen inzage in deze documenten te hebben gekregen.

9.2.

Verweerder heeft in het verweerschrift in dit verband de volgende toelichting gegeven. De gegevens van eiser die de FIOD heeft verwerkt zijn niet ontvangen van de politie. Ze zijn in een onderzoek van de FIOD naar een derde naar voren gekomen en vervolgens geregistreerd. Aan eiser is inzage verleend in deze gegevens. Verweerder stelt zich dan ook op het standpunt dat de FIOD niet beschikt over specifiek op eiser betrekking hebbende politiedocumenten.

9.3.

In het licht van voormelde gemotiveerde toelichting komt de mededeling van verweerder dat er onder de FIOD zich geen specifiek op eiser betrekking hebbende politiedocumenten bevinden, de rechtbank niet ongeloofwaardig voor. Eiser heeft hier onvoldoende concrete feiten en omstandigheden tegenovergesteld om aannemelijk te maken dat dergelijke documenten, in weerwil van verweerders mededeling, wel onder de FIOD berusten. Hierbij merkt de rechtbank op dat eiser ook in zoverre onvoldoende heeft gespecificeerd welke concrete documenten hem tijdens de inzage zouden zijn onthouden. De onder 9.1. vermelde stelling van eiser treft dus ook geen doel.

10. Samenvattend overweegt de rechtbank dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat in het verweerschrift een onjuiste voorstelling van zaken is gegeven en dat de FIOD bij de inzage op 3 september 2019 documenten met zijn persoonsgegevens voor eiser heeft achtergehouden. De daartoe strekkende beroepsgrond van eiser slaagt dan ook niet.

11. Eisers beroepsgrond dat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en andere beginselen van behoorlijk bestuur slaagt, gelet op het vorenstaande, niet.

12. Ten aanzien van eisers niet nader toegelichte stelling dat de politie de beschikking van de rechter-commissaris van deze rechtbank van 5 januari 2017 omzeilt, waardoor zijn recht op een eerlijk proces (artikel 6 van het EVRM) wordt geschonden en er sprake is van marteling (artikel 3 van het EVRM) overweegt de rechtbank dat deze buiten het bestek van deze procedure valt en daarom inhoudelijk onbesproken blijft.

13. Er bestaat geen grond om het bestreden besluit, voor zover eiser daartegen beroep heeft ingesteld, onrechtmatig te achten. Het bestreden besluit blijft in zoverre dan ook in stand. Het beroep is ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Het vaststellen van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat eiser geen volledige inzage wordt gegeven in zijn persoonsgegevens die door de FIOD worden verwerkt, zoals eiser heeft verzocht, is evenmin aan de orde.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van

mr. D. van Dijk-Goedhart, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 11 maart 2021.

De griffier is buiten staat De rechter is verhinderd te tekenen

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

BIJLAGE

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Op grond van artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder g, van de Awb, gelezen in samenhang met bijlage 1 ‘Regeling rechtstreeks beroep’ bij de Awb staat tegen een besluit genomen op grond van artikel 25 en/of 28 van de Wpg rechtstreeks beroep open.

Wet politiegegevens (Wpg)

Op grond van artikel 25, eerste lid, van de Wpg, voor zover hier van belang, heeft de betrokkene het recht om op diens schriftelijke verzoek van de verwerkingsverantwoordelijke binnen zes weken uitsluitsel te verkrijgen over de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om die persoonsgegevens in te zien.