Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:212

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-01-2021
Datum publicatie
18-01-2021
Zaaknummer
10/710062-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt de verdachte voor verkrachting, meermalen gepleegd van zijn minderjarige dochter tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 30 maanden. Er was sprake van stelselmatig seksueel misbruik, bestaande uit onder meer het binnendringen van de vagina met de vinger, vingeren en likken van de vagina. De vordering van de benadeelde partij is toegewezen tot een bedrag van € 10.000,-. Overweging met betrekking tot verjaring van de vordering van de benadeelde partij. Vrijspraak voor de periode dat de dochter jonger is dan 12 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0075
NJFS 2021/146
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/710062-19

Datum uitspraak: 11 januari 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [postcode verdachte] in [woonplaats verdachte] ,

Raadsman mr. I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Maastricht.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 15 december 2020 en 11 januari 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. van den Berg heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren met aftrek van voorarrest;

  • -

    oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende een contactverbod met aangeefster, voor de duur van 2 jaar, alsmede de dadelijke uitvoerbaarheid van die maatregel;

  • -

    de gevangenneming van de verdachte bij einduitspraak.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Feit 1

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2.

Feit 2

Standpunt officier van justitie

De aangifte wordt op een groot aantal onderdelen ondersteund door de bekennende verklaring van de verdachte. Op grond van de unus testis jurisprudentie is er voldoende wettig bewijs om alle onder feit 2 genoemde handelingen bewezen te verklaren. De eis van de dubbele bewijsmiddelen ziet immers niet op de gehele tenlastelegging. De verklaringen van familieleden bieden bovendien steunbewijs, omdat daaruit blijkt dat zij wisten dat er sprake was van seksueel misbruik.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor de onder 2 ten laste gelegde verkrachting, omdat niet kan worden bewezen dat sprake is geweest van geweld of een andere feitelijkheid zoals is vereist in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht. De aangeefster heeft verklaard dat er geen geweld is gebruikt door de verdachte. Het dwingen door één of meer feitelijkheden volgt enkel uit de verklaring van de aangeefster. De enkele verklaring van de aangeefster is onvoldoende om dwang door feitelijkheden aan te nemen. In het geval dat er al sprake is geweest van dwang, kan niet worden bewezen dat het slachtoffer daardoor is gedwongen tot het ondergaan van seksuele handelingen.

Beoordeling

[naam slachtoffer] (hierna: de aangeefster) heeft uitgebreid en gedetailleerd verklaard over de seksuele handelingen die volgens haar hebben plaatsgevonden tussen haar en haar vader, de verdachte. De seksuele handelingen waarover de aangeefster heeft verklaard, zijn onder feit 2 ten laste gelegd. Door de verdachte zijn ook meerdere verklaringen afgelegd waarin hij een deel van die seksuele handelingen heeft erkend. Deze handelingen zal de rechtbank dan ook bewezen verklaren. De verdachte heeft echter van meet af aan ten stelligste ontkend dat hij met zijn penis of met voorwerpen in de vagina of in de anus van de aangeefster is geweest. Ook heeft de verdachte ontkend dat hij is klaargekomen in de vagina van de aangeefster dat hij in de borsten van de aangeefster heeft gebeten.

De verklaringen van de aangeefster vindt de rechtbank geloofwaardig en betrouwbaar. Haar verklaringen op zichzelf vormen echter onvoldoende bewijs om de seksuele handelingen bewezen te verklaren die de verdachte heeft ontkend. Eén bewijsmiddel is in beginsel onvoldoende. De specifieke op penetratie met zijn geslacht en met voorwerpen betrekking hebbende handelingen, die de verdachte ontkent, worden niet ondersteund door overige verklaringen in het dossier. Dit geldt ook voor het bijten in de borsten. Er zijn bijvoorbeeld geen ‘disclosure’ getuigen, dat wil zeggen getuigen die (destijds) van de aangeefster hebben gehoord dat deze handelingen zijn verricht. Weliswaar waren familieleden op enig moment op de hoogte van het seksueel misbruik in het algemeen, maar zij hebben niet kunnen verklaren welke specifieke handelingen wel en niet zijn verricht. De seksuele handelingen die de verdachte consequent heeft ontkend, zijn ook van andere orde dan de handelingen die hij heeft bekend. Het voert daarom in dit geval te ver om de verklaring van de verdachte als steunbewijs te gebruiken voor het gedeelte van de verklaring van de aangeefster over de vaginale en anale penetraties met penis en voorwerpen, alsmede het bijten in de borsten. Ten aanzien van deze seksuele handelingen blijft de verklaring van de aangeefster dus op zichzelf staan en vindt deze onvoldoende bevestiging in een andere objectieve bron. De verdachte zal dan ook van die onderdelen van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

De rechtbank stelt op grond van de verklaringen van de aangeefster en de verdachte vast dat de verdachte onder meer de volgende handelingen heeft verricht bij de aangeefster. De verdachte heeft zijn vingerkootje in de vagina van de aangeefster gebracht, de verdachte heeft haar gevingerd en de verdachte heeft aan haar vagina gelikt. Daarmee staat het seksueel binnendringen van het lichaam door de verdachte van zijn toen minderjarige dochter vast.

Voor een bewezenverklaring van verkrachting moet ook worden vastgesteld dat deze seksuele handelingen onder dwang hebben plaatsgevonden, hetgeen door verdediging uitdrukkelijk wordt betwist.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat de bewezenverklaarde handelingen en feitelijkheden, binnen de context van het grote leeftijdsverschil tussen de verdachte en aangeefster, het fysieke overwicht van de verdachte als volwassen man tegenover aangeefster, de gezagsverhouding tussen de verdachte als vader van aangeefster, de vereiste dwang hebben opgeleverd tot het ondergaan van de seksuele handelingen. Er was voor de aangeefster geen mogelijkheid om zich aan de situatie die zich voordeed binnen het gezin waarvan zij deel uitmaakte te onttrekken, noch zich te verzetten tegen de kracht van de fysieke handelingen die door de verdachte bij haar werden verricht, die in dat licht dan ook als geweldshandelingen zijn aan te merken.

Conclusie

De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het verrichten van de tenlastegelegde seksuele handelingen die zien op het bijten in de borsten en de vaginale en anale penetraties met de penis en de voorwerpen. De overige seksuele handelingen acht de rechtbank wel bewezen. De rechtbank vindt ook dat de aangeefster door de verdachte is gedwongen tot deze handelingen. De verweren worden dan ook verworpen.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

2.

Hij in de periode van 1 december 1991 tot en met 31 december 1997 te Brielle, en in Frankrijk en in Noorwegen, door geweld en/of een andere feitelijkheid , een persoon genaamd [naam slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] 1978 , heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam,

namelijk het meermalen:

  • -

    duwen/brengen/houden van zijn, verdachtes, vingers in de vagina en/of

  • -

    zich laten aftrekken, en/of

  • -

    klaarkomen op het lichaam, en/of

  • -

    strelen/voelen van/aan/over het (met kleding bedekte) lichaam, en/of

  • -

    voelen aan en/of betasten van en/of wrijven over de (met kleding bedekte) borsten en/of de vagina en/of de billen, en/of

  • -

    likken van/over de vagina, en/of

  • -

    zuigen aan de borsten,

  • -

    het geweld en andere feitelijkheden hebben bestaan uit het vastpakken/vasthouden/naar zich toe trekken/tegen zich aan duwen/houden van die [naam slachtoffer] , en/of

  • -

    uit elkaar duwen/trekken van de benen van die [naam slachtoffer] , en/of

  • -

    brengen van zijn hand in de onderbroek van die [naam slachtoffer] en/of

  • -

    liggen op/tegen die [naam slachtoffer] , en/of

  • -

    toevoegen aan die [naam slachtoffer] van de woorden: "Je mag het tegen niemand zeggen" en/of "Ik zie aan je dat je het fijn vindt" althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of

  • -

    misbruik maken van het gezag dat hij als vader over die [naam slachtoffer] had, en/of

  • -

    niet stoppen met genoemde handelingen ondanks het (mondeling) verzet/verweer daartoe van die [naam slachtoffer] .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of misslagen verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

Feit 2: verkrachting, meermalen gepleegd

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zijn minderjarige dochter gedurende een periode van zes jaar stelselmatig gedwongen tot het ondergaan van seksuele handelingen, waarbij hij haar onder meer heeft gevingerd, aan de vagina heeft gelikt en met zijn vinger in haar vagina is gegaan. Naar eigen zeggen van de verdachte is het seksueel misbruik al begonnen toen zijn dochter ongeveer 8 jaar oud was.

De verdachte heeft met zijn handelen een uiterst grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer met verstrekkende, psychische gevolgen. Daar komt als ernst verzwarende factor bij dat de verdachte de vader van het slachtoffer is. Een ouder is bij uitstek de persoon op wie een kind moet kunnen vertrouwen en die bescherming en veiligheid moet bieden. Dit vertrouwen heeft de verdachte op ernstige wijze geschaad. Hij heeft misbruik gemaakt van zijn positie als ouder, de afhankelijkheidsrelatie tussen hem en het slachtoffer en het aanzienlijke leeftijdsverschil. Hij heeft het slachtoffer ook een veilig thuis ontnomen. Aanwezigheid van andere gezinsleden in huis weerhield de verdachte niet om het slachtoffer te misbruiken. De verdachte heeft zich bij zijn handelen slechts laten leiden door zijn eigen lust- en behoeftebevrediging en hij heeft zich op geen enkele wijze bekommerd om de gevoelens, de kwetsbaarheid of het psychische en fysieke welzijn van het slachtoffer. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van een ernstig seksueel delict hier nog lange tijd de negatieve gevolgen van ondervinden. Dat de gevolgen voor het slachtoffer in deze zaak buitengewoon traumatisch zijn blijkt uit de door haar ter terechtzitting mondeling voorgedragen slachtofferverklaring, waarin zij aangeeft dat zij (meer dan twintig jaar later) nog iedere dag herbelevingen heeft en daarbij volledig in paniek raakt. Zij moet er nog dagelijks mee dealen. Dit is ook in de processen-verbaal van verhoren door de politie terug te lezen en het was ook duidelijk zichtbaar tijdens de behandeling van de zaak ter terechtzitting. Het slachtoffer krijgt nog steeds psychische hulp naar aanleiding van deze gebeurtenissen.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 30 september 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Rapportages

Psycholoog dr. [naam psycholoog] heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 13 maart 2020. De deskundige constateert dat de verdachte lijdt aan een psychische stoornis in de vorm van een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke en vermijdende trekken. De rapporteur stelt dat een persoonlijkheidsstoornis veelal tot ontwikkeling komt in de late adolescentie en/of jongvolwassenheid en daarna min of meer structureel aanwezig blijft, zodat aangenomen mag worden dat de stoornis speelde ten tijde van het ten laste gelegde. De verdachte was als gevolg van de beperkingen voortvloeiend uit de vermijdende en afhankelijke trekken van de ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis, niet voldoende in staat om de seksuele problemen die hij ondervond in zijn partnerrelatie te analyseren en handelingsalternatieven te overzien. De psycholoog adviseert daarom om het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag. Met name de gevorderde leeftijd van de verdachte en het gegeven dat er geen extra familiaire slachtoffers te betreuren zijn, dragen er aan bij dat er in statistische zin sprake is van een laag risico. Er komen uit het onderzoek ook geen evidente dynamische risicofactoren naar voren. Gezien het lage recidiverisico en het feit dat de onderzochte in 2000-2003 met goed gevolg een behandeling volgde gericht op preventie van recidive in seksueel delictgedrag, wordt geen behandeling in een strafrechtelijk kader geadviseerd.

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 31 maart 2020. De reclassering sluit zich aan bij de conclusies van de psycholoog. Gezien het lage recidiverisico wordt geen behandeling geadviseerd. Verder zijn er volgens de reclassering geen zwaarwegende negatieve consequenties voor het opleggen van een gevangenisstraf.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

De rechtbank deelt op basis van de onderbouwde conclusies van de psycholoog en hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken dat de verdachte in verminderde mate toerekeningsvatbaar moet worden geacht. De rechtbank houdt daarmee rekening bij de strafoplegging.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

In het voordeel van de verdachte houdt de rechtbank rekening met het feit dat de handelingen ruim twintig jaar geleden hebben plaatsgevonden. Ook laat de rechtbank bij de strafoplegging meewegen dat de rechtbank minder (vergaande) handelingen bewezen acht dan waarvan de officier van justitie in zijn vordering is uitgegaan en dat de deskundigen geen aanleiding zien om aan de verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de gevorderde leeftijd van de verdachte.

Alles afwegend acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van de tijd die door de verdachte in voorarrest is doorgebracht passend en geboden.

De rechtbank zal in afwijking van de eis van de officier van justitie aan verdachte geen contactverbod in de vorm van een maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, opleggen. De rechtbank ziet de noodzaak hiertoe niet, mede gelet op het lage recidiverisico dat wordt aangenomen.

De rechtbank ziet anders dan de officier van justitie ook geen aanleiding om de onmiddellijke gevangenneming te gelasten. Uit de stukken is de rechtbank niet gebleken van een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid, welke de onmiddellijke vrijheidsbeneming vordert. De rechtbank zal daarom de vordering tot gevangenneming van de verdachte afwijzen.

8. Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich eerder in het geding gevoegd mevrouw [naam slachtoffer] met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 40.000 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De raadsvrouw van de benadeelde heeft de vordering toegelicht en onder meer opgemerkt dat de vordering, gelet op de invoering van de Wet Terwee, enkel ziet op de pleegperiode na 1 april 1995 en dat ook voor die periode een bedrag zoals dat is gevorderd meer dan redelijk is gelet op de grote gevolgen voor de benadeelde partij. De raadsvrouw van de benadeelde partij heeft ter terechtzitting verzocht de schadevergoedingsmaatregel ook op te leggen over een eventueel bedrag waarin de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De gevorderde schade is een rechtstreeks gevolg van de ten laste gelegde feiten. De vordering van de benadeelde partij dient volledig te worden toegewezen. Ook dient de schadevergoedingsmaatregel te worden opgelegd.

8.2.

Standpunt verdediging

Artikel 3:310, vierde lid, van het Burgerlijk wetboek (hierna: BW) luidt thans dat als de schade is veroorzaakt door een strafbaar feit de vordering pas verjaart op het moment dat de strafrechtelijke vervolging verjaart. Tot 1 april 2013 (en vanaf 1 september 1994) luidde dit artikel echter anders, namelijk dat de vordering tot schadevergoeding niet verjaart indien de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt een misdrijf oplevert als bedoeld in de artikelen 240b en 242 tot en met 250a van het Wetboek van Strafrecht en is gepleegd ten aanzien van een minderjarige. Op grond van deze regel is de vordering over de periode van 9 september 1996 tot en met 9 september 1998 verjaard, omdat de benadeelde toen niet meer minderjarig was. Artikel 73a, tweede lid, Overgangswet nieuw BW voorkomt dat de een reeds verstreken verjaringstermijn, niet herleeft door artikel 3:310, vierde lid BW. De verjaringstermijn van 30 jaren was reeds verstreken toen artikel 3:310, vierde lid BW op 1 april 2013 in werking trad.

Daarnaast dient de vordering gelet op de periode waarop de vordering thans ziet (2 april 1995 tot en met 8 september 1996) en op voorgaand standpunt aanzienlijk te worden gematigd.

8.3.

Beoordeling verjaringstermijn

Voor de beoordeling van de vordering zijn de volgende bepalingen van belang:

- artikel 3:310, vierde lid, (oud) BW, zoals dat – voor zover hier van belang – luidde tot 1 april 2013:

“ Indien de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt, een misdrijf oplevert als

bedoeld in de artikelen (…) 242 (…) van het Wetboek van Strafrecht (…) en is gepleegd ten aanzien van een minderjarige, verjaart de rechtsvordering tot

vergoeding van schade tegen de schuldige aan het misdrijf niet zolang het recht tot

strafvordering niet door verjaring is vervallen.”

- artikel 3:310, eerste en vierde lid, BW, zoals dat luidt sinds 1 april 2013:

“1. Een rechtsvordering tot vergoeding van schade (…) verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade of de opeisbaarheid van de boete als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt of de boete opeisbaar is geworden.

4. Indien de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt, een strafbaar feit oplevert waarop de Nederlandse strafwet toepasselijk is, verjaart de rechtsvordering tot vergoeding van schade tegen de persoon die het strafbaar feit heeft begaan niet zolang het recht tot strafvordering niet door verjaring of door de dood van de aansprakelijke persoon is vervallen.”

- artikel 73a Overgangswet nieuw BW:

“ 1. In afwijking van de artikelen 72 en 73 kan een bevoegdheid die de wet toekent, niet meer worden uitgeoefend, indien de daarvoor bij de wet gestelde termijn reeds op het tijdstip van haar in werking treden is verstreken en een bevoegdheid van gelijke aard onder het tevoren geldende recht niet bestond.

2. Was de termijn waarbinnen volgens het tevoren geldende recht een recht of bevoegdheid moest zijn uitgeoefend, reeds verstreken op het in lid 1 bedoelde tijdstip, dan brengt de wet die een recht of bevoegdheid van gelijke aard toekent, in het rechtsgevolg van de verjaring of het verval geen verandering.”

Op grond van zowel het oude als het nieuwe artikel 3:310, vierde lid, BW verjaart de rechtsvordering tot schadevergoeding niet zolang het recht tot strafvordering niet door verjaring is vervallen in het geval de schade is veroorzaakt door een misdrijf als bedoeld in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht en is gepleegd ten aanzien van een minderjarige. Op grond hiervan is de vordering voor zover deze ziet op de periode 1 april 1995 tot en met 8 september 1996 (het deel van de bewezenverklaarde periode tot haar 18e verjaardag) niet verjaard.

Vast staat dat de benadeelde op 9 september 1996 meerderjarig is geworden. Nu de benadeelde in de periode van 9 september 1996 tot en met 31 december 1997 (het deel van de bewezenverklaarde periode na haar 18e verjaardag) meerderjarig was, geldt de normale verjaringsregel van artikel 3:310, eerste lid, BW, volgens welke de vordering binnen vijf jaar verjaart. Immers was ten tijde van de inwerkingtreding van het nieuwe artikel 3:310, vierde lid, BW (1 april 2013) de verjaring al voltooid (vijf jaar na deze periode), met als gevolg dat de door artikel 73a Overgangswet nieuw BW voorziene uitzondering op de onmiddellijke werking van het nieuwe verjaringsregime van toepassing is. Voor zover de vordering ziet op de bewezenverklaarde periode van 9 september 1996 tot en met 31 december 1997 is deze verjaard.

Overigens heeft de benadeelde partij voor de hoogte van het bedrag geen onderscheid is gemaakt tussen verschillende perioden en vordert zij het totale bedrag ook wanneer wordt uitgegaan van een kortere periode.

8.4.

Inhoudelijke beoordeling vordering

Met de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde feit is komen vast te staan dat de verdachte onrechtmatig heeft gehandeld jegens de benadeelde partij in de periode van 1 april 1995 tot en met 8 september 1996. Ten gevolge hiervan heeft de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade geleden. Die schade zal op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden en met inachtneming van de schadevergoedingen die in vergelijkbare gevallen wordt toegekend, naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 10.000,-.

De benadeelde partij zal in het overige deel van haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Nader onderzoek naar de gegrondheid van de vordering en de omvang daarvan zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de nadere behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 8 september 1996.

Nu de vordering van de benadeelde partij (voor een wezenlijk deel) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.5.

De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank acht geen gronden aanwezig om een schadevergoedingsmaatregel op te leggen voor dat deel van de vordering dat niet-ontvankelijk is verklaard.

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 10.000,- vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel passend en geboden geacht.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 57 en 242 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 10.000,- (zegge: tienduizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 8 september 1996 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij [naam slachtoffer] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam slachtoffer] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam slachtoffer] te betalen € 10.000,- (hoofdsom, zegge: tienduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 september 1996 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 10.000 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 85 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam slachtoffer] en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.A. Franken voorzitter,

en mrs. T.M. Riemens en E.M. Rocha, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. Soeteman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 januari 2021.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

Hij in of omstreeks de periode van 01 september 1982 tot en met 8 september 1990 te Brielle, althans in Nederland en/of in Frankrijk en/of in Noorwegen, meermalen vleselijke gemeenschap heeft gehad met een meisje beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten met [naam slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] 1978, hebbende verdachte zijn penis in de vagina van die [naam slachtoffer] geduwd/gebracht;

2.

Hij in of omstreeks de periode van 1 december 1991 tot en met 9 september 1998 te Brielle, althans in Nederland en/of in Frankrijk en/of in Noorwegen, door geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, een persoon genaamd [naam slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] 1978 , heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam,

namelijk het meermalen, althans eenmaal, (telkens):

  • -

    duwen/brengen/houden van zijn, verdachtes, penis en/of vinger(s) en/of van (een) voorwerp(en) in de vagina en/of in de anus, en/of

  • -

    zich laten pijpen en/of aftrekken, en/of

  • -

    (vervolgens) klaarkomen in de vagina en/of op het lichaam, en/of

  • -

    strelen/voelen van/aan/over het (met kleding bedekte) lichaam, en/of

  • -

    voelen aan en/of betasten van en/of wrijven over de (met kleding bedekte) borsten en/of de vagina en/of de billen, en/of

  • -

    likken van/over de vagina, en/of

  • -

    zuigen aan/bijten in de borsten,

het geweld en/of een andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met geweld en/of de bedreiging met andere feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben bestaan uit het (telkens)

  • -

    (met kracht) vastpakken/vasthouden/naar zich toe trekken/tegen zich aan duwen/houden van die [naam slachtoffer] , en/of

  • -

    uit elkaar duwen/trekken van de benen en/of de armen van die [naam slachtoffer] , en/of

  • -

    brengen van zijn hand in de onderbroek van die [naam slachtoffer] en/of

  • -

    liggen op/tegen die [naam slachtoffer] , en/of

  • -

    trekken/duwen van het hoofd en/of de hand(en) van die [naam slachtoffer] naar zijn penis, en/of

  • -

    het duwen van zijn penis tegen de mond van die [naam slachtoffer] en/of

  • -

    gebruiken van voorwerp(en) bij bovengenoemde handeling(en), en/of

  • -

    toevoegen aan die [naam slachtoffer] van de woorden: "Je mag het tegen niemand zeggen" en/of "Ik zie aan je dat je het fijn vindt" en/of "Je bent een watje"en/of "Je bent dom en kunt niks", althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of

  • -

    misbruik maken van het gezag dat hij als vader over die [naam slachtoffer] had, en/of

  • -

    niet stoppen met genoemde handeling(en) ondanks het (mondeling) verzet/verweer daartoe van die [naam slachtoffer] en/of

  • -

    niet stoppen met genoemde handelingen ondanks het feit dat die [naam slachtoffer] aangaf pijn te voelen als gevolg van die handelingen.