Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:1999

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-03-2021
Datum publicatie
10-03-2021
Zaaknummer
10/741041-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdenking van het tot ontploffing brengen van een explosief bij een woning in Rotterdam-West. Aan de officieren van justitie kan worden toegegeven dat gelet op de onderzoeksbevindingen getwijfeld kan worden aan de aannemelijkheid van de verklaring van de verdachte. Daarbij zou nog meegenomen kunnen worden dat, zoals aangevoerd, zij aanvankelijk heeft gezwegen en pas in een vergevorderd stadium van het onderzoek is gaan verklaren. Het twijfelen aan een verklaring is als zodanig echter niet voldoende om te komen tot een bewezenverklaring als voor die twijfel geen steun kan worden gevonden in ten minste enig concreet bewijsmiddel. In onderhavig geval zou dat in ieder geval moeten gaan om een bewijsmiddel waaruit zou zijn op te maken dat de verdachte bekend was met het daadwerkelijke doel van de rit naar Rotterdam met de medeverdachte. Een dergelijk bewijsmiddel ontbreekt echter. Verdachte wordt daarom vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/741041-20

Datum uitspraak: 9 maart 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Utrecht, locatie Nieuwersluis,

raadsman mr. G.N. Weski, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 8 februari 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officieren van justitie

De officieren van justitie mrs. J.B. Wooldrik en J. Boender hebben gevorderd:

  • -

    partiële vrijspraak van feit 1 ten aanzien van levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van de [adres delict] te Rotterdam;

  • -

    bewezenverklaring van het overige onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en met bijzondere voorwaarden zoals genoemd in het rapport van de reclassering van 24 juli 2020 alsmede een locatieverbod voor de [adres delict] .

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak

Standpunt officieren van justitie

Alles in onderlinge samenhang en naar uiterlijke verschijningsvorm bezien, kan het niet anders dan dat de verdachte wist dat de medeverdachte [naam medeverdachte] (hierna: [naam medeverdachte] ) een explosief ging plaatsen. Zij had als bestuurder van de auto waarmee [naam medeverdachte] naar de plaats delict is gebracht en na de ontploffing weer is opgehaald, een essentiële rol. De verklaring van de verdachte wordt zeer onaannemelijk geacht. Deze is afgelegd nadat zij het dossier heeft gelezen en de beelden heeft bekeken en lijkt daarop te zijn afgestemd.

Beoordeling

In de nacht van 17 op 18 mei 2020 heeft [naam medeverdachte] bij de woning aan de [adres delict] een explosief tot ontploffing gebracht. Ten aanzien van de verdachte kan worden vastgesteld dat zij die nacht van Amsterdam naar Rotterdam is gereden, dat zij in ieder geval op enig moment in Rotterdam de bestuurster van de auto was, dat zij drie keer met de auto door de [adres delict] is gereden, dat zij in en vlakbij die straat met de auto heeft stil gestaan, dat zij met de auto in de buurt was toen het explosief ontplofte en dat [naam medeverdachte] heel kort daarna bij haar in de auto is gestapt, waarna zij weer richting Amsterdam zijn gereden. Verder staat vast dat in een telefoon van [naam medeverdachte] slechts één contact stond, dat datzelfde nummer ook is aangetroffen in een telefoon van de verdachte en dat zij kort na de explosie een aantal keren naar dat nummer heeft gebeld. Door de verdachte is verklaard dat zij niet beter wist dan dat [naam medeverdachte] kleren ging ophalen in Rotterdam en dat zij uit verveling en omdat zij hem wel leuk vond, is meegegaan. Van zijn werkelijke bedoelingen zegt zij niets te hebben geweten. Het nummer dat zij heeft gebeld is van een vriend, over wie zij verder niets heeft willen zeggen. [naam medeverdachte] heeft bij de politie noch op zitting iets willen verklaren over de verdachte en haar eventuele rol.

De vraag is of deze feiten en omstandigheden voldoende wettig en overtuigend bewijs opleveren van verdachtes wetenschap van en dus betrokkenheid bij het door [naam medeverdachte] uitgevoerde plan om een explosief tot ontploffing te brengen. Aan de officieren van justitie kan worden toegegeven dat gelet op de hiervoor, in samengevatte vorm, weergegeven bevindingen getwijfeld kan worden aan de aannemelijkheid van de verklaring van de verdachte. Daarbij zou nog meegenomen kunnen worden dat, zoals aangevoerd, zij aanvankelijk heeft gezwegen en pas in een vergevorderd stadium van het onderzoek is gaan verklaren. Het twijfelen aan een verklaring is als zodanig echter niet voldoende om te komen tot een bewezenverklaring als voor die twijfel geen steun kan worden gevonden in ten minste enig concreet bewijsmiddel. In onderhavig geval zou dat in ieder geval moeten gaan om een bewijsmiddel waaruit zou zijn op te maken dat de verdachte bekend was met het daadwerkelijke doel van de rit naar Rotterdam. Een dergelijk bewijsmiddel ontbreekt echter. Voor zover de officieren van justitie hebben verwezen naar de volgens hen op zitting afgelegde verklaring van [naam medeverdachte] , dat hij voordat hij het explosief ging plaatsen, is teruggelopen naar de auto en, kennelijk tegen de verdachte, zou hebben gezegd dat hij het niet wilde doen, berust dat op een onjuiste interpretatie van die verklaring. Toen [naam medeverdachte] namelijk op zitting werd geconfronteerd met het in zijn zaak opgemaakte psychologisch rapport waarin staat dat hij dat aan de psycholoog zou hebben verteld, heeft hij de juistheid daarvan ontkend. Een en ander betekent dat de rechtbank verdachtes wetenschap van het door [naam medeverdachte] gepleegde strafbare feit niet met de wettelijk vereiste mate van zekerheid kan vaststellen. Zij moet daarom worden vrijgesproken van de haar verweten betrokkenheid daarbij.

5. Vordering benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd de heer [naam benadeelde] ter zake van de ten laste gelegde feiten. Hij vordert een vergoeding van materiële en immateriële schade.

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat de verdachte zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Omdat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

6. Voorlopige hechtenis

Het bevel tot voorlopige hechtenis is al bij afzonderlijke beslissing van 8 februari 2021 opgeheven.

7. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

8. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. V.F. Milders, voorzitter,

en mrs. W.H.S. Duinkerke en L.J.M. Janssen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.A. Koreneef, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 18 mei 2020 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht

in of bij een woning (gelegen aan de [adres delict] ),

terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen voor in de omgeving geparkeerde

voertuigen en/of voornoemde woning en/of nabijgelegen woningen en/of

levensgevaar en/of

gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor

de bewoners van voornoemde woning en/of de bewoners van omliggende woningen

en/of passanten,

in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een

ander te duchten was,

door opzettelijk een explosief op een raam/ruit en/of raamkozijn te bevestigen, in elk geval in

de onmiddellijke nabijheid van de gevel van voornoemde woning, te plaatsen en vervolgens deze tot ontploffing te brengen;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[naam medeverdachte] en/of één of meer (nog) onbekend gebleven personen

op of omstreeks 18 mei 2020 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk

een ontploffing teweeg heeft gebracht

in of bij een woning (gelegen aan de [adres delict] ),

terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of in de omgeving geparkeerde

voertuigen en/of voornoemde woning en/of nabijgelegen woningen en/of

levensgevaar en/of

gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor

de bewoners van voornoemde woning en/of de bewoners van omliggende woningen

en/of passanten,

in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een

ander te duchten was,

door opzettelijk een explosief op een raam/ruit en/of raamkozijn te bevestigen,

in elk geval in de onmiddellijke nabijheid van de gevel van voornoemde woning,

te plaatsen en vervolgens deze tot ontploffing te brengen;

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf zij, verdachte, op of omstreeks 18 mei 2020 te Rotterdam en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland,

opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen

en/of inlichtingen heeft verschaft, door toen aldaar opzettelijk die [naam medeverdachte]

met een auto naar de plaats van het misdrijf te vervoeren en/of vervolgens

aldaar te wachten met een auto, teneinde die voornoemde persoon na het

misdrijf te kunnen vervoeren;

art. 157 lid 1 en 2 jo. 48 SR

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht