Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:2003

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-03-2021
Datum publicatie
10-03-2021
Zaaknummer
10/730084-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest voor poging tot doodslag.

De verdachte wordt in verminderde mate toerekeningsvatbaar geacht.

Geen terbeschikkingstelling met dwangverpleging omdat er voor de verdachte geen mogelijkheden zijn om in de loop van het TBS- traject geleidelijk aan te resocialiseren. Daarmee zou een opgelegde terbeschikkingstelling uitzichtloos worden.

Een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf, met als bijzondere voorwaarde opname in een FPK-kliniek behoort eveneens niet tot de mogelijkheden. Gelet op de adviezen is behandeling van de verdachte in een voorwaardelijk kader immers niet haalbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/730084-20

Datum uitspraak: 3 maart 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

niet ingeschreven in de basisregistratie personen,
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in het Centrum voor Transculturele Psychiatrie Veldzicht Vreemdelingen te Balkbrug,

raadsvrouw mr. C. Ihataren, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Het onderzoek op de terechtzitting is aangevangen op 1 september 2020 en voortgezet op achtereenvolgens 24 november 2020 en 17 februari 2021. Op laatstgenoemde terechtzitting is het onderzoek opnieuw aangevangen vanwege de gewijzigde samenstelling van de rechtbank. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op deze laatste terechtzitting.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. E.M. Loppé heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van de impliciet primair tenlastegelegde poging tot doodslag;

  • -

    oplegging aan de verdachte van de maatregel terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege en daarnaast veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, subsidiair veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest.

4. Bewijs en bewezenverklaring

Bewijsverweer verdediging

Aangevoerd is dat uit de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van de verdachte en de aard en de ernst van het letsel van aangeefster [naam slachtoffer] (hierna: de aangeefster) niet afgeleid kan worden dat hij bewust de aanmerkelijke kans op haar dood heeft aanvaard. De tenlastegelegde poging tot zware mishandeling past meer bij wat er is gebeurd.

Beoordeling bewijsverweer

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de in de tenlastelegging genoemde [naam slachtoffer] door de verdachte met het lemmet (breekmesje) van een stanleymes in de hals is gesneden. Zij heeft daardoor een ondiepe snijwond van 10 cm lang opgelopen.

Het is een feit van algemene bekendheid dat het lemmet (breekmesje) van een stanleymes zeer scherp is. De verdachte heeft hiermee een behoorlijke snee in de hals van het slachtoffer toegebracht. In de hals bevindt zich de halsslagader. Er was daarom een aanmerkelijke kans dat de verdachte door zijn handelen die halsslagader had geraakt en dat daardoor ernstige bloedingen waren ontstaan die de dood van het slachtoffer hadden kunnen veroorzaken. Dat die kans aanwezig was is bij iedereen bekend en moet ook de verdachte hebben geweten. Mede gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van de verdachte en bij gebreke van contra indicaties wordt daarom bewezen geacht dat de verdachte opzet in de zin van voorwaardelijke opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer.

De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van een poging tot doodslag.

Bewijsmotivering en bewezenverklaring

In bijlage II heeft is de inhoud van de wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het impliciet primair tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 20 mei 2020 te Vlaardingen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven te beroven met dat opzet die [naam slachtoffer] met een mes in de hals heeft gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

poging tot doodslag

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is strafbaar.

7. Motivering straf

Algemeen

De straf, die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De verdachte heeft een willekeurige vrouw, die op straat reed in een scootmobiel, met een stanleymes in haar hals gesneden. Het letsel van het slachtoffer is beperkt gebleven, maar had veel erger kunnen zijn. De verdachte heeft met dit zeer zorgelijke gedrag inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Slachtoffers van dergelijke misdrijven ondervinden vaak nog geruime tijd last van de impact daarvan. Dat dit ook in dit geval zo is geweest, blijkt uit de slachtofferverklaring waarin het slachtoffer aangeeft nog dagelijks geconfronteerd te worden met de gevolgen van het voorval.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op uittreksels uit de Nederlandse, Belgische, Duitse, Franse en Spaanse justitiële documentatie van 14 en 15 december 2020, zowel op naam van de verdachte als op naam van zijn neef [naam neef verdachte] , geboren op [geboortedatum neef] . Door de verdachte is namelijk verklaard dat hij ook onder die naam is veroordeeld. Uit de uittreksels blijkt niet dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Rapportages

Psychiater [naam psychiater] heeft rapporten over de verdachte opgemaakt, gedateerd 6 november 2020 en 5 februari 2021. Deze rapporten houden onder meer het volgende in.

Er is bij de verdachte sprake van een psychische stoornis in de vorm van een psychose in remissie, waarschijnlijk veroorzaakt en in ieder geval uitgelokt en versterkt door het gebruik van cocaïne en andere psychoactieve middelen. Verder zijn er stoornissen in het gebruik van cocaïne en andere stimulantia, opiaten en alcohol. Daarbij heeft de verdachte antisociale persoonlijkheidskenmerken dan wel een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Voor zover te beoordelen leed hij ook ten tijde van het tenlastegelegde aan bovenomschreven stoornissen en maakte hij een maniforme psychotische episode door.

De verdachte heeft verklaard zich van het tenlastegelegde niets te herinneren, waardoor het verband tussen het tenlastegelegde en de diagnosen niet konden worden onderzocht. Vastgesteld kan worden dat de verdachte na het tenlastegelegde psychotisch bleek te zijn en zich toen inadequaat expansief en agressief uitte. Niet kan worden vastgesteld of de psychose ten tijde van het tenlastegelegde (ook) werd veroorzaakt door een schizofreniespectrumstoornis of een stemmingsstoornis, dan wel (alleen) door drugsgebruik. Gelet op bovenstaande wordt afgezien van een advies over de toerekening van het tenlastegelegde aan de verdachte.

Het recidiverisico wordt op langere termijn als hoog ingeschat en de mogelijkheden om dit risico gunstig te beïnvloeden zijn uiterst beperkt. Terbeschikkingstelling (TBS) met dwangverpleging kan enerzijds de kans op terugval in middelenmisbruik en herhaling van gewelddadig gedrag ook na die maatregel beperken. Anderzijds is adequate resocialisatie vanuit een Nederlandse TBS-setting waarschijnlijk onhaalbaar, waardoor het gunstige effect van een behandeling van langere duur weer teniet zou kunnen worden gedaan.

Aangezien de verdachte na eventuele veroordeling en strafoplegging waarschijnlijk zal worden uitgezet wordt afgezien van advisering over andere interventies dan voortzetting van de psychiatrische behandeling van onderzochte in een gesloten setting, zolang hij in Nederland verblijft.

Psycholoog [naam psycholoog] heeft rapporten over de verdachte opgemaakt gedateerd 15 november 2020 en 11 februari 2021. Deze rapporten houden onder meer het volgende in.

Er is bij de verdachte sprake van een psychotische stoornis, momenteel grotendeels in remissie, ernstige stoornissen in middelengebruik (cocaïne, opiaten, cannabis, maar ook alcohol en benzodiazepines). Tevens vallen antisociale persoonlijkheidskenmerken sterk in het oog en is een antisociale persoonlijkheidsstoornis niet uit te sluiten.

Tijdens het tenlastegelegde was er in ieder geval sprake van stoornissen in het middelengebruik, alsmede van antisociale persoonlijkheidstrekken. In hoeverre de verdachte

psychotisch was ten tijde van het tenlastegelegde is onvoldoende duidelijk te krijgen.

Wat wel duidelijk wordt is dat hij direct na het tenlastegelegde psychotisch

was. Omdat de verdachte volledig geheugenverlies claimt, wordt geen advies gegeven over de mate van toerekenen van het tenlastegelegde.

De kans op recidive wordt als hoog ingeschat. De verdachte beschikt nauwelijks over beschermde factoren.

Gezien het hoog ingeschatte recidiverisico, de ernst van de pathologie, alsmede het volledige ontbreken van ziekte- en normbesef en het gebrek aan motivatie om zijn pathologie op een adequate wijze aan te pakken, kan alleen middels een TBS met verpleging vanuit overheidswege voldoende bescherming van de maatschappij bewerkstelligd worden. De resocialisatie, die een essentieel onderdeel is van de TBS-maatregel, wordt echter bemoeilijkt vanwege het feit dat de verdachte als ‘vreemdeling’ in dit land verkeert en aangeeft niet van plan te zijn om zich in Nederland te vestigen. Bovendien heeft hij en wil hij ook geen enkele binding met Nederland, waardoor resocialisatie weinig zinvol is. Daardoor is het risico groot dat de eerder verkregen resultaten van de klinische behandeling weer teniet worden gedaan.

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 19 november 2020. Dit rapport houdt onder meer het volgende in. Zowel de kans op herhaling als het risico op letselschade wordt als hoog ingeschat. De reclassering ziet gelet op de onderzoeken door de psychiater en de psycholoog geen mogelijkheid om met interventies en/of toezicht de kans op recidive te verminderen. Geadviseerd wordt om een straf -niet zijnde een werkstraf- zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.

Op de terechtzitting van 17 februari 2021 heeft psychiater [naam psychiater] het volgende verklaard. Hij heeft de verdachte kort na het tenlastegelegde gezien. Op dat moment was hij duidelijk psychotisch. Dit ziektebeeld kan ook het tenlastegelegde agressieve gedrag verklaren, indien bewezen. De psychose wordt geluxeerd door het gebruik van harddrugs. Door zijn verslaving heeft de verdachte erg weinig mogelijkheden om zich te verzetten tegen zijn verslaving. Hij heeft echter wel de keuze gemaakt (en kunnen maken) om zich te onttrekken aan behandeling en een zwervend bestaan te leiden. Psycholoog [naam psycholoog] heeft vervolgens aangegeven dat hij zich volledig kan vinden in deze analyse.

Conclusies van de rechtbank

Zowel de psycholoog als de psychiater hebben vastgesteld dat de verdachte kort na het tenlastegelegde feit psychotisch is geweest, maar dat niet vastgesteld kan worden of dat is veroorzaakt door het gebruik van verdovende middelen of door een onderliggende stoornis.

Gelet op de rapportages van de deskundigen en op hetgeen door hen op de terechtzitting is verklaard, stelt de rechtbank vast dat er bij de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde in ieder geval sprake was van een stoornis in het gebruik van middelen. Verder gaat de rechtbank ervan uit dat hij als gevolg van zijn middelengebruik in een psychose is geraakt en dat hij in die psychose het tenlastegelegde feit heeft begaan. In dat kader is voor de mate van toerekening relevant dat de verdachte zich vanwege de ernst van zijn verslaving tegen het gebruik als zodanig weliswaar niet zelfstandig kon verzetten, maar dat daartegenover staat dat hij wel ervoor heeft gekozen om zijn verslaving niet te laten behandelen en een zwervend bestaan te blijven leiden. Daarmee heeft hij het risico op de koop toegenomen dat hij aan anderen schade zou berokkenen. De rechtbank concludeert daarom dat de verdachte in verminderde mate toerekeningsvatbaar moet worden geacht.

De rechtbank is het eens met de psycholoog dat, gelet op de ernst en de aard van het bewezenverklaarde feit en het gevaar voor herhaling, alleen door middel van een terbeschikkingstelling met dwangverpleging voldoende bescherming van de maatschappij bewerkstelligd kan worden, maar dat er voor de verdachte geen mogelijkheden zijn in de loop van het TBS- traject geleidelijk aan te resocialiseren. Gelet op zijn vreemdelingenstatus zal dit immers niet mogelijk zijn in Nederland. In het geval van de verdachte is echter ook geen concreet aanknopingspunt dat de resocialisatie in een ander land kan worden uitgevoerd. Daarmee zou een opgelegde terbeschikkingstelling uitzichtloos worden. Om die reden zal de rechtbank daarvan dan ook afzien.

Gezien de ernst van het gepleegde delict en mede in aanmerking genomen de verminderde toerekenbaarheid van de verdachte wordt een gevangenisstraf van na te noemen duur nodig en onontkoombaar geacht. Een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf, met als bijzondere voorwaarde opname in een FPK-kliniek -zoals door de verdediging is bepleit- behoort niet tot de mogelijkheden. Gelet op de voornoemde adviezen is behandeling van de verdachte in een voorwaardelijk kader immers niet haalbaar. Bij het bepalen van de hoogte van de straf is acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Strafverzwarend is dat het slachtoffer een kwetsbaar iemand betrof, die bovendien geen enkele aanleiding heeft gegeven voor het steekincident. Dit alles in aanmerking nemend komt de op te leggen straf lager uit dan de eis van de officier van justitie. De door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf is te hoog.

8. Benadeelde partij/schadevergoedingsmaatregel

Vordering

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [naam slachtoffer] . De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 15,- voor geleden materiële schade (reiskosten) en een vergoeding van € 3.000,- ter zake van geleden immateriële schade. Tevens is de wettelijke rente gevorderd vanaf 20 mei 2020.

Standpunt officier van justitie

Geconcludeerd is om de vordering van de benadeelde partij [naam slachtoffer] toe te wijzen voor het gevorderde schadebedrag van € 3.015,- en daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Standpunt verdediging

Ten aanzien van het immateriële deel van de vordering kan het causale verband tussen de klachten van de benadeelde partij en het tenlastegelegde feit niet zonder meer worden vastgesteld. Voorts is verzocht bij het vaststellen van de hoogte van het schadebedrag rekening te houden met het (slechts) oppervlakkige letsel.

Beoordeling

Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De daarvoor gevorderde schadevergoeding is door de verdachte niet weersproken. Dit deel van de vordering zal daarom worden toegewezen.

Verder is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Gelet op de aard en ernst van het letsel zal de vergoeding voor die schade naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 2.000,-, zodat dit onderdeel van de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen. Het meerdere zal worden afgewezen.

De gevorderde wettelijke rente zal eveneens worden toegewezen, vanaf 20 mei 2020.

Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Om de inningsmogelijkheden voor de benadeelde partij te vergemakkelijken zal, naast de veroordeling tot betaling van het schadebedrag, tevens de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte worden opgelegd. Dit wordt passend en geboden geacht.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 .Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het impliciet primair tenlastegelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij , te betalen een bedrag van € 2.015,- (zegge: tweeduizendvijftien euro), bestaande uit € 15,- aan vergoeding voor materiële schade en € 2.000,- aan vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 20 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

wijst af wat door de benadeelde partij meer of anders is gevorderd;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam slachtoffer] te betalen € 2.015,- (zegge: tweeduizendvijftien euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 mei 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van het bedrag van

€ 2.015,- niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 30 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.K. Asscheman-Versluis, voorzitter,

en mrs. V.F. Milders en W.H.S. Duinkerke, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A. de Vrind, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 maart 2021.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 20 mei 2020 te Vlaardingen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet,

- die [naam slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de hals/nek, althans het lichaam, heeft gestoken en/of gesneden en/of geprikt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;