Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:2160

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-03-2021
Datum publicatie
18-03-2021
Zaaknummer
ROT 19/3722
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen Besluit bekendmaking veiling kavels B05, B28, B29 en B34 (Bekendmakingsbesluit 2019). De intrekking van de eerder verleende vergunningen voor kavel B05 is onherroepelijk geworden, zodat eiseres gelet op haar beroepsgronden geen procesbelang meer heeft. Eerst ter zitting heeft eiseres aangevoerd dat niet aan in het Bekendmakingsbesluit 2019 vastgestelde vergunningvoorschriften kan worden voldaan. Het ontbreken van procesbelang kan eiseres op dit punt niet worden tegengeworpen. Niet valt echter in te zien dat eiseres deze grond niet eerder had kunnen aanvoeren. Daarbij heeft eiseres haar tardief betoog onvoldoende onderbouwd. Daarom geen aanleiding het onderzoek in deze zaak te heropenen. Beroep wordt ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 19/3722

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 maart 2021 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [vestigingsplaats eiseres] , eiseres,

gemachtigde: [naam 1] ,

en

de Staatsecretaris van Economische Zaken en Klimaat (Agentschap Telecom), verweerder,

gemachtigden: mr. R.B. Lussing en mr. S.P. Janssen.

Procesverloop

Bij besluit van 17 juli 2019 heeft verweerder de keuze voor het instrument van veiling van vergunningen voor niet-landelijke commerciële radio-omroep kavels [kavel 1] , [kavel 2] , [kavel 3] en [kavel 4] , de vaststelling van die vergunningen, en de vaststelling van de daaraan te koppelen vergunningen voor digitale radio-omroep bekend gemaakt (Besluit bekendmaking veiling kavels [kavel 1] , [kavel 2] , [kavel 3] en [kavel 4] , Bekendmakingsbesluit 2019).

Eiseres heeft op 25 juli 2019 beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2021. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1

Op 19 februari 2018 heeft verweerder besloten dat de vergunningen voor niet-landelijke commerciële radio-omroep kavels [kavel 1] en [kavel 5] worden verdeeld via een veiling (Bekendmakingsbesluit 2018).

1.2

De veiling heeft plaatsgevonden op 25 juni 2018. Eiseres heeft het winnende

bod voor kavel [kavel 1] uitgebracht. Bij besluit van 27 juni 2018 zijn de vergunningen voor analoge niet-landelijke commerciële radio omroep voor kavel [kavel 1] (FM-vergunning) en voor het gebruik van frequentieruimte voor commerciële digitale radio in allotment 8A (digitale vergunning) aan eiseres verleend.

1.3

Bij besluit van 14 september 2018 heeft verweerder de vergunningen (FM- en digitale vergunning) van eiseres ingetrokken wegens het niet betalen van het winnende bod.

1.4

Verweerder heeft het door eiseres tegen de intrekking van de vergunningen gemaakte bezwaar bij besluit van 19 december 2018 ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen dat besluit beroep ingesteld.

1.5

Door intrekking van de vergunningen voor kavel [kavel 1] en voor kavels [kavel 2] , [kavel 3] en [kavel 4] zijn deze weer beschikbaar gekomen. Bij Bekendmakingsbesluit 2019 is bepaald dat de vergunningen voor niet-landelijke commerciële FM-radio voor de genoemde kavels worden verdeeld via een veiling en zijn de FM-vergunningen en de daarbij behorende voorschriften en beperkingen, voor zover al mogelijk is, vastgesteld. Dat geldt evenzeer voor de voorschriften en beperkingen die behoren bij de aan de FM-vergunningen te koppelen vergunningen voor digitale radio-omroep. Kavel [kavel 1] is op 5 februari 2020 geveild en Radio Limburg 97FM B.V. heeft het winnende bod uitgebracht.

2. Eiseres heeft in haar beroepschrift aangevoerd dat het Bekendmakingsbesluit 2019 is genomen in strijd met de grondbeginselen van zorgvuldigheid, omdat tegen de intrekking dan wel niet verlenging van de vergunning voor kavel [kavel 1] van [naam stichting] ( [naam stichting] ) nog vijf procedures bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) lopen en tegen de intrekking van de vergunningen van eiseres voor kavel [kavel 1] nog een procedure loopt bij de rechtbank.

3.1

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiseres voldoende procesbelang heeft bij haar beroep. Volgens vaste, nationale, rechtspraak ontbreekt (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een beroepschrift met het (hoger) beroep nastreeft, niet daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor hem geen feitelijke, maar hooguit theoretische betekenis kan hebben (bijvoorbeeld uitspraak van 7 mei 2019 van het CBb, ECLI:NL:CBB:2019:189, punt 4.1).

3.2

De rechtbank stelt vast dat het beroep tegen de intrekking van de aan eiseres verleende vergunningen voor kavel [kavel 1] bij uitspraak van 14 november 2019 (ECLI:NL:RBROT:2019:8717) ongegrond is verklaard. Bij uitspraak van 31 maart 2020 heeft het CBb het hoger beroep tegen deze uitspraak kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet op tijd betalen van het griffierecht. Verder heeft deze rechtbank bij uitspraak van 20 december 2018 (ECLI:NL:RBROT:2018:10811) het beroep van [naam stichting] tegen vijf besluiten niet-ontvankelijk is verklaard wegens ontslag van instantie. Het CBb heeft op 3 september 2019 het hoger beroep kennelijk ongegrond verklaard. Dit betekent - kort gezegd - dat de intrekking van de eerder verleende vergunningen voor kavel [kavel 1] onherroepelijk is geworden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiseres gelet op haar hiervoor weergegeven beroepsgronden geen procesbelang meer heeft.

4.1

Eerst ter zitting heeft eiseres aangevoerd dat niet aan in het Bekendmakingsbesluit 2019 vastgestelde vergunningvoorschriften kan worden voldaan. Eiseres wijst in dit verband op artikel 2 en artikel 7 van de voorschriften. In artikel 2, tweede lid, eerste volzin, van deze voorschriften is bepaald dat de vergunninghouder de in de bijlagen genoemde frequenties binnen drie maanden na inwerkingtreding van deze vergunning in gebruik neemt en deze in gebruik houdt. Op grond van het bepaalde in artikel 7, aanhef en onder b, van de voorschriften eindigt de vergunning 12 maanden na inwerkingtreding van deze vergunning, tenzij dan 60% of meer van de frequenties, bedoeld in de bijlagen, in gebruik zijn genomen op de in de bijlagen van deze vergunning voorgeschreven opstelplaatsen, behalve indien een

of meer frequenties niet in gebruik zijn genomen vanwege een stroomstoring van het landelijk hoogspanningsnet of de regionale distributienetten, diefstal, brand of natuurgeweld. Eiseres stelt dat deze voorschriften innerlijk tegenstrijdig zijn en dat gewoonweg niet kan worden voldaan aan beide voorwaarden. Ter zitting heeft verweerder over de innerlijke tegenstrijdigheid van de artikelen 2 en 7 van de voorschriften opgemerkt dat artikel 7 een nadere invulling is van artikel 2. Verder heeft hij aangevoerd dat deze beroepsgrond van eiseres nieuw is en hij daar op dit moment ook niet op kan reageren.

4.2

De rechtbank overweegt dat het ontbreken van procesbelang eiseres op dit punt niet kan worden tegengeworpen. Niet valt echter in te zien dat eiseres deze grond niet eerder had kunnen aanvoeren. Daarbij heeft eiseres haar tardief betoog onvoldoende onderbouwd. Een enkele stelling van eiseres dat er procedures van andere partijen zijn waarin zou zijn aangevoerd dat niet aan de voorwaarden kan worden voldaan, is in dit verband onvoldoende. Voor zover eiseres verwijst naar de procedures van [naam stichting] overweegt de rechtbank dat in die procedures niet is komen vast te staan dat [naam stichting] niet aan die voorwaarde(n) kon voldoen. De stelling dat de huidige vergunninghouder van kavel [kavel 1] ook niet aan de voorwaarden kan voldoen, heeft eiseres evenmin onderbouwd. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding het onderzoek in deze zaak te heropenen om eiseres in de gelegenheid te stellen de grief nader te onderbouwen zodat verweerder alsnog inhoudelijk de juistheid van deze grond kan beoordelen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond .

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Lunenberg, voorzitter, en mr. J. M.W. van de Sande en mr. S.A. de Vries, leden, in aanwezigheid van mr. M. Traousis-van Wingaarden, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 18 maart 2021.

De griffier en de voorzitter zijn verhinderd deze uitspraak te ondertekenen

griffier voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.