Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:1997

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-03-2021
Datum publicatie
10-03-2021
Zaaknummer
10/811028-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdenking van het beschieten van vier panden in Rotterdam-West. Vrijspraak van de tenlastegelegde poging tot moord dan wel doodslag omdat vaststaat dat op het moment van de beschietingen niemand in de panden aanwezig was. Bewezenverklaring van bedreiging, meermaals gepleegd. Aan verdachte is de maximale gevangenisstraf van 32 maanden opgelegd. (Deels) toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, de bewoners of gebruikers van de beschoten panden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/811028-20

Datum uitspraak: 9 maart 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zaanstad,

raadsvrouw mr. P. Figge, advocaat te Amsterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 9 februari 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officieren van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officieren van justitie

De officieren van justitie mrs. J. Boender en J.B. Wooldrik hebben gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 1, 3, 5 en 7 ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 2, 4, 6 en 8 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden met aftrek van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

Vrijspraak feiten 1, 3, 5 en 7

Met de officieren van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de onder 1, 3, 5 en 7 ten laste gelegde pogingen moord dan wel doodslag niet wettig en overtuigend zijn bewezen, omdat vaststaat dat op het moment van de beschietingen niemand in de panden aanwezig was. De verdachte zal van deze feiten worden vrijgesproken.

Bewijswaardering feiten 2, 4, 6 en 8

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. De verdachte heeft geen enkele betrokkenheid bij de schietincidenten. Er is geen enkele aanwijzing dat hij in de buurt is geweest, laat staan dat hij de schutter is geweest. Hij heeft zijn telefoon niet altijd bij zich, dus daarmee staat niet vast dat hij altijd in de omgeving is geweest waar zijn telefoon heeft aangestraald. Naast die telefoonbewegingen is er geen steunbewijs. Mocht vastgesteld worden dat de verdachte toch enige betrokkenheid heeft gehad, dan staat nog niet vast dat hij heeft te gelden als medepleger.

Beoordeling

In de maand mei 2020 zijn binnen een week tijd drie woningen en een bedrijfspand in Rotterdam ’s nachts beschoten. Op de telefoons van de verdachte en de medeverdachte

zijn verschillende aanwijzingen gevonden van hun mogelijke betrokkenheid bij deze vier schietincidenten. Daarnaast is vastgesteld dat de auto van de medeverdachte telkens rond de tijdstippen van de schietincidenten in de directe nabijheid daarvan aanwezig was. Verder is uit onderzoek gebleken dat de telefoons van de verdachte en de medeverdachte in deze vier nachten dezelfde reisbeweging naar Rotterdam hebben gemaakt als die auto. Dit terwijl de telefoons in de opgevraagde periode van 26 november 2019 tot en met 26 mei 2020 verder niet tot nauwelijks in de omgeving van Rotterdam zijn geweest.

Deze op objectieve gegevens gebaseerde bevindingen in onderlinge samenhang bezien, vormen sterke aanwijzingen dat het de verdachte en de medeverdachte zijn geweest die de beschietingen hebben uitgevoerd. De verklaring van de verdachte zou hierop een ander licht kunnen werpen. Door hem is echter geen enkele concrete, verifieerbare verklaring afgelegd die daarvoor aanleiding geeft. Dit betekent dat de rechtbank zal uitgaan van de aangehaalde bevindingen. Op grond daarvan acht zij wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met de medeverdachte de vier panden heeft beschoten en daarmee de hem verweten bedreigingen in vereniging heeft gepleegd.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2, 4, 6 en 8 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

2.

hij op 7 mei 2020 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander,

de bewoners van een woning, gelegen aan de

[adres delict 1] en de bewoners van omliggende woningen heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

door meermalen, met een (semi)automatisch vuurwapen op

voornoemde woning en het portiek welke toegang geeft tot die woning te

schieten;

4.

hij op 10 mei 2020 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander,

de huurders/gebruiker(s) van een (bedrijfs)pand, gelegen aan de [adres delict 2]

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

door meermalen, met een (semi)automatisch vuurwapen op

voornoemd (bedrijfs)pand te schieten;

6.

hij op 13 mei 2020 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander,

de bewoners van een woning, gelegen aan de

[adres delict 3] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

door meermalen, met een (semi)automatisch vuurwapen op

voornoemde woning te schieten;

8.

hij op 14 mei 2020 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander,

de bewoners van een woning, gelegen aan de

[adres delict 4] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

door meermalen, met een (semi)automatisch vuurwapen op

voornoemde woning te schieten;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten 2, 4, 6 en 8 leveren op:

medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en bedreiging met zware mishandeling, meermaals gepleegd;

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte en zijn medeverdachte hebben zich schuldig gemaakt aan zeer ernstige bedreigingen door in de nacht drie woningen en een bedrijfspand te beschieten. Deze schokkende feiten lijken samen te hangen met een geripte partij cocaïne. Het betreft zeer indringende en intimiderende bedreigingen, die in potentie tot levensbedreigende situaties kunnen leiden. Er mag dan ook van geluk gesproken worden dat tijdens de beschietingen niemand in de panden aanwezig was. Er bestaat echter geen twijfel dat de bewoners zich door het handelen van de verdachte ernstig bedreigd hebben gevoeld en dat het een enorme impact heeft gehad op hun leven, zoals een aantal van hen ook op zitting duidelijk heeft gemaakt. Sommige slachtoffers durven niet meer terug te keren naar hun woning. Daarbij komt dat de beschietingen voor omwonenden eveneens een bijzonder nare en bedreigende ervaring zijn geweest. Het behoeft geen toelichting dat een beschieting van een woning de nodige schrik en gevoelens van onveiligheid in de buurt teweeg heeft gebracht. Dit alles wordt de verdachte zwaar aangerekend.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 19 januari 2021, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Verder is acht geslagen op een rapport van Reclassering Nederland van 20 maart 2020.

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst en gevolgen van de feiten, ziet de rechtbank geen aanleiding om lager te straffen dan de maximale onvoorwaardelijke gevangenisstraf die kan worden opgelegd. Het gaat immers om meerdere bedreigingen van de zwaarste categorie.

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 32 maanden, zoals gevorderd door de officieren van justitie, passend en geboden.

8. Vordering(en) benadeelde partij(en)/ schadevergoedingsmaatregel(en)

De volgende vorderingen van benadeelde partijen zijn in dit strafproces gevoegd:

- Mevrouw [naam benadeelde 1] , vertegenwoordigd door mr. R.S.J. Hoogstraaten, vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen wegens geleden immateriële schade van € 7.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd;

- Mevrouw [naam benadeelde 2] , vertegenwoordigd door mr. P.R. Hogerbrugge, vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 12.318,72, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade van € 4.818,72 bestaat uit huur € 2.679,19, energiekosten € 283,22, kosten water € 6,31 en verhuiskosten
€ 1.850,-. Voor immateriële schade wordt een bedrag van € 7.500,- gevorderd.

- De heer [naam benadeelde 3] , vertegenwoordigd door mr. P.R. Hogerbrugge, vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 7.979,90, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de huur van het bedrijfspand van € 479,90. Voor immateriële schade wordt een bedrag van € 7.500,- gevorderd.

- Mevrouw [naam benadeelde 4] , vertegenwoordigd door mr. P.R. Hogerbrugge, vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 9.897,47, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade van € 2.397,47 bestaat uit huur € 1.518,85, servicekosten € 42,62, energiekosten € 196,45, kosten water
€ 18,93, kosten KPN € 243,85, kosten kleding € 250,- en kosten reparatie € 126,77.

Voor immateriële schade wordt een bedrag van € 7.500,- gevorderd.

- De heer [naam benadeelde 5] vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 18.483,64. De gevorderde materiële schade van € 18.483,64 bestaat uit complete inboedel € 15.000,-, verschil salaris – ziektewet-uitkering € 1.315,64 en verschil huur vorige en huidige woning € 2.168,-. Voor immateriële schade wordt een niet berekend bedrag gevorderd.

Standpunt officieren van justitie

Met betrekking tot de vordering van [naam benadeelde 5] is aangevoerd dat de post die ziet op (vervanging van) de inboedel niet rechtstreeks voortvloeit uit de aan deze verdachte ten laste gelegde feiten. De overige gevorderde materiële schade is voor toewijzing vatbaar.

Met betrekking tot de vorderingen van de overige benadeelden is het standpunt ingenomen dat de schade rechtstreeks voortvloeit uit de ten laste gelegde feiten, zodat de gevorderde materiële en immateriële schade volledig dient te worden toegewezen.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft gezien de bepleite integrale vrijspraak, primair verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren omdat de vorderingen, gezien hun complexiteit, een onevenredige belasting van het strafproces opleveren dan wel deze onvoldoende zijn onderbouwd.

Beoordeling

De vordering van [naam benadeelde 1]

Vaststaat dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit 2 rechtstreeks immateriële schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. Het is zonder meer voorstelbaar dat zij zich als gevolg van het handelen van de verdachte ernstig bedreigd heeft gevoeld en daarvan de gevolgen in haar dagelijks leven nog steeds ondervindt. Gelet op de aard van deze bedreiging komt haar een aanspraak op smartengeld toe. De rechtbank zal de hoogte daarvan naar maatstaven van billijkheid bepalen op € 2.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 mei 2020. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Voor dat deel kan zij naar de burgerlijke rechter.

Omdat de vordering van de benadeelde partij (deels) zal worden toegewezen, zal de rechtbank de verdachte tevens veroordelen in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De vordering van [naam benadeelde 2]

Vaststaat dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit 2 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De gevorderde kosten van € 4.818,72 houden verband met de sluiting van de woning door de burgemeester vanwege de beschieting. De kosten zien op vaste lasten van de woning en verhuiskosten en zijn een rechtstreeks gevolg van het strafbare feit. Deze schadeposten zijn voldoende onderbouwd en komen daarom voor vergoeding in aanmerking. Verder is het zonder meer voorstelbaar dat de benadeelde partij zich als gevolg van het handelen van de verdachte ernstig bedreigd heeft gevoeld en daarvan de gevolgen in haar dagelijks leven nog steeds ondervindt. Gelet op de aard van deze bedreiging komt haar een aanspraak op smartengeld toe. De rechtbank zal de hoogte daarvan naar maatstaven van billijkheid bepalen op € 2.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 mei 2020. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Voor dat deel kan zij naar de burgerlijke rechter.

Omdat de vordering van de benadeelde partij (deels) zal worden toegewezen, zal de rechtbank de verdachte tevens veroordelen in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De vordering van [naam benadeelde 3]
Vaststaat dat dat de verdachte door de bewezenverklaarde feiten 2 en 4 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De gevorderde kosten van € 479,90 houden verband met de sluiting van het bedrijfspand door de burgemeester vanwege de beschieting. De kosten zien op doorlopende vaste huurlasten van de bedrijfsruimte en zijn een rechtstreeks gevolg van het strafbare feit. De schadepost is voldoende onderbouwd en komt daarom voor vergoeding in aanmerking. Verder is het zonder meer voorstelbaar dat de benadeelde partij zich als gevolg van het handelen van de verdachte ernstig bedreigd heeft gevoeld en daarvan de gevolgen in zijn dagelijks leven nog steeds ondervindt. Gelet op de aard van deze bedreiging komt hem een aanspraak op smartengeld toe. De rechtbank zal de hoogte daarvan naar maatstaven van billijkheid bepalen op € 2.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 mei 2020. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Voor dat deel kan hij naar de burgerlijke rechter.

Omdat de vordering van de benadeelde partij (deels) zal worden toegewezen, zal de rechtbank de verdachte tevens veroordelen in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De vordering van [naam benadeelde 4]

Vaststaat dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit 6 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De gevorderde kosten van € 2.397,47 houden verband met de sluiting van de woning door de burgemeester vanwege de beschieting. De kosten zien op vaste lasten van de woning, kosten voor kleding en reparatiekosten. Deze schadeposten, met uitzondering van de posten voor KPN à € 243,85 en kleding à €250,-, zijn voldoende onderbouwd. Een bedrag van € 1.903,62 komt daarom voor vergoeding in aanmerking. Verder is het zonder meer voorstelbaar dat de benadeelde partij zich als gevolg van het handelen van de verdachte ernstig bedreigd heeft gevoeld en daarvan de gevolgen in haar dagelijks leven nog steeds ondervindt. Gelet op de aard van deze bedreiging komt haar een aanspraak op smartengeld toe. De rechtbank zal de hoogte daarvan naar maatstaven van billijkheid bepalen op € 2.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 mei 2020. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Voor dat deel kan zij naar de burgerlijke rechter.

Omdat de vordering van de benadeelde partij (deels) zal worden toegewezen, zal de rechtbank de verdachte tevens veroordelen in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De vordering van [naam benadeelde 5]

Voor wat betreft de kosten voor het vervangen van de inboedel kan het causaal verband tussen die gestelde schade en het bewezenverklaarde strafbare feit niet worden vastgesteld. De overige gevorderde kosten die zien op het verlies van inkomen en het verschil tussen de eerdere en de huidige huurlasten acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Een en ander betekent dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering, voor zover deze ziet op de materiele schade. Voor dat deel kan hij naar de burgerlijke rechter.

Wel staat vast dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit 8 rechtstreeks immateriële schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. Het is namelijk zonder meer voorstelbaar dat hij zich als gevolg van het handelen van de verdachte ernstig bedreigd heeft gevoeld en daarvan de gevolgen in zijn dagelijks leven nog steeds ondervindt. Gelet op de aard van deze bedreiging komt hem een aanspraak op smartengeld toe. De rechtbank zal de hoogte daarvan naar maatstaven van billijkheid bepalen op € 2.000,-.

Omdat de vordering van de benadeelde partij (deels) zal worden toegewezen, zal de rechtbank de verdachte tevens veroordelen in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Hoofdelijkheid

Omdat de verdachte de bewezenverklaarde feiten samen met de medeverdachte heeft gepleegd, zijn zij ieder hoofdelijk aansprakelijk voor voldoening van de schadevergoedingen die aan ieder van de benadeelde partijen worden toegekend.

De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, omdat de verdachte jegens alle benadeelde partijen aansprakelijk is voor de schade die aan hen is toegebracht. Oplegging van de schadevergoedingsmaatregel wordt daarom passend en geboden geacht.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op artikelen 36f, 47, 57, 285 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 .Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1, 3, 5, 7 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 2, 4, 6 en 8 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 (tweeëndertig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


veroordeelt verdachte hoofdelijk met diens mededader, zo dat als de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] te betalen een bedrag van € 2000,- (zegge: tweeduizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 7 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] te betalen € 2.000,- (hoofdsom, zegge: tweeduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 mei 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 2.000,- niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 30 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

veroordeelt verdachte hoofdelijk met diens mededader, zo dat als de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] te betalen een bedrag van € 6.818,72 (zegge: zesduizend achthonderdachttien euro en tweeënzeventig cent), bestaande uit materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 7 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] te betalen € 6.818,72 (hoofdsom, zegge: zesduizend achthonderdachttien euro en tweeënzeventig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 mei 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 6.818,72 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 69 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

veroordeelt verdachte hoofdelijk met diens mededader, zo dat als de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 3] te betalen een bedrag van € 2.479,90 (zegge: tweeduizend vierhonderdnegenenzeventig euro en negentig cent), bestaande uit materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 7 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 3] te betalen € 2.479,90 (hoofdsom, zegge: tweeduizend vierhonderdnegenenzeventig euro en negentig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 mei 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 2.479,90 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 34 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

veroordeelt verdachte hoofdelijk met diens mededader, zo dat als de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 4] te betalen een bedrag van € 3.903,62 (zegge: drieduizend negenhonderddrie euro en tweeënzestig cent), bestaande uit materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 13 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 4] te betalen € 3.903,62 (hoofdsom, zegge: drieduizend negenhonderddrie euro en tweeënzestig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 mei 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 3.903,62 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 49 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

veroordeelt verdachte hoofdelijk met diens mededader, zo dat als de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 5] te betalen een bedrag van € 2000,- (zegge: tweeduizend euro), bestaande uit immateriële schade;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 5] te betalen € 2.000,- (hoofdsom, zegge: tweeduizend euro); bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 2.000,- niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 30 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verklaart de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vorderingen;

bepaalt dat dit deel van de vorderingen slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt verdachte in de proceskosten, door de benadeelde partijen gemaakt en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. V.F. Milders, voorzitter,

en mrs. W.H.S. Duinkerke en L.J.M. Janssen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.A. Koreneef, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 7 mei 2020 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader

voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen,

opzettelijk

en al dan niet met voorbedachten rade

de bewoners/eigenaren van een pand/woning gelegen aan de

[adres delict 1] en/of de bewoners van omliggende woningen,

van het leven te beroven,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader opzettelijk en na kalm

beraad en rustig overleg,

meermalen, althans eenmaal, met een (semi)(automatisch) vuurwapen op

voornoemde woning en/of het portiek welke toegang geeft tot die woning

geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 7 mei 2020 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

de bewoners/eigenaren van een woning, gelegen aan de

[adres delict 1] en/of de bewoners van omliggende woningen heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

door meermalen, althans eenmaal, met een (semi)(automatisch) vuurwapen op

voornoemde woning en/of het portiek welke toegang geeft tot die woning te

schieten;

(SR 285 jo. 47)

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 10 mei 2020 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader

voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen,

opzettelijk

en al dan niet met voorbedachten rade

de bewoners/huurders/eigenaren van een (bedrijfs)pand/woning gelegen aan de

[adres delict 2] en/of de bewoners van omliggende woningen,

van het leven te beroven,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader opzettelijk en na kalm

beraad en rustig overleg,

meermalen, althans eenmaal, met een (semi)(automatisch) vuurwapen op

voornoemd(e) (bedrijfs)pand/woning geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(SR 289/287 jo. 45 en 47)

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 10 mei 2020 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

de bewoners/huurders/eigenaren/gebruiker(s) van een (bedrijfs)pand/woning, gelegen aan de [adres delict 2] en/of de bewoners van omliggende woningen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

door meermalen, althans eenmaal, met een (semi)(automatisch) vuurwapen op

voornoemd(e) (bedrijfs)pand/woning te schieten;

(SR 285 jo. 47)

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 13 mei 2020 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader

voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen,

opzettelijk

en al dan niet met voorbedachten rade

de bewoners/eigenaren van een pand/woning gelegen aan de

[adres delict 3] en/of de bewoners van omliggende woningen,

van het leven te beroven,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader opzettelijk en na kalm

beraad en rustig overleg,

meermalen, althans eenmaal, met een (semi)(automatisch) vuurwapen op

voornoemde woning geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(SR 289/287 jo. 45 en 47)

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

6.

hij op of omstreeks 13 mei 2020 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

de bewoners/eigenaren van een woning, gelegen aan de

[adres delict 3] en/of de bewoners van omliggende woningen heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

door meermalen, althans eenmaal, met een (semi)(automatisch) vuurwapen op

voornoemde woning te schieten;

(SR 285 jo. 47)

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

7.

hij op of omstreeks 14 mei 2020 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader

voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen,

opzettelijk

en al dan niet met voorbedachten rade

de bewoners/eigenaren van een pand/woning gelegen aan de

[adres delict 4] en/of de bewoners van omliggende woningen,

van het leven te beroven,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader opzettelijk en na kalm

beraad en rustig overleg,

meermalen, althans eenmaal, met een (semi)(automatisch) vuurwapen op

voornoemde woning geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(SR 289/287 jo. 45 en 47)

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

8.

hij op of omstreeks 14 mei 2020 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

de bewoners/eigenaren van een woning, gelegen aan de

[adres delict 4] en/of de bewoners van omliggende woningen heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

door meermalen, althans eenmaal, met een (semi)(automatisch) vuurwapen op

voornoemde woning te schieten;

(SR 285 jo. 47)

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht