Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:2073

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-03-2021
Datum publicatie
23-03-2021
Zaaknummer
C/10/597676 / HA ZA 20-546
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onverschuldigde betaling. Overeenkomst van opdracht. Onvoldoende gemotiveerd betwist dat een rechtsgrond voor de betalingen heeft ontbroken. Vordering tot onverschuldigde betaling grotendeels toegewezen. Wel een redelijk loon verschuldigd voor enkele werkzaamheden. Redelijk loon in goede justitie vastgesteld. Vorderingen jegens bestuurder gegrond op bestuurdersaansprakelijkheid afgewezen. Niet gesteld of gebleken dat de vennootschap geen verhaal biedt voor het in de beslissing toe te wijzen bedrag. Geen zelfstandige onrechtmatige daad van gedaagde sub 2. Vordering in reconventie afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/597676 / HA ZA 20-546

Vonnis van 10 maart 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MARIBU BEACH HOEK VAN HOLLAND B.V.,

gevestigd te Hoek van Holland,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. J.G. Plet te Spijkenisse,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam gedaagde 1] M.H.O.D.N. [handelsnaam],

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde 1],

gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,

2. [naam gedaagde 2],

wonende te [woonplaats gedaagde 2],

gedaagde in conventie,

advocaat mr. I. Correljé te Hoek van Holland.

Partijen zullen hierna Maribu Beach, [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] genoemd worden..

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 27 mei 2020, met producties;

- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties;

- de conclusie van antwoord in reconventie;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 5 januari 2021.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Maribu Beach houdt zich bezig met de exploitatie van een cafetaria.

2.2.

[naam gedaagde 1] houdt zich bezig met het verstrekken van juridisch advies, het verlenen van managementdiensten, beheer- en financieringsactiviteiten en organisatieadviesdiensten. [naam gedaagde 2] is enig aandeelhouder en bestuurder van [naam gedaagde 1].

2.3.

[naam 1] (hierna: [naam 1]) is enig aandeelhouder en bestuurder van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam bedrijf 1] (hierna: [naam bedrijf 1]). [naam 2] (hierna: [naam 2]) is enig aandeelhouder en bestuurder van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam bedrijf 2] (hierna: [naam bedrijf 2]).

2.4.

[naam 3] (hierna: [naam 3]) is enig aandeelhouder en bestuurder van [naam bedrijf 3] (hierna: [naam bedrijf 3]).

2.5.

Op of omstreeks 7 maart 2017 hebben [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] een koopovereenkomst gesloten met [naam bedrijf 3] ter verwerving van alle aandelen in Maribu Beach. [naam bedrijf 3] was tot 7 december 2017 enig aandeelhouder en bestuurder van Maribu Beach. Op 7 december 2017 zijn de aandelen in Maribu Beach bij notariële akte geleverd aan [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2]. Vanaf die datum wordt Maribu Beach geëxploiteerd door [naam 1] en [naam 2].

2.6.

In een e-mail van 12 april 2018 van [naam gedaagde 1] aan [naam 4] van Euser Opslag en Verhuur B.V. staat onder meer het volgende:

“Maribu Beach houdt jullie aansprakelijk voor de geleden schade aan de vloer en verwacht van jullie daarom een tegemoetkoming in de reparatiekosten.

De vloer is wel degelijk over de gehele lengte van de voordeur tot aan de keuken diep bekrast en beschadigd.

(…)

Graag verneem ik van jullie per omgaande alsnog een voorstel c.q. bedrag voor een redelijke tegemoetkoming in de herstelkosten. (…)”.

2.7.

In een e-mail van 25 april 2018 van [naam gedaagde 1] aan de gemeente Rotterdam (Directie Veiligheid, Horeca Vergunningen en Veiligheidsloket) staat onder meer het volgende:

“[naam 5] en [naam 6] dienen bij Maribu Beach zo spoedig mogelijk te worden toegevoegd aan de bijgevoegde Beheerdersbijlage Exploitatievergunning.

Dient daarvoor wederom gebruik te worden gemaakt van het bijgevoegde formulier Verklaring beheerder/leidinggevende?

Kunt u mij tevens aangeven welke informatie wij verder nog dienen te verstrekken en welke betaling(en) in dit kader gedaan moet(en) worden? (…)”.

2.8.

In de periode van 5 juli 2017 tot en met 22 december 2018 heeft [naam gedaagde 1] diverse facturen aan Maribu Beach gezonden van een totaalbedrag van € 51.503,48. [naam gedaagde 2] heeft het leeuwendeel van de gefactureerde bedragen vanaf de bankrekening van Maribu Beach aan [naam gedaagde 1] betaald.

2.9.

Op enig moment heeft Maribu Beach geconstateerd dat er betalingen met een totaalbedrag van € 49.873,00 vanaf haar bankrekening aan [naam gedaagde 1] zijn verricht. Maribu Beach heeft in de brieven van haar advocaat aan [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] van (onder meer) 16 januari 2019 en 10 februari 2020 aanspraak gemaakt op terugbetaling van voormeld bedrag. In de brief van 16 januari 2019 is (voor zover relevant) het volgende opgenomen:

Gebrekkige uitvoering

Voor zover er ooit opdracht is verleend aan u om werkzaamheden te verrichten is de afgelopen anderhalf jaar gebleken dat u deze niet naar behoren heeft uitgevoerd (…). Hiervan zijn tal van voorbeelden (…):

(…)

Diverse belastingaangiftes zijn te laat betaald. U gaf aan dat cliënte brieven van de Belastingdienst bij u door de brievenbus kon doen. Zij vertrouwede erop dat u de belastingzaken in orde zou maken. Dit heeft u niet, althans niet tijdig gedaan (…).”.

3. De vorderingen

in conventie

3.1.

Maribu Beach vordert om [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] hoofdelijk, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, te veroordelen tot betaling binnen twee dagen na betekening van het te wijzen vonnis van:

  1. een bedrag van € 49.873,00, althans een in goede justitie vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 24 februari 2020, en, voor zover rechtens vereist, te verklaren voor recht dat de tussen [naam gedaagde 1] en Maribu Beach gesloten overeenkomst van opdracht is vernietigd, althans die overeenkomst te vernietigen, althans te verklaren voor recht dat voornoemde overeenkomst van opdracht is ontbonden, althans te ontbinden;

  2. een bedrag van € 1.273,73 aan buitengerechtelijke kosten, althans een in goede justitie vast te stellen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag der dagvaarding;

  3. de proceskosten en de nakosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover indien betaling daarvan binnen de gestelde termijn uitblijft.

3.2.

[naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] voeren verweer, dat strekt tot afwijzing van de vorderingen van Maribu Beach.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

in reconventie

3.4.

[naam eiseres] vordert veroordeling van Maribu Beach tot betaling van een bedrag van € 1.297,73, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.5.

Maribu Beach voert verweer, dat strekt tot afwijzing van de vordering van [naam eiseres] met veroordeling in de kosten van het geding.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

De vorderingen jegens [naam gedaagde 1]

4.1.

Maribu Beach grondt haar vordering tot betaling van € 49.873,00 primair op onverschuldigde betaling (artikel 6:203 BW) althans ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW).

4.2.

Tussen partijen is in eerste plaats in geschil of er een rechtsgrond (een overeenkomst van opdracht) heeft bestaan voor de betalingen van Maribu Beach aan [naam gedaagde 1]. Op Maribu Beach rust de stelplicht en bewijslast met betrekking tot de feiten die tot de conclusie leiden dat een rechtsgrond voor de betalingen heeft ontbroken. Vast staat dat een schriftelijke overeenkomst van opdracht tussen partijen ontbreekt. Maribu Beach stelt dat het de bedoeling was om [naam gedaagde 1] alleen in geschillen over strandzaken in te schakelen en dat zij geen opdracht heeft gegeven voor het uitvoeren van andere werkzaamheden. Voorts stelt zij dat zij de facturen van [naam gedaagde 1] niet eerder heeft gezien omdat [naam gedaagde 2] deze facturen steeds zelf in de administratie heeft opgenomen en hij vervolgens zelf, zonder overleg met of instemming van Maribu Beach, voor betaling daarvan vanaf de bankrekening van Maribu Beach heeft zorggedragen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Maribu Beach daarmee aan haar stelplicht voldaan.

4.3.

Het ligt vervolgens op de weg van [naam gedaagde 1] om het ontbreken van de rechtsgrond gemotiveerd te betwisten. Daartoe dient [naam gedaagde 1] voldoende feiten en omstandigheden aan te voeren en te onderbouwen waaruit blijkt dat alle door haar verrichte werkzaamheden hun grondslag vinden in een met Maribu Beach gesloten overeenkomst van opdracht. [naam gedaagde 1] betoogt (voor zover relevant) dat zij gedurende ruim anderhalf jaar wekelijks diverse diensten heeft verleend op het gebied van juridisch en financieel toezicht, controle en liquiditeitsbewaking. Het bestaan van de overeenkomst van opdracht blijkt volgens [naam gedaagde 1] uit een door haar overgelegde e-mail die, voor zover relevant, als volgt luidt:

In 2017 gemaakte financieringsafspraken m.b.t. Koper(s) Maribu Beach:
1. Koper(s) krijgen volle ondernemersvrijheden. Zij zijn verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering van Maribu Beach maar zullen investeringen of verbintenissen die het bedrag van € 2.500 te boven gaan afstemmen met de vertegenwoordiger van verkoper [naam gedaagde 2] (hierna [naam gedaagde 2]).

2. Gedurende de looptijd van de lening aan verkoper zal [naam gedaagde 2] de financiële administratie van Maribu Beach voeren en kopers minimaal maandelijks op de hoogte houden van de resultaten.

3. (…)

4. Onderdeel van de lening van Qredits is dat [naam gedaagde 2] als begeleider/coach betrokken blijft bij de bedrijfsvoering van Maribu Beach.

5. (..)”.

Hieruit blijkt volgens [naam gedaagde 1] dat het de bedoeling was dat [naam gedaagde 1] na de overname van Maribu Beach door [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] werkzaamheden voor Maribu Beach zou verrichten. Daarnaast blijkt het bestaan van de overeenkomst van opdracht met Maribu Beach in de visie van [naam gedaagde 1] uit de onder 2.6 en 2.7 geciteerde e-mailcorrespondentie.

4.4.

De rechtbank stelt allereerst vast dat uit de onder rechtsoverwegingen 2.6, 2.7 en 2.9 geciteerde (e-mail)correspondentie blijkt dat een overeenkomst van opdracht heeft bestaan tussen partijen ten aanzien van de volgende werkzaamheden: rechtsbijstand in een geschil met een derde partij over een beschadiging van de vloer, het corresponderen met de gemeente Rotterdam over aanpassingen van de horecavergunning en het verzorgen van diverse belastingzaken. Maribu Beach heeft ter zitting desgevraagd niet betwist dat [naam gedaagde 1] de hiervoor genoemde werkzaamheden voor haar heeft uitgevoerd. Dat betekent dat voor deze werkzaamheden een rechtsgrond aanwezig is en Maribu Beach voor deze werkzaamheden loon is verschuldigd.

4.5.

Voor het overige geldt dat [naam gedaagde 1] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat een rechtsgrond voor de betalingen heeft ontbroken.

4.5.1.

Die betwistingsplicht van [naam gedaagde 1] brengt met zich mee dat zij de concrete inhoud van de (mondelinge) overeenkomst van opdracht moet stellen en dat zij (met stukken) moet onderbouwen dat de verrichte werkzaamheden daadwerkelijk behoorden tot de met Maribu Beach overeengekomen werkzaamheden. Afgezien van de onder 4.4 vermelde werkzaamheden, is [naam gedaagde 1] er niet geslaagd aan te tonen dat zij – volgens haar eigen stellingen – de opdracht had om gedurende ruim anderhalf jaar wekelijks diverse diensten te verlenen op het gebied van juridisch en financieel toezicht, controle en liquiditeitsbewaking.

4.5.2.

De verwijzing van [naam gedaagde 1] naar het onder 4.3 geciteerde e-mailbericht baat haar niet. Uit de afdruk blijkt niet wanneer de afspraken zijn opgemaakt. Ook blijkt daaruit niet dat Maribu Beach die afspraken kende of daarmee akkoord was gegaan, terwijl Maribu Beach heeft betwist dat zij destijds kennis had van de inhoud van dit e-mailbericht.

4.5.3.

Ook uit de door [naam gedaagde 1] overgelegde urenstaten is niet af te leiden dat zij het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden met Maribu Beach is overeengekomen, omdat daaruit immers niet blijkt van het verstrekken van enige opdracht door Maribu Beach. Evenmin heeft [naam gedaagde 1] onderbouwd gesteld hoe het door haar gehanteerde uurtarief is overeengekomen. Dat betekent dat de rechtbank geen rechtsgrond kan vaststellen voor het overgrote deel van de verrichte betalingen en het ervoor moet worden gehouden dat die rechtsgrond ontbreekt.

4.6.

[naam gedaagde 1] heeft aangevoerd dat Maribu Beach vanaf de eerste factuur al had moeten klagen en niet pas achteraf. [naam gedaagde 1] heeft echter geen feiten aangevoerd waaruit zou blijken dat Maribu Beach op de hoogte was van de facturen en de betaling daarvan, nu [naam gedaagde 2] dit steeds zelf heeft afgehandeld. Uit het enkele stilzitten van Maribu Beach kan daarnaast niet de conclusie worden getrokken dat zij heeft ingestemd met de betalingen aan [naam gedaagde 1]. De rechtbank verwerpt dan ook dit betoog.

4.7.

De rechtbank heeft onder 4.4 geoordeeld dat Maribu Beach voor enkele werkzaamheden een redelijk loon aan [naam gedaagde 1] is verschuldigd.

4.7.1.

De rechtbank zal de hoogte daarvan in goede justitie vaststellen nu een overeengekomen uurtarief ontbreekt en partijen geen andere aanknopingspunten naar voren hebben gebracht voor de berekening van een vergoeding voor de onder 4.4 vermelde werkzaamheden. Als uitgangspunt geldt uurtarief van € 50,00 exclusief btw. De met het uitvoeren van de werkzaamheden gemoeide tijd wordt geschat op 80 uren in totaal, zodat het redelijk loon € 4,000,00 exclusief btw bedraagt. Dit bedrag moet worden vermeerderd met 21% btw. Het redelijk loon van [naam gedaagde 1] wordt aldus vastgesteld op € 4.840,00. Voor zover Maribu Beach meer heeft betaald, is dat onverschuldigd.

4.7.2.

Uitsluitend ten aanzien van dit deel van het geschil komt de rechtbank toe aan het beroep van Maribu Beach op vernietiging en ontbinding van de overeenkomst. De rechtbank verwerpt die beroepen, omdat de stellingen van Maribu Beach vooral zien op het aangaan van een algemene overeenkomst zoals [naam gedaagde 1] die stelt voor het hele bedrag van € 49.873,00. Uit de stellingen blijkt onvoldoende dat sprake was van bedrog of misbruik van omstandigheden bij het opdragen van de werkzaamheden, omschreven in 4.4. Ook de stelling dat deze werkzaamheden onvoldoende zijn uitgevoerd is niet afdoende onderbouwd.

4.8.

Gelet op het voorgaande wordt de vordering van Maribu Beach jegens [naam gedaagde 1] toegewezen tot een bedrag van € 45.033,00 (€ 49.873,00 minus € 4.840,00).

4.9.

[naam gedaagde 1] is bij brief van 10 februari 2020 door (de advocaat van) Maribu Beach tot betaling gesommeerd. Zij is met het verstrijken van de daarin genoemde termijn, met ingang van 25 februari 2020, in verzuim is geraakt. De wettelijke rente over het onverschuldigd betaalde bedrag van € 45.033,00 wordt daarom toegewezen vanaf 25 februari 2020 tot de dag der algehele voldoening.

4.10.

Nu Maribu Beach onbetwist heeft gesteld dat zij incassowerkzaamheden heeft verricht zal ook de vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen, met dien verstande dat deze kosten – berekend over het toe te wijzen bedrag van € 45.033,00 – conform de daarvoor geldende BIK-staffel € 1.225,33 bedragen.

4.11.

Maribu Beach heeft haar vorderingen mede gegrond op ongerechtvaardigde verrijking. De toepassing van deze rechtsgrond levert geen ander resultaat op dan de voorgaande beoordeling op grond van onverschuldigde betaling, zodat verdere beoordeling daarvan achterwege blijft.

4.12.

Alle overige door partijen betrokken stellingen ten aanzien van de vorderingen jegens [naam gedaagde 1] kunnen bij een gebrek aan belang onbesproken blijven.

De vorderingen jegens [naam gedaagde 2]

4.13.

Maribu Beach grondt haar vorderingen jegens [naam gedaagde 2] op onrechtmatige daad. Maribu Beach stelt daartoe in eerste plaats dat [naam gedaagde 1] buitenproportionele bedragen aan haar heeft gefactureerd en verwijt [naam gedaagde 2] dat hij stelselmatig zonder overleg met en zonder instemming van Maribu Beach factuurbedragen aan [naam gedaagde 1] heeft overgemaakt vanaf haar bankrekening. Deze werkwijze van [naam gedaagde 2] is volgens Maribu Beach dermate onzorgvuldig en onbetamelijk dat [naam gedaagde 2] ten aanzien daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

4.14.

[naam gedaagde 2] heeft betwist dat hij onrechtmatig heeft gehandeld jegens Maribu Beach en dat hem een persoonlijk ernstig verwijt valt te maken.

4.15.

Niet in geschil is, dat [naam gedaagde 2] heeft gehandeld in zijn rol als bestuurder van [naam gedaagde 1]. Een bestuurder is aansprakelijk voor de schade van een schuldeiser van de vennootschap, indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat de vennootschap haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade (zie Hoge Raad 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758).

4.16.

De beoordeling van de aansprakelijkheid van een bestuurder komt dus pas aan de orde als duidelijk is dat de vennootschap niet in staat is om aan haar verplichtingen te voldoen. Nu Maribu Beach niets heeft gesteld over de eventuele onmogelijkheid van [naam gedaagde 1] om tot betaling van het in de beslissing toegewezen bedrag over te gaan en ook niet is gebleken dat [naam gedaagde 1] hiervoor geen verhaal biedt, zal de vordering van Maribu Beach op deze grond worden afgewezen. Immers moet zich eerst de situatie voordoen dat de toegewezen vordering van Maribu Beach onbetaald blijft en onverhaalbaar blijkt te zijn.

4.17.

Voor zover Maribu Beach heeft bedoeld te betogen dat [naam gedaagde 2] jegens haar zelfstandig (dus los van zijn bestuurderschap) aansprakelijk is op grond van onrechtmatige daad vanwege het feit dat hij zelf heeft zorggedragen voor de betalingen aan [naam gedaagde 1], geldt het volgende.

4.17.1.

[naam gedaagde 2] heeft betoogd dat het financiële beheer onderdeel was van de aan [naam gedaagde 1] opgedragen werkzaamheden en dat hij in dat kader in de periode van december 2017 tot en met augustus 2018 onder meer voor de betalingen heeft zorggedragen. Dat de rechtbank [naam gedaagde 2] niet heeft gevolgd in het standpunt dat Maribu Beach aan [naam gedaagde 1] de opdracht heeft verstrekt om (onder meer) het financiële beheer te voeren en in dat kader betalingen te verrichten, leidt niet meteen tot de conclusie dat deze handelswijze van [naam gedaagde 2] kwalificeert als een onrechtmatige gedraging. Niet gesteld of gebleken is waarom het handelen van [naam gedaagde 2] een onrechtmatige gedraging jegens Maribu Beach heeft opgeleverd en welke zorgvuldigheidsnorm [naam gedaagde 2] daarmee zou hebben geschonden.

4.17.2.

Hierbij is ook van belang dat Maribu Beach wist dat [naam gedaagde 2] een bankpas had en ook wist dat hij deze gebruikte. Maribu Beach heeft [naam gedaagde 2] om uitleg gevraagd, maar niet is gesteld of gebleken dat Maribu Beach het gebruik heeft verboden.

4.18.

Maribu Beach heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat onrechtmatig jegens haar is gehandeld doordat [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] voortdurend betrokken zijn gebleven bij de zaken van [naam 3] en deze betrokkenheid niet aan haar is medegedeeld. Dat levert volgens Maribu Beach een belangenverstrengeling en schending van een zorgvuldigheidsnorm op. De rechtbank stelt voorop dat uit de dagvaarding niet eenduidig blijkt of dit verwijt van Maribu Beach aan [naam gedaagde 2] of aan [naam gedaagde 1] is gericht. Voor zover dit verwijt is gericht aan [naam gedaagde 2], wordt dit verwijt door de rechtbank gepasseerd. Maribu Beach heeft niet gesteld welke zorgvuldigheidsnorm [naam gedaagde 2] in dat verband zou hebben geschonden gelet op het feit dat [naam gedaagde 1] in de discussie tussen partijen als opdrachtnemer moet worden aangemerkt en [naam gedaagde 2] niet.

4.19.

Maribu Beach heeft zich nog op het standpunt gesteld dat onrechtmatig jegens haar is gehandeld omdat (verkort weergegeven) werkzaamheden zijn uitgevoerd die geen nut hadden en waarvan de opdracht had moeten worden geweigerd althans had moeten worden beëindigd. Uit de dagvaarding blijkt niet eenduidig of dit verwijt van Maribu Beach is gericht aan [naam gedaagde 2] of aan [naam gedaagde 1]. Voor zover ook dit verwijt is gericht aan [naam gedaagde 2] geldt dat de rechtbank dit verwijt passeert nu niet [naam gedaagde 2], maar [naam gedaagde 1] in de discussie tussen partijen als opdrachtnemer is aan te merken.

4.20.

Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank de vorderingen van Maribu Beach jegens [naam gedaagde 2] afwijzen.

Proceskosten

4.21.

[naam gedaagde 1] zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van Maribu Beach op:

- dagvaarding € 83,38

- griffierecht € 2.042,00

- salaris advocaat € 2.228,00 (2,0 punten × tarief € 1.114)

Totaal € 4.353,38

4.22.

Omdat de vorderingen tegen [naam gedaagde 2] worden afgewezen, zal de rechtbank Maribu Beach veroordelen in zijn proceskosten. Omdat [naam gedaagde 2] dezelfde advocaat heeft als [naam gedaagde 1] en zij in essentie hetzelfde hebben betoogd, zal de rechtbank het bedrag van de door [naam gedaagde 2] tot op heden gemaakte kosten vaststellen op nihil.

4.23.

De rechtbank spreekt tevens de gevorderde veroordelingen in de nakosten en tot betaling van wettelijke rente uit, zoals omschreven in de beslissing.

in reconventie

4.24.

[naam eiseres] heeft ter onderbouwing van haar vordering gesteld dat Maribu Beach twee openstaande facturen van tezamen € 1.297,73 moet betalen. Zij heeft nagelaten expliciet te stellen op welke rechtsgrond zij haar vordering heeft gebaseerd. Voor zover de rechtbank uit het geheel van de conclusie van antwoord in conventie en conclusie van eis in reconventie moet begrijpen, dat [naam eiseres] op dezelfde overeenkomst doelt waarmee [naam eiseres] de onverschuldigdheid van de betalingen in conventie bestrijdt, wordt dit betoog verworpen onder verwijzing naar het oordeel in conventie. Voor het overige heeft [naam eiseres] niet aan haar stelplicht voldaan, hetgeen zal leiden tot afwijzing van haar vordering.

4.25.

[naam eiseres] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Maribu Beach, bestaande uit salaris advocaat, worden begroot op € 239,00 (1,0 punt × tarief € 478,00 × factor 0,5).

voorts in conventie en in reconventie

4.26.

De executeerbare veroordelingen zullen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. De vordering en het verzoek daartoe zijn gegrond op de wet en zij zijn niet bestreden.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt [naam gedaagde 1] om aan Maribu Beach te betalen een bedrag van € 45.033,00 (zegge: vijfenveertigduizend drieëndertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 25 februari 2020 tot de dag van volledige betaling;

5.2.

veroordeelt [naam gedaagde 1] om aan Maribu Beach te betalen een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van € 1.225,33, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de dag der dagvaarding tot de dag van volledige betaling;

5.3.

veroordeelt [naam gedaagde 1] in de proceskosten, aan de zijde van Maribu Beach tot op heden begroot op € 4.353,38, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.4.

veroordeelt Maribu Beach in de proceskosten aan de zijde van [naam gedaagde 2], tot op heden begroot op nihil;

5.5.

veroordeelt [naam gedaagde 1] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening;

5.6.

verklaart onderdelen 5.1, 5.2, 5.3 en 5.5 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

5.8.

wijst de vordering af;

5.9.

veroordeelt [naam eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van Maribu Beach tot op heden begroot op € 239,00;

5.10.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. J. van den Bos en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2021.

[3266/1407]