Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:2131

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-03-2021
Datum publicatie
17-03-2021
Zaaknummer
19/3280
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek op grond van artikel 7t Kadasterwet. Beoordeeld moet worden of sprake is van een kennelijke misslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zittingsplaats Dordrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 19/3280


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 maart 2021 in de zaak tussen

[naam eiser], te [woonplaats eiser], eiser

(gemachtigde: mr. E.B. van den Ouden),

en

bewaarder van het kadaster en de openbare registers, verweerder

(gemachtigde: mr. P.A.M. Schamp).

Als derde-partij neemt aan het geding deel: [naam 1] en [naam 2], te [woonplaats],

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Procesverloop

In het besluit van 24 januari 2019 (primair besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om herstel van een in de basisregistratie opgenomen gegeven, afgewezen.

In het besluit van 23 mei 2019 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit (kennelijk) ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft in 1991 een deel van zijn perceel verkocht. Op 4 mei 1992 is door eiser en de verkrijger van het verkochte gedeelte (deelperceel) de grens tussen het deelperceel en het achterblijvende gedeelte van het perceel aangewezen, de zogenaamde aanwijs. Deze aanwijs is vastgelegd op het relaas van bevindingen en veldwerk, bekend onder Nieuwe-Tonge sectie [sectie], archiefnummer [nummer].

2. Eiser heeft verweerder in januari 2019 verzocht om de kadastrale kaart aan te passen aan de situatie zoals die destijds bij de verkoop door eiser van het stuk tuin is overeengekomen.

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek van eiser afgewezen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard en zijn primaire beslissing gehandhaafd. Verweerder heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat de gegevens op de kadastrale kaart overeenkomen met de gegevens in het relaas van bevindingen zodat van een misslag op grond van artikel 7t Kadasterwet geen sprake is. De inhoud van het relaas van bevindingen staat vast en kan niet meer ter discussie staan.

4. Eiser betoogt dat wel sprake is van een kennelijke misslag omdat de zuidelijke grens die eiser en de verkrijger hebben aangewezen bij de aanwijs niet is ingemeten. De piket die de hoek vormde van de oostgrens en de zuidgrens is wel gemeten, maar de zuidgrens zelf niet. De zuidgrens is destijds afgezet met een betonnen rand, die er nog steeds ligt. Eiser heeft door de onjuiste inmeting 20 m2 minder grond dan hij in werkelijkheid heeft. De kadastrale grens staat daarom niet goed vermeld in het relaas van bevindingen en in de basisregistratie. Eiser stelt onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 mei 2015 (ECLI:Nl:RVS:2015:1449) dat bij de vraag of sprake is van een misslag ook de bedoeling van partijen betrokken moet worden. Dat indertijd de grenzen zo zijn aangewezen als eiser stelt, wordt bevestigd door de koper van het perceel. Eiser stelt in dit verband dat er meetfouten zijn gemaakt, waardoor er een verschil is ontstaan tussen het relaas van bevindingen en de kadastrale kaart en de kadastrale oppervlakte onjuist in de basisregistratie kadaster is opgenomen. Tot slot betoogt eiser dat het in strijd is met de rechtszekerheid dat grenzen die al zo lang door alle partijen zijn geaccepteerd door een fout van het kadaster in 1991 nu niet meer zouden gelden.

Beoordeling van het beroep

5. Ingevolge artikel 7t, eerste lid, van de Kadasterwet kan een belanghebbende, indien deze gerede twijfel heeft omtrent de juistheid van een in de basisregistratie kadaster opgenomen gegeven dat krachtens deze wet als authentiek is aangemerkt, (…) onder opgaaf van redenen aan de Dienst een verzoek tot herstel van dat gegeven in de basisregistratie kadaster doen.

6. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 5 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2907) volgt dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 7t van de Kadasterwet (Kamerstukken II 2005/06, 30 544, nr. 3, blz. 18 en 20) kan worden afgeleid dat met deze bepaling is beoogd een regeling te bieden voor het ambtshalve of op verzoek herstellen van misslagen in de basisregistratie kadaster. Een verzoek tot herstel kan gericht zijn tegen het feit dat de bijwerking zelf onjuist of onvolledig is geschied doordat de bijwerking niet heeft plaatsgevonden overeenkomstig het resultaat als vermeld in de kennisgeving. Het verzoek kan niet gericht zijn tegen het resultaat van de bijwerking, dat aan de belanghebbende is medegedeeld.

7. De rechtbank stelt vast dat op de kadastrale kaart de zuidgrens ontbreekt. In de feitelijke situatie hebben eiser en de koper van zijn perceel verklaard dat wel sprake is van deze zuidgrens en dat zij deze grens ook zo hebben aangewezen. Volgens vaste jurisprudentie (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2018 (ECLI:NL:RVS:1195) lag het destijds op de weg van de belanghebbenden om na de aanwijs te controleren of de grens overeenkomstig de aanwijs was ingetekend. Vaststaat dat eiser geen bezwaar heeft gemaakt tegen deze bijwerking van de kadastrale gegevens. De gegevens zoals neergelegd in het relaas van bevindingen kunnen daarom niet meer ter discussie staan.

8. Naar het oordeel van de rechtbank kan de bedoeling van partijen bij de aanwijs in dit geval geen rol spelen. In de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2015 waar eiser naar verwijst was het duidelijk dat het relaas van bevindingen gelet op de situatie ter plaatse niet kon kloppen. In die situatie heeft de Afdeling geoordeeld dat ook de kennelijke bedoeling van partijen een rol speelt. Naar het oordeel van de rechtbank kun je de uitspraak van de Afdeling niet zo lezen dat de kennelijke bedoeling van partijen altijd moet worden meegewogen. Dit blijkt ook niet uit nadien door de Afdeling gewezen uitspraken. Naar het oordeel van de rechtbank dient juist het onaantastbaar worden van het brondocument de rechtszekerheid.

9. Een verzoek tot herstel als bedoeld in artikel 7t van de Kadasterwet is alleen mogelijk indien er sprake is van een kennelijke misslag. Van een kennelijke misslag in dit kader kan slechts sprake zijn als het in de basisregistratie kadaster opgenomen gegeven verschilt van het gegeven in het brondocument. Niet in geschil is dat de zuidelijke grens ontbreekt op de kadastrale kaart en deze ook niet is betrokken in het relaas van bevindingen. Niet betwist is dat de oostgrens wel juist is ingetekend. Er bestaat gelet op het voorgaande geen discrepantie tussen het relaas van bevindingen en de gegevens in de basisregistratie. Dat betekent dat geen sprake is van een kennelijke misslag.

10. Een ambtshalve herstel op grond van artikel 7s van de Kadasterwet zoals eiser heeft betoogd is gelet op het hiervoor overwogene niet aan de orde.

11. Voor wat betreft de stelling van eiser dat op grond van artikel 7f, tweede lid, jo. 48n, tweede lid, sub d Kadasterwet ook de kadastrale grootte van een perceel een authentiek gegeven is dat is opgenomen in de basisregistratie kadaster en dat dit hier niet is gebeurd, is in het kader van de onderhavige procedure niet aan de orde. Het verzoek van eiser ziet hier niet op.

12. De rechtbank merkt ten overvloede het volgende op. In dit geval heeft eiser gesteld dat de kennisgeving hem geen reden gaf om het relaas van bevindingen in te zien, omdat de kaart niet wordt getoond bij de kennisgeving en het aantal vierkante meters dat in de kennisgeving werd vermeld, wel correct was. Verweerder heeft dat niet weersproken. Ter zitting is de vraag aan de orde gekomen wat eiser, gelet op het hiervoor weergegeven toetsingskader nog zou kunnen ondernemen, indien zijn standpunt juist is dat toch moet worden vastgesteld dat de feitelijke situatie niet overeenstemt met de weergave in de basisregistratie kadaster. Verweerder heeft in verband met het voorgaande opgemerkt dat eiser - los van de door hem genoemde alternatieven - nog zou kunnen proberen om door middel van een grenscorrectie de feitelijke situatie in overeenstemming te brengen met de kadastrale registratie.

13. Gelet op het hiervoor overwogene heeft verweerder het verzoek op grond van artikel 7t van de Kadasterwet terecht afgewezen. Het beroep is ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Fransen, rechter, in aanwezigheid van mr. Y.F.J. Fransen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2021.

de griffier is buiten staat de rechter is verhinderd te tekenen

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.