Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:2064

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-03-2021
Datum publicatie
15-03-2021
Zaaknummer
8777188
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering toegewezen. Uitleg overeenkomst. Recht op huurprijsvermindering ivm corona is verwerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8777188 \ CV EXPL 20-33450

uitspraak: 5 maart 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] ,

gevestigd te [vestigingsplaats eiseres] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

gemachtigde: mr. R.P.A. Vermeer te Amsterdam,

tegen

1. de vennootschap onder firma

[gedaagde 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde 1] ,

2. [gedaagde 2] ,

3. [gedaagde 3] ,

beiden wonende te [woonplaats gedaagde 2+3] ,

gedaagden,

eisers in reconventie,

gemachtigde: mr. V.T. Acar te Rotterdam.

Partijen worden hierna [eiseres] , [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] genoemd. Gedaagden in conventie worden tezamen [gedaagden] genoemd.

1. Het procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding met producties, van 17 september 2020;

  • -

    de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 25 november 2020 waarin een mondelinge behandeling is bepaald;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie, tevens houdende akte wijziging van eis, met producties;

  • -

    de faxbrief van [gedaagden] van 25 januari 2021, met een productie ten behoeve van de mondelinge behandeling.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 februari 2021. Namens [eiseres] zijn [naam 1] en de gemachtigde verschenen. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde, mede namens [gedaagde 1] . Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht, waarbij beide gemachtigden spreek-/pleitaantekeningen hebben overgelegd. Van hetgeen verder is besproken heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

1.3.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1.

[eiseres] en [gedaagde 1] zijn op 17 april 2018 een huurovereenkomst aangegaan, op grond waarvan [eiseres] aan [gedaagde 1] een bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW heeft verhuurd, gelegen aan de [adres] (hierna: het gehuurde), tegen een huurprijs van aanvankelijk € 40.000,- op jaarbasis. De huurovereenkomst is aangegaan voor een periode van vijf jaar, te weten van 1 juli 2018 tot en met 30 juni 2023. In het gehuurde exploiteerde [gedaagde 1] een Italiaans restaurant. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn de (enige) vennoten van [gedaagde 1] .

2.2.

De vorige huurder van de bedrijfsruimte exploiteerde daarin eveneens een restaurant. Deze huurder heeft een deel van de inventaris in het gehuurde achtergelaten. Partijen zijn in artikel 9 van de huurovereenkomst daaromtrent als volgt overeengekomen:

“9.1 In aanvulling op de huur als casco als omschreven in artikel 1 van de algemene bepalingen behoren tot het gehuurde: Het gehuurde is bij eerste verhuur door verhuurder geheel casco (kaal) opgeleverd.

9.2

In afwijking op de huur als casco als omschreven in artikel 1 van de algemene bepalingen behoren niet tot het gehuurde: de gehele inrichting inclusief installaties wordt door huurder in de huidige staat omniet overgenomen. Verhuurder is niet aansprakelijk voor o.a. de genoemde inrichtingen, afwerkingen en installaties. Reparatie, onderhoud en vervanging komen nadrukkelijk voor rekening en risico van huurder. Eventuele (gevolg)schade die hieruit voort kunnen komen zijn voor rekening van de huurder.

2.3.

[gedaagde 1] heeft, in verband met financiële problemen, aan [eiseres] verzocht om de huurovereenkomst voortijdig te beëindigen. Partijen hebben telefonisch overeenstemming bereikt over de voorwaarden waaronder dit zou gebeuren.

2.4.

[naam 2] , die namens [eiseres] de gesprekken voerde met [gedaagden] (hierna: [naam 2] ), heeft op (of kort voor) 15 juni 2020 per Whatsapp aan [gedaagde 2] een afbeelding met de volgende opsomming verzonden:

“bar met koelingen;

koelwerkbank keuken;

Fornuis/kachel;

afzuig installatie;

airco;

3 wijnkoelkasten;

winterhalter vaatwasstraat”

Op 15 juni 2020 stuurt [naam 2] verder: “Kunnen jullie de bevestiging sturen over het geen we telefonisch overeengekomen zijn. 12000,- in 12 termijnen van 1 maand. Startdatum betaling is 1/8/2020. Zodra jullie dit via mail bevestigen maken wij het nieuwe huurcontract voor jullie opvolgers. Groet [naam 2] ” Op 16 juni 2020 reageert [gedaagde 2] : Goedemorgen [naam 2] , naar welk mail adres wil je dit hebben?”

2.5.

Op 18 juni 2020 sturen [gedaagde 2] en [gedaagde 3] de volgende e-mail aan [naam 2] :

“Via deze weg bevestigen wij hetgeen wat wij telefonisch besproken hebben tussen `ons en [eiseres] vertegenwoordigt door [naam 2] betreft inzake [gedaagde 1] .

Zoals telefonisch besproken willen jullie een betaling van:

- € 12.000,- in 12 termijnen, startdatum 01/08/2020

Jullie zullen nog doorgeven op welk rekeningnummer de betaling moet plaatsvinden.”

2.6.

[eiseres] heeft daarop een ‘Vaststellingsovereenkomst inventaris [gedaagde 1] ’ opgesteld, die door [naam 1] , en op 19 juni 2020 door [gedaagde 2] en [gedaagde 3] is getekend. In deze overeenkomst is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“ [eiseres] (…) hierna te noemen ‘schuldeiser’ EN [gedaagde 1] (…) Bij deze rechtsgeldig vertegenwoordigd door en hoofdelijk aansprakelijk: [gedaagde 2] (…) en [gedaagde 3] (…) hierna te noemen ‘schuldenaar’, zijn het volgende overeengekomen:

1. Schuldeiser aan Schuldenaar de overeengekomen inventaris van [gedaagde 1] aan de [adres] verkoopt voor € 12.0000,-- exclusief omzetbelasting.

2. Schuldenaar dit in 12 maandelijkse termijnen van € 1.000,- exclusief omzetbelasting aan schuldeiser betaalt vanaf 1 augustus 2020 (…)

3. Bij het niet tijdig en/of volledig voldoen van de maandelijkse termijn (op de 1e werkdag van de maand) door schuldenaar is de vordering voor schuldeiser direct en volledig opeisbaar.”

2.7.

Bij beëindigingsovereenkomst, die op 22 juli 2020 door [gedaagde 3] en [gedaagde 2] is getekend, zijn partijen overeengekomen dat de huurovereenkomst (voortijdig) wordt beëindigd per 30 juni 2020. Partijen zijn in artikel 2 van deze overeenkomst overeengekomen:

Huurder zal uiterlijk 15 juli 2020 al haar (openstaande) verplichtingen tot en met 30 juni 2020 nakomen voortvloeiend uit de huurovereenkomst. Indien huurder in gebreke blijft, op welke wijze en om welke reden dan ook, om het gehuurde tijdig op te leveren en haar verplichtingen na te komen, is deze beëindigingsovereenkomst niet rechtsgeldig en wordt deze vernietigd.”

2.8.

Op 28 juli 2020, derhalve kort voor de eerste in de ‘vaststellingsovereenkomst inventaris’ overeengekomen betalingsdatum, heeft [gedaagde 1] bij brief te kennen gegeven dat zij niet over zal gaan tot de overeengekomen betaling. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat [eiseres] niet bevoegd is tot de verkoop van de inventaris, aangezien [gedaagde 1] reeds eigenaar van de inventaris was. Zij heeft daarom gesteld dat de overeenkomst berust op wederzijdse dwaling en heeft met oog daarop de overeenkomst vernietigd.

2.9.

Partijen hebben geen overeenkomst met elkaar bereikt ten aanzien van dit geschil. Daarop heeft [eiseres] beslag gelegd onder drie banken ten aanzien van [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] .

3. Het geschil in conventie en reconventie

3.1.

[eiseres] vordert in conventie, na wijziging van eis, (verkort weergegeven) bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat de vaststellingsovereenkomst tussen partijen niet is vernietigd, en [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van € 12.000,- aan hoofdsom, te vermeerderen met eventueel verschuldigde btw en de wettelijke handelsrente vanaf 4 augustus 2020. Voorts vordert zij een hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van € 895,- aan buitengerechtelijke incassokosten en € 2.959,46 aan (proces)kosten van de conservatoire beslagleggingsprocedure en tot betaling van de (na)kosten van de onderhavige procedure, al deze posten vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na deze uitspraak.

3.2.

Aan haar vordering legt [eiseres] (kort gezegd) het volgende ten grondslag. De bepaling in de huurovereenkomst dat [gedaagde 1] de inventaris om niet mocht overnemen stond niet op zichzelf, maar was onderdeel van een pakket afspraken uitgaande van de situatie dat [gedaagde 1] tenminste vijf jaar de bedrijfsruimte zou huren. [eiseres] wilde daarom alleen akkoord gaan met voortijdige beeindiging van de huurovereenkomst indien zij alsnog een vergoeding zou krijgen voor de door [gedaagde 1] overgenomen inventaris. Voor beide partijen was duidelijk dat de vaststellingsovereenkomst zag op het betalen van een vergoeding voor de inventaris. Van vernietiging van de overeenkomst kan daarom geen sprake zijn. [gedaagde 1] dient daarom (alsnog) de overeenkomst na te komen en alle als gevolg van deze procedure door [eiseres] gemaakte kosten te vergoeden.

3.3.

[gedaagden] betwisten de vordering van [eiseres] en voeren daartoe het volgende aan. De inventaris was reeds eigendom van [gedaagde 1] . [eiseres] was daarom niet bevoegd tot verkoop van de inventaris. [eiseres] kan dus de overeenkomst niet nakomen, zodat de vordering dient te worden afgewezen. [gedaagde 1] heeft zekerheidshalve de overeenkomst vernietigd op grond van dwaling, aangezien zij ervan uitgaat dat beide partijen in de veronderstelling verkeerden dat [eiseres] beschikkingsbevoegd was. Bij een juiste voorstelling van zaken zou [gedaagde 1] de overeenkomst met [eiseres] niet hebben gesloten. Voor zover [eiseres] hier niet over dwaalde had zij aan [gedaagde 1] moeten meedelen dat [gedaagde 1] reeds eigenaar van de inventaris was.

3.4.

In reconventie vordert [eiser 1] een huurprijsvermindering van 25% voor maart 2020 en van 50% voor april en mei 2020, met veroordeling van [verweerster] om deze bedragen binnen drie dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser 1] te voldoen, met veroordeling van [verweerster] in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met rente.

3.5.

Aan haar vordering legt [eiser 1] (kort gezegd) het volgende ten grondslag. Als gevolg van de coronamaatregelen moest [eiser 1] van 13 maart 2020 tot 1 juni 2020 haar deuren sluiten. Deze omstandigheid is aan te merken als een gebrek ex artikel 7:204 jo 208 BW en een onvoorziene omstandigheid ex artikel 6:258 BW, zodat [eiser 1] aanspraak kan maken op huurprijsvermindering.

3.6.

[verweerster] betwist de reconventionele vordering van [eiser 1] en voert daartoe het volgende aan. Partijen hebben in de beëindigingsovereenkomst overeenstemming bereikt over volledige huurbetaling tot en met juni 2020. [eiser 1] heeft daarom, en omdat zij de huur reeds heeft betaald en reeds vijf maanden zijn verstreken, haar recht op een eventuele huurkorting verwerkt. De redelijkheid en billijkheid staan bovendien aan een huurkorting met terugwerkende kracht in de weg. Ten slotte zijn de gevolgen van de coronamaatregelen door [eiser 1] niet aannemelijk gemaakt.

4. De beoordeling

in conventie

4.1.

In de kern draait het geschil in conventie om de vraag of [gedaagde 1] gehouden is de hiervoor onder 2.6 vermelde vaststellingsovereenkomst tussen partijen na te komen. De kantonrechter stelt voorop dat partijen er niet over discussiëren dat het eigendom van de inventaris bij het aangaan van de huurovereenkomst is overgedragen aan [gedaagde 1] . Dit betekent dat [eiseres] ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst niet beschikkingsbevoegd was ten aanzien van de inventaris. Indien geoordeeld wordt dat de vaststellingsovereenkomst een verkoopovereenkomst van de inventaris betreft, zoals door [gedaagden] aangevoerd, kan [eiseres] deze overeenkomst dus niet nakomen. In dat geval is [gedaagde 1] dan ook niet gehouden de overeenkomst na te komen. [eiseres] voert echter aan dat geen sprake is van een koopovereenkomst, maar van een overeenkomst tot betaling van een vergoeding voor de reeds eerder om niet overgenomen inventaris. Partijen discussiëren er dus over hoe de bepalingen van de vaststellingsovereenkomst moeten worden uitgelegd. In dat kader wordt als volgt overwogen.

Uitleg overeenkomst

4.2.

Uit vaste rechtspraak volgt dat de vraag hoe een schriftelijk contract moet worden uitgelegd niet kan worden beantwoord op grond van een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.3.

Een zuiver taalkundige uitleg van de vaststellingsovereenkomst zou leiden tot de conclusie dat sprake is van een koopovereenkomst, aangezien in de overeenkomst staat vermeld dat [eiseres] de inventaris aan [gedaagde 1] ‘verkoopt’. De kantonrechter oordeelt echter dat partijen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs hieronder hadden moeten verstaan dat het niet gaat om de verkoop van de inventaris, maar om het betalen van een vergoeding voor de reeds eerder overgedragen inventaris. De kantonrechter is met oog op de volgende omstandigheden tot deze conclusie gekomen.

4.4.

In de huurovereenkomst zijn partijen expliciet overeengekomen dat de inventaris om niet wordt overgenomen door [gedaagde 1] . De huurovereenkomst is slechts twee jaar geleden tot stand gekomen en is getekend door zowel [gedaagde 2] als [gedaagde 3] , in de uitoefening van hun bedrijf. [eiseres] heeft onbetwist gesteld dat [gedaagden] daarbij bovendien werden bijgestaan door een horecamakelaar. Hoewel [gedaagde 2] en [gedaagde 3] wellicht een beperkte juridische kennis hebben, zoals door hen aangevoerd, oordeelt de kantonrechter dat er op grond hiervan van uit mag worden gegaan dat voor hen twee jaar later (nog steeds) duidelijk was dat het eigendom van de inventaris bij hen berustte. Voor zover voor hen (niet meer) duidelijk was welke afspraken zij eerder hadden gemaakt, had het op hun weg gelegen om hier de huurovereenkomst op na te slaan.

4.5.

Daarnaast hebben [gedaagden] er ook blijk van gegeven dat zij zichzelf als eigenaar van de inventaris beschouwden. Uit de Whatsappcorrespondentie tussen [naam 2] en [gedaagde 2] volgt namelijk dat de inventaris onder meer zag op de afzuiginstallatie en wijnkoelkasten. Tijdens de mondelinge behandeling hebben [gedaagden] te kennen gegeven dat zij de afzuiginstallatie aan het begin van de huurperiode hebben vervangen voor een nieuwe installatie en dat zij de wijnkoelkasten tijdens de looptijd van de huurovereenkomst hebben verkocht.

4.6.

Verder is het feit dat een deel van de onder 2.4 opgesomde goederen niet meer aanwezig was op het moment van het aangaan van de vaststellingsovereenkomst een bevestiging dat deze overeenkomst zag op een vergoeding voor de inventaris die [gedaagden] bij het aangaan van de huurovereenkomst hebben ontvangen (en niet op een koopsom voor de inventaris bij het einde van de huurovereenkomst).

4.7.

Bovendien is van belang dat uit de correspondentie tussen partijen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst volgt dat [gedaagden] wisten dat het niet ging om verkoop van de inventaris, maar om het betalen van een vergoeding daarvoor. In de bevestiging van de getroffen regeling door [gedaagde 2] in zijn Whatsappbericht van 15 juni 2020 schrijft hij immers: “Zoals telefonisch besproken willen jullie een betaling van € 12.000,-.” [gedaagde 2] schrijft derhalve niets over de inventaris. Hiermee geeft hij er blijk van dat de regeling niet zag op de overdracht van de inventaris, maar op de betaling van een geldbedrag.

4.8.

Op grond van de voornoemde omstandigheden bij het sluiten van de huurovereenkomst, bij de uitvoering daarvan en bij het opstellen van de vaststellingsovereenkomst dient de overeenkomst redelijkerwijs zo te worden uitgelegd dat partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde 1] alsnog een bedrag van € 12.000,- aan [eiseres] zou betalen voor de inventaris. Van beschikkingsonbevoegdheid is dan ook geen sprake. In beginsel dienen [gedaagden] de vaststellingsovereenkomst daarom na te komen.

4.9.

De vraag of [eiseres] ‘erop vooruit is gegaan’ doordat de nieuwe huurder een hogere huurprijs betaalt en de huurovereenkomst een latere einddatum kent, is niet relevant. Indien [gedaagde 1] meende dat zij daarom geen vergoeding was verschuldigd aan [eiseres] dan had het immers op haar weg gelegen om niet akkoord te gaan met de vaststellingsovereenkomst.

Dwaling

4.10.

[gedaagden] hebben verder aangevoerd dat de overeenkomst is vernietigd, op grond van dwaling, door hun brief van 28 juli 2020. Zij hebben dit beroep op dwaling gebaseerd op het standpunt dat [gedaagden] hebben gedwaald over de beschikkingsbevoegdheid van [eiseres] , aangezien zij ervan uitgingen dat [eiseres] bevoegd was om de inventaris te verkopen, hetgeen bij nader inzien niet het geval was. Zoals hiervoor overwogen is echter geen sprake van een koopovereenkomst, zodat eventuele dwaling omtrent de beschikkingsbevoegdheid niet relevant is. Het beroep op dwaling wordt dan ook niet gehonoreerd.

4.11.

Op grond van het voorgaande concludeert de kantonrechter dat [gedaagde 1] gehouden is de vaststellingsovereenkomst tussen partijen na te komen. Vast staat dat [gedaagde 1] de overeenkomst niet is nagekomen, zodat de volledige hoofdsom op grond van artikel drie van die overeenkomst toewijsbaar is. Daarom wordt de vordering tot veroordeling van [gedaagde 1] tot betaling van € 12.000,- toegewezen. Op grond van artikel 18 Wetboek van Koophandel worden ook [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van dit bedrag. De gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen, aangezien gesteld noch gebleken is dat [eiseres] (na toewijzing van de gevorderde hoofdsom) hierbij belang heeft.

Handelsrente

4.12.

De vordering tot betaling van de wettelijke handelsrente over de hoofdsom is op grond van artikel 6:119a lid 1 BW in samenhang met artikel 3 van de vaststellingsovereenkomst toewijsbaar vanaf 4 augustus 2020. [gedaagden] hebben weliswaar aangevoerd dat de rente toewijsbaar is vanaf 20 augustus 2020. Zij hebben dit verweer echter niet onderbouwd, zodat hieraan voorbij wordt gegaan.

Buitengerechtelijke kosten

4.13.

De vordering tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 895,- is als onbetwist en op de wet gegrond eveneens toewijsbaar, met dien verstande dat de gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen, omdat niet is gesteld of gebleken dat [eiseres] deze kosten reeds aan haar incassogemachtigde betaald heeft.

Beslagkosten

4.14.

[eiseres] vordert verder, na wijziging van eis, € 2.959,46 aan beslagleggingskosten, namelijk € 2.303,46 aan deurwaarderskosten en € 656,- aan griffierecht. Op grond van artikel 706 Rv kan deze vordering worden toegewezen, tenzij het beslag nietig, onnodig of onrechtmatig was. De vordering is door [gedaagden] niet betwist en gebleken is dat [eiseres] de vereiste termijnen en formaliteiten van het gelegde beslag in acht heeft genomen. De vordering tot betaling van het griffierecht van € 656,- en de kosten van beslaglegging en (over)betekening vermeerderd met btw, te weten een bedrag van € 2.244,79 zijn als op de wet gegrond toewijsbaar. De informatiekosten voor het uittreksel van de Kamer van Koophandel en het raadplegen van de BRP zijn toewijsbaar tot een bedrag van respectievelijk € 5,82 en € 4,36 (inclusief btw). Voor de overige gevorderde kosten, te weten ‘KBvG registratieheffing’ en ‘doorbelasting tuchtrecht’ is geen grondslag aangevoerd. De vordering tot betaling van deze kosten wordt daarom afgewezen. Kortom, de beslagkosten worden toegewezen tot een bedrag van € 2.910,97.

Proceskosten

4.15.

Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden [gedaagden] veroordeeld in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 540,89 aan verschotten (€ 340,- aan griffierecht en € 100,89 aan dagvaardingskosten) en € 746,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten à € 373,-). De apart gevorderde nakosten zullen worden toegewezen als hierna vermeld, omdat de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de nakosten zich reeds vooraf laten begroten. De gevorderde rente over deze proceskosten zal eveneens worden toegewezen.

in reconventie

4.16.

[eisers] vorderen in reconventie, in verband met de coronamaatregelen, met terugwerkende kracht huurprijsvermindering ten aanzien van de maanden maart tot en met mei 2020.

4.17.

[verweerster] heeft onder meer aangevoerd dat [eisers] hun rechten op dit punt hebben verwerkt. Daaromtrent overweegt de kantonrechter als volgt. Uit vaste rechtspraak volgt dat om rechtsverwerking te kunnen aannemen nodig is dat de rechthebbende zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn recht of bevoegdheid. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij de wederpartij gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de rechthebbende zijn aanspraak niet meer geldend zal maken. In dat kader overweegt de kantonrechter het volgende.

4.18.

Allereerst is van belang dat vast staat dat [eisers] de huur over de maanden maart tot en mei 2020 reeds in februari tot en met mei 2020 volledig hebben betaald, zonder de wens tot huurprijsvermindering uit te spreken. [eisers] hebben daarnaast in juni 2020 met [verweerster] onderhandeld over de afwikkeling van de huurovereenkomst. Dit was naar oordeel van de kantonrechter hét moment geweest om een eventuele huurprijsvermindering ter sprake te brengen. [verweerster] heeft onbetwist aangevoerd dat [eisers] daar op dat moment echter niet over hebben gesproken. Zij hebben in de vaststellingsovereenkomst vastgelegd dat zij al hun verplichtingen voortvloeiend uit de huurovereenkomst na zouden komen. Ook nadien hebben zij geen verzoek tot huurprijsvermindering bij [verweerster] neergelegd. Pas bij conclusie van antwoord in deze procedure, derhalve ongeveer vijf tot acht maanden na het verschuldigd worden van de huur hebben [eisers] zich voor het eerst op dit standpunt gesteld.

4.19.

Door het betalen van de huurprijs, het tekenen van de beëindigingsovereenkomst en het verloop van vijf maanden, hebben [eisers] bij [verweerster] het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat zij geen aanspraak zullen maken op huurprijsvermindering. Dit handelen c.q. nalaten is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar met het vervolgens geldend maken van dit recht. Het beroep van [verweerster] op rechtsverwerking wordt daarom gehonoreerd. Dit betekent dat de reconventionele vordering van [eisers] , nog los van de cijfermatige onderbouwing hiervan, wordt afgewezen.

4.20.

Als de in het ongelijk gestelde partij worden [eiser 1] veroordeeld in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] vastgesteld op € 498,- (2 punten à € 249,-). De apart gevorderde nakosten zullen worden toegewezen als hierna vermeld, onder verwijzing naar hetgeen is overwogen onder 4.14.

5. De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk (des de een betaalt, de ander zal zijn gekweten) tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 12.000,-, te vermeerderen met eventueel verschuldigde btw, vermeerderd met de wettelijke handelsrente daarover vanaf 4 augustus 2020 tot het moment van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling aan [eiseres] van de buitengerechtelijke incassokosten van € 895,-;

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling aan [eiseres] van de kosten in verband met de conservatoire beslagleggingsprocedure ter hoogte van € 2.910,97, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten vanaf 14 dagen na dagtekening van dit vonnis;

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op € 540,89 aan verschotten en € 746,- aan salaris voor de gemachtigde, en indien [gedaagden] niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan dit vonnis hebben voldaan, begroot op € 120,- aan nasalaris. Indien daarna betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening. Ook zijn [gedaagden] de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over de proceskosten en nakosten verschuldigd vanaf de veertiende dag na respectievelijk de datum van dit vonnis en de datum van betekening tot de dag der algehele voldoening;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde;

in reconventie

wijst de vordering af;

veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] vastgesteld op € 498,- aan salaris voor de gemachtigde, en indien [eisers] niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan dit vonnis hebben voldaan, begroot op € 120,- aan nasalaris. Indien daarna betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening. Ook zijn [eisers] de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over de proceskosten en nakosten verschuldigd vanaf de veertiende dag na respectievelijk de datum van dit vonnis en de datum van betekening tot de dag der algehele voldoening;

verklaart dit vonnis, voor wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

33394