Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:2043

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-03-2021
Datum publicatie
11-03-2021
Zaaknummer
10/295813-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voorhanden hebben van 493 gram heroïne en een hoeveelheid versnijdingsmiddel. Vrijspraak medeplegen. Gevangenisstraf voor de duur van 200 dagen m.a., waarvan 98 dagen voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/295813-20

Datum uitspraak: 1 maart 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte]

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de penitentiaire

inrichting Krimpen aan den IJssel,

raadsvrouw mr. Ö. Saki, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 1 maart 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Kort gezegd wordt hem verweten dat hij heroïne en, samen met (een) andere(n), versnijdingsmiddelen voorhanden heeft gehad.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. S.B. Epozdemir heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling en de verplichting om mee te werken aan middelencontroles.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

De ten laste gelegde feiten zijn door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

Anders dan de officier van justitie heeft gerequireerd, oordeelt de rechtbank dat niet kan worden bewezen dat de verdachte de versnijdingsmiddelen op het ten laste gelegde tijdstip samen met een ander voorhanden heeft gehad. Op de telefoon van de verdachte is weliswaar beeldmateriaal aangetroffen waarop waar te nemen is dat de verdachte met een derde verdovende middelen aan het versnijden is, maar niet duidelijk is wanneer deze opnames zijn gemaakt. De verdachte wordt dus partieel vrijgesproken van het onder feit 2 ten laste gelegde medeplegen.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1
hij op 19 november 2020 te Rotterdam opzettelijk heeft vervoerd 493 gram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I

2
hij op 19 november 2020 te Rotterdam in de woning [adres delict] om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken van een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen een hoeveelhe(i)d paracetamol voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist dat dat bestemd was tot het plegen van dat feit.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

2. Om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk vervoeren van een hoeveelheid van 493 gram heroïne. Daarnaast heeft hij een versnijdingsmiddel, te weten een hoeveelheid paracetamol, voorhanden gehad die past bij het bewerken van cocaïne en/of heroïne. Hiermee heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen ten aanzien van het bewerken van cocaïne en/of heroïne. Deze verdovende middelen zijn niet alleen schadelijk voor de volksgezondheid, maar werken ook verslavend met alle gevolgen van dien voor de maatschappij. De harddrugshandel gaat bovendien gepaard met zeer gewelddadige criminaliteit die de maatschappij ontwricht en leidt regelmatig tot ernstige (gewelds)incidenten. Drugswinsten worden vergroot door het vermengen van cocaïne met dit soort versnijdingsmiddelen.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 11 februrai 2021, waaruit blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaren niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportage

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 18 februari 2021. Dit rapport houdt het volgende in.

De verdachte is veelvuldig met justitie in aanraking is gekomen, met name vanwege (verkeers)delicten gerelateerd aan zijn middelengebruik. De verdachte kent een voorgeschiedenis van instabiliteit op het gebied van huisvesting, werk, inkomen, sociaal netwerk en middelengebruik. Vermoedelijk is er bij de verdachte sprake van psychische problemen, maar die zijn nooit vastgesteld. Hoewel de verdachte zegt rond te kunnen komen, heeft hij schulden bij particulieren vanwege zijn verslaving. Negen maanden voor zijn aanhouding zou hij verslaafd zijn geraakt aan het dagelijks snuiven van heroïne. Het gezinsleven van de verdachte lijkt een beschermende factor. De verdachte heeft met zijn vrouw vier kinderen; een zoon van zeven jaar en een drieling van acht maanden. De reclassering schat het recidiverisico hoog in. Bij een veroordeling adviseert de reclassering om een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandeling en de verplichting om mee te werken aan middelencontroles.

De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

7.4.

Straf

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Nu de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Gelet op het voorgaande, de proceshouding van de verdachte en zijn gezinssituatie acht de rechtbank het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 200 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 98 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling en de verplichting om mee te werken aan middelencontroles, passend en geboden.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

9. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) dagen;

bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte, groot 98 (achtennegentig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

stelt als bijzondere voorwaarden:

  1. dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal melden bij de reclassering, Marconistraat 2 (3029 AK) te Rotterdam, op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

  2. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering nodig acht, zich diagnostisch zal laten onderzoeken en behandelen door de

Forensische verslavingszorg van Antes of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;

3. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan controles op het

gebruik van heroïne, cocaïne, MDMA en amfetamine om het middelengebruik te monitoren, zo frequent en zo lang de reclassering dat noodzakelijk acht. De reclassering kan urineonderzoek gebruiken voor de controle.

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte (afzonderlijk geminuteerd).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. L. Amperse, voorzitter,

mrs. J.L.M. Boek en F.W.H. van den Emster, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Eekhout, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 maart 2021.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1
hij op of omstreeks 19 november 2020 te Rotterdam opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 493 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2
hij in of omstreeks de maand november 2020, in ieder geval op of omstreeks 19 november 2020 te Rotterdam in de woning/het pand [adres delict] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer (gebruikers) hoeveelhe(i)d(en) heroïne en/of cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen een (grote) hoeveelhe(i)d(en) paracetamol en/of cafeïne en/of (een grote hoeveelheid) (andere) chemicaliën) en/of (productie)apparatuur geschikt voor en/of gebruikt bij het (grootschalig) produceren van heroïne en/of cocaïne, voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);