Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:1962

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-02-2021
Datum publicatie
15-03-2021
Zaaknummer
C/10/597198 / HA ZA 20-517
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Fiscale dienstverlening door EY. Vordering wegens onbetaalde factuur met betrekking tot werkzaamheden die buiten de vaste prijsafspraken vallen. EY heeft ten aanzien van een aantal, volgens haar buiten de vaste prijsafspraken vallende en afzonderlijk in rekening gebrachte, werkzaamheden geen overleg gezocht met gedaagden, terwijl zij hiertoe al was gehouden op grond van de overeenkomst bij een calamiteit. Ook heeft EY geen feiten gesteld waaruit volgt dat gedaagden ermee bekend waren of hadden moeten zijn dat EY dergelijke omvangrijke werkzaamheden verrichtte en dat EY de daarmee verband houdende kosten afzonderlijk in rekening wilde brengen. Dit deel van de vordering wordt dan ook afgewezen. Ten aanzien van de overige afzonderlijk in rekening gebrachte werkzaamheden is de rechtbank van oordeel dat EY aan gedaagden duidelijk heeft medegedeeld dat aanvullende werkzaamheden nodig waren. Voor gedaagden had ook duidelijk moeten zijn dat daarmee extra kosten gemoeid waren. Nu gedaagden echter de noodzaak van de werkzaamheden van een dergelijke omvang hebben betwist, zal de rechtbank EY in de gelegenheid stellen nader te onderbouwen dat zij bij gedaagden € 36.070,- en € 25.996,- exclusief kantoorkosten en btw in rekening mocht brengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 16-03-2021
FutD 2021-0948
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/597198 / HA ZA 20-517

Vonnis van 24 februari 2021

in de zaak van

de rechtspersoon naar het recht van het Verenigd Koninkrijk

ERNST & YOUNG BELASTINGADVISEURS LLP,

gevestigd te Londen, mede kantoorhoudende te Rotterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. F. Penders te Amsterdam,

tegen

1. [naam bedrijf A] ,

gevestigd te [plaats A] ,

gedaagde in conventie,

2. [persoon B] ,

wonende te [woonplaats B] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

3. [persoon C],

wonende te [plaats C] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. M. Huizingh te Enschede.

Eiseres in conventie wordt hierna EY genoemd. Gedaagde 1 in conventie wordt hierna [naam bedrijf A] genoemd. Gedaagde 2 in conventie wordt hierna [persoon B] genoemd. Gedaagden 2 en 3 in conventie worden hierna samen [persoon B en C] genoemd. Gedaagden in conventie worden hierna gezamenlijk [persoon B en C] c.s. genoemd.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 21 april 2020, met producties 1 t/m 12;

  • -

    de brief van 7 juli 2020 van EY, met een urenregistratie;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende eis in reconventie, met producties 1 t/m 16;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie, met producties 13 t/m 15;

  • -

    de akte overlegging producties van [persoon B en C] c.s., met producties 17 t/m 24;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 7 december 2020;

  • -

    de spreekaantekeningen van mr. Penders;

  • -

    de spreekaantekeningen van mr. Huizingh, met productie 25;

  • -

    de berichten van partijen voor de rol van 23 december 2020, inhoudend dat partijen geen regeling hebben bereikt, dat EY zich bij akte wil uitlaten over productie 25 van [persoon B en C] c.s. en dat [persoon B en C] c.s. zich daartegen verzetten en vonnis vragen;

  • -

    het bericht van de rechtbank aan partijen, waarbij het verzoek van EY is afgewezen en vonnis is bepaald.

2. De feiten

2.1.

EY is een internationaal opererend bedrijf, onder meer actief op het gebied van accountancy, belastingadvies en bedrijfsadvies .

2.2.

[naam bedrijf A] houdt zich onder meer bezig met de ontwikkeling, werving, (sub)licentiering en verkoop van intellectuele eigendomsrechten. Enig aandeelhouder en bestuurder van [naam bedrijf A] is [persoon D] , [......] .

2.3.

In 2017 hebben [persoon B en C] c.s. EY ingeschakeld voor het verrichten van fiscale diensten.

2.4.

Daartoe heeft (onder meer) [naam bedrijf A] op 25 januari 2017 een Engagement agreement ondertekend met EY. Als bijlage bij de Engagement agreement is een Statement of Work gevoegd, waarin de reikwijdte van de dienstverlening van EY is beschreven.

2.5.

[persoon B en C] hebben op 8 februari 2017 een Engagement agreement met EY ondertekend. In het bijgevoegde Statement of Work (hierna: de overeenkomst) is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“1 Reikwijdte van onze dienstverlening

Wij zullen de volgende diensten op het gebied van Tax Compliance verlenen (hierna te noemen: de Diensten).

A Aangiften [land A] , [land B] en [land C]

1. [land A] (vanaf belastingjaar 2015):

Opstellen aangifte inkomstenbelasting: afzonderlijke opgaven voor arbeidsinkomen, kinderen, buitenlands inkomen, persoonlijke aftrekposten, winst uit onderneming, aftrekposten voor werkzaamheden in en rondom de eigen woning, reclame-inkomsten.

Opstellen aangifte gemeentelijke ondernemingsbelasting ([........]).

Opstellen opgaaf inkomsten uit vermogen (mits er bruikbare fiscale opgaven van de [buitenlandse] banken beschikbaar zijn).

2. [land B] (vanaf belastingjaar 2015):

Jaarlijks opstellen van de aangiften inkomstenbelasting en bijbehorende bijlagen voor [persoon B] en [persoon C] .

3. [land C] (vanaf belastingjaar 2016):

Opstellen aangifte per eigenaar voor het vastgoed in [plaats D] .

Opstellen aangifte per eigenaar voor de vakantiewoning in [plaats E] .

Opstellen aangifte vermogensbelasting (wealth tax) per object ( [plaats D] en [plaats E] ).

(…)

B Fiscale adviesdiensten

Op verzoek zullen wij de volgende fiscale adviesdiensten leveren:

Routinematige fiscale advisering en ondersteuning bij onderwerpen, door u verzocht.

Ondersteuning door het beantwoorden van eenmalige, op zichzelf staande fiscale vragen.

Begeleiding bij algemene transactievraagstukken.

Ondersteuning bij onderhandelingen en besprekingen met de Belastingdienst.

Regelmatige updates over (voor u relevante) wijzigingen in de fiscale wetgeving.

Specifieke werkzaamheden die tot de Services moeten worden gerekend zijn onder andere:

deelname aan meetings en calls met u en/of de Belastingdienst (of andere derde partijen);

beoordeling van transactie gerelateerde documenten;

onderzoek en analyse van fiscaal technische vraagstukken;

opstellen fiscaal technische memoranda, brieven, e-mails en andere schriftelijke documentatie.

C “On call" fiscale advieswerkzaamheden

Van tijd tot tijd kan het voorkomen dat u extra diensten naast de hierboven vermelde diensten wenst of ons opdracht geeft advies te verstrekken over andere dan de hierboven genoemde fiscale aangelegenheden. Doorgaans stellen wij voor een afzonderlijke Statement of Work op te stellen voor ieder substantieel adviesproject dat buiten de hierboven gedefinieerde reikwijdte van onze diensten valt. De onderhavige Statement of Work is van toepassing op alle fiscale advieswerkzaamheden waarvoor geen afzonderlijke Statement of Work wordt opgesteld.

Voor dergelijke aanvullende adviesdiensten zal u een honorarium in rekening worden gebracht naast het honorarium zoals dat in deze Statement of Work genoemd wordt. Dit honorarium zal afzonderlijk met u worden overeengekomen dan wel worden berekend op basis van onze standaard uurtarieven.

Wat overeengekomen wordt over deze aanvullende diensten, zal enkel worden beëindigd door u of ons in overeenstemming met wat bepaald is in de algemene voorwaarden.

(…)

4. Honorarium, vergoedingen en factureringsafspraken

A Berekening honorarium

Zoals overeengekomen, bent u ons het volgende honorarium verschuldigd voor de hierboven onder IA beschreven Diensten:

1. [land A] :

een bedrag van € 6.000 per aangifte voor het opstellen van de aangifte inkomstenbelasting en de afzonderlijke opgaven (behalve opgaaf winst uit onderneming);

een bedrag van € 2.000 per jaar voor het opstellen van de opgaaf inkomsten uit vermogen;

een bedrag van € 2.000 per jaar voor het opstellen van de opgaaf winst uit onderneming en de aangifte gemeentelijke ondernemingsbelasting (…)

2. [land B] : een bedrag van € 1.000 per jaar voor het opstellen van de aangiften inkomstenbelasting voor [persoon B] en [persoon C] .

3. [land C] : een bedrag van € 3.500 per jaar voor het opstellen van de vereiste aangiften in [land C] ten aanzien van het vastgoed in [plaats D] en [plaats E] .

Deze bedragen zijn gebaseerd op de vooronderstelling dat de voor de aangiften benodigde gegevens volledig, geordend en overzichtelijk worden aangeleverd. Indien wij tijdens de looptijd van deze Overeenkomst vaststellen dat aanvullende werkzaamheden nodig zijn, hetzij vanwege een verzoek daartoe uwerzijds hetzij vanwege gebleken toenemende complexiteit van het project, zullen wij onverwijld contact met u opnemen om eventuele aanpassingen in de reikwijdte van de opdracht of ons honorarium met u te bespreken.

Conform afspraak stellen wij voor onze diensten als bedoeld onder 1B en 1C gedurende 2017 een eenmalig forfaitair bedrag van € 5.000 voor. Dit bedrag ziet op aanvullende dienstverlening ten aanzien van [naam bedrijf A] en/of [persoon B] in privé. Voor het geval zich in de loop van 2017 onverhoopt calamiteiten voordoen, wordt in overleg getreden met de familie. Eind 2017 zal er een evaluatiegesprek plaatsvinden.

Het honorarium verschuldigd voor diensten die niet in het vaste honorarium zijn opgenomen, is gebaseerd op het aantal en de senioriteit van de in te zetten partners en medewerkers, het vereiste vaardigheids- en verantwoordelijkheidsniveau, de voor de uitvoering van de opdracht benodigde middelen en de voor de betreffende medewerkers geldende uurtarieven variërend van € 125 tot € 425.

Het bedrag van ons honorarium wordt verhoogd met een opslag van 2% voor kantoorkosten.

(…)”

2.6.

In een e-mailbericht van 7 februari 2018 schrijft [persoon E] van EY aan (onder meer) de adviseur van [persoon B en C] het volgende:

“(…)

Zoals gisteren telefonisch besproken hierbij samengevat het plan van aanpak ten aanzien van de correcties voor de [land A] inkomstenbelasting voor [persoon B] en [persoon C] .

De correcties zien op de onvolledig gebleken [land A] aangiften inkomstenbelasting 2014 en 2015 (zo zijn onder meer de rentebaten bij de [naam bank 1] niet opgegeven).

Te nemen stappen:

  1. Alle bankrekeningen volledig en naadloos in kaart brengen. Daarbij gaat het mogelijk ook om reeds verstreken tijdvakken (voor zover nog niet verjaard).

  2. Opstellen van een brief aan [Belastingdienst land A] omtrent de juiste heffingsgrondslagen. Deze brief wordt zowel aan de aanslagregelende ambtenaar als aan de controleur gestuurd. De brief is een verzoek tot wijziging van de aanslag. Formeel moet de brief voldoen aan de fiscaal-strafrechtelijke vereisten (volledigheid correctie, toelichting, fiscale beoordeling etc.) voor een vrijwillige verbetering.

  3. De brief wordt van tevoren door [persoon B] en [persoon C] gereviewd en geaccordeerd en pas na goedkeuring verzonden.

  4. Na verzending van de brief zal het [Belastingdienst land A] , met name de controleur, telefonisch worden ingelicht.

  5. Het streven is om de correctie als “finding’ in het kader van het lopende boekenonderzoek te laten verwerken.

  6. Mocht het [Belastingdienst land A] de zaak echter aan de [land A] FIOD overdragen, dan leidt het feit dat de brief voldoet aan de vereisten voor een vrijwillige verbetering in de regel tot vermindering van de strafmaat.

Wij zijn op dit moment druk bezig met de analyse van de bankrekeningen (punt 1) en streven ernaar om de brief (punt 2) binnen 1-2 weken in concept klaar te hebben.

(…)”

2.7.

EY heeft aan [persoon B en C] in totaal vier facturen gestuurd, te weten op 24 mei 2017 (ter hoogte van € 1.210,00), 13 juni 2017 (ter hoogte van € 12.342,00) en twee facturen op 2 maart 2018 (ter hoogte van € 4.319,70 en € 133.953,05). [persoon B en C] hebben de facturen uit 2017 en de eerste factuur van 2 maart 2018 voldaan.

2.8.

De tweede factuur van 2 maart 2018 bedraagt € 133.953,05 (inclusief 2% kantoorkosten en 21% btw) en heeft betrekking op werkzaamheden van EY in de periode van 8 februari 2017 tot en met 22 februari 2018 (hierna ook: de factuur). De bijgevoegde specificatie vermeldt de volgende werkzaamheden:

“- Fiscale advisering en begeleiding: reparatiewerkzaamheden ten aanzien van advisering [naam belastingadviseursbedrijf] (…)

- Boekenonderzoek [land A] fiscus over de jaren 2011 tot en met 2015 (…)

- Fiscale advisering en begeleiding ter zake van inkomsten uit vermogen in de [land A] aangifte inkomstenbelasting 2014 en 2015. Overzichten maken van de rekeningnummers die worden aangehouden bij [naam bank 1] , [naam bank 2] , [naam bank 3] , [naam bank 4] en [naam bank 5] . Uitgebreide analyse maken en controleren van geldstromen met betrekking tot rekeningnummers [naam bank 1] . Opstellen brief aan de [land A] fiscus voor vrijwillige verbetering (nog niet afgerond). (…).

  • -

    Controle aanslagen inkomstenbelasting 2015 en gemeentelijke ondernemingsbelasting 2015 [land A] .

  • -

    Forfaitair bedrag voor overige werkzaamheden, waaronder verzoek ambtshalve vermindering [land B] aanslagen inkomstenbelasting 2012, 2013 en 2014 van [persoon B] , [land B] werkzaamheden met betrekking tot de aangiften in [land C] en aangifte inkomstenbelasting [land A] 2016 (coördinatie), analyseren nota’s van [naam belastingadviseursbedrijf] , vraag [persoon B] met betrekking tot [omschrijving] voor afscheid etc. (…)”

Voor deze werkzaamheden heeft EY exclusief kantoorkosten en btw in rekening gebracht:
- reparatiewerkzaamheden [naam belastingadviseursbedrijf] € 40.389

  • -

    boekenonderzoek [land A] € 25.996

  • -

    aangiften inkomstenbelasting [land A] 2014 en 2015 € 36.070

  • -

    controle aanslagen [land A] 2015 € 1.080

  • -

    forfaitair bedrag € 5.000

2.9.

Namens [persoon B en C] c.s. heeft mr. [persoon F] op 27 juli 2018 een brief gestuurd naar EY. In die brief staat onder meer dat [persoon B en C] c.s. een gedeelte van de factuur zullen voldoen. [persoon B en C] hebben vervolgens een bedrag van € 56.354,57 aan EY voldaan.

2.10.

Op 28 februari 2019 heeft [naam bedrijf] . [persoon B en C] namens EY aangemaand tot betaling van het nog openstaande bedrag van (€133.953,05 min € 56.354,57 is) € 77.598,48 (exclusief kosten).

2.11.

De advocaat van [persoon B en C] heeft EY bij brief van 8 september 2020 verzocht tot (terug)betaling van een bedrag van € 42.754,17 in verband met onverschuldigde betaling.

3. Het geschil

in conventie

3.1.

EY vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

“I. gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan eisers tegen behoorlijk bewijs van kwijting van € 77.599,48 (…), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat het verzuim is ingetreden althans vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

II. gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan eiseres tegen behoorlijk bewijs van kwijting van de buitengerechtelijke (incasso)kosten van € 1.550,99 (…) conform de staffel ‘BIK’ d.d. 1 juli 2012, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

III. gedaagden hoofdelijk te veroordelen om een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

IV. gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan eiseres van de proceskosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten conform het liquidatietarief, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.”

3.2.

EY legt aan haar vorderingen ten grondslag nakoming van de betalingsverbintenissen van [persoon B en C] c.s. uit de overeenkomsten met EY. De werkzaamheden die EY heeft gefactureerd maar door [persoon B en C] niet zijn betaald, vallen volgens EY niet onder de vaste prijsafspraken met [persoon B en C] , zodat zij haar werkzaamheden conform de overeenkomst op basis van de geldende uurtarieven mocht declareren.

3.3.

De conclusie van [persoon B en C] c.s. strekt tot afwijzing van de vorderingen van EY, met veroordeling van EY, uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten en de nakosten.

3.4.

[persoon B en C] c.s. hebben aan hun betwisting van de vorderingen van EY het volgende ten grondslag gelegd. De vordering van EY is gebaseerd op de overeenkomst tussen EY en [persoon B en C] ; [naam bedrijf A] is daar geen partij bij. Ten aanzien van [persoon B en C] was de afspraak met EY dat zij niets anders in rekening zou brengen dan de vaste prijzen en het forfaitaire bedrag zoals genoemd in de overeenkomst. EY mocht alleen in geval van calamiteiten én met voorafgaande instemming van [persoon B en C] aanvullende kosten in rekening brengen. Aan die afspraak heeft EY zich niet gehouden. Los daarvan menen [persoon B en C] dat de door EY uitgevoerde werkzaamheden vallen binnen de gemaakte prijsafspraken.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.6.

[persoon B en C] vorderen om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

“I. [EY] te veroordelen tot (terug)betaling aan [ [persoon B en C] ] van een bedrag van € 42.754,17 (…), te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 18 september 2020, tot aan de dag der algehele voldoening, zulks binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis,

II. [EY] te veroordelen in de kosten van de procedure in reconventie, te vermeerderen met nakosten conform het liquidatietarief.”

3.7.

Aan hun vorderingen hebben [persoon B en C] ten grondslag gelegd dat EY op grond van de overeenkomst in totaal maximaal € 31.472,10 mocht declareren. Nu [persoon B en C] in verband met de vier facturen in totaal € 74.226,27 aan EY hebben betaald, is een bedrag van € 42.754,17 te veel betaald. EY dient het laatstgenoemde bedrag aan [persoon B en C] terug te betalen, nu sprake is van onverschuldigde betaling.

3.8.

EY concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [persoon B en C] , met veroordeling van [persoon B en C] , voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.9.

EY betwist dat sprake is van onverschuldigde betaling. EY heeft de werkzaamheden gefactureerd op grond van de tussen partijen geldende overeenkomst. Bovendien hebben [persoon B en C] in eerdere correspondentie erkend dat zij wat zij aan EY hebben betaald ook aan EY verschuldigd waren.

3.10.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

de vorderingen tegen [naam bedrijf A]

4.1.

[persoon B en C] c.s. hebben terecht aangevoerd dat [naam bedrijf A] geen partij is bij de overeenkomst waarvan EY nakoming vordert. Gelet hierop zullen de tegen [naam bedrijf A] ingestelde vorderingen worden afgewezen.

kern van de vorderingen tegen [persoon B en C]

4.2.

Het geschil over de factuur heeft betrekking op de werkzaamheden van EY met betrekking tot (i) herstelwerkzaamheden in verband met het advieswerk van [naam belastingadviseursbedrijf] , (ii) het corrigeren van de aangiften inkomstenbelasting [land A] 2014 en 2015 en (iii) het boekenonderzoek in [land A] . EY heeft primair gesteld dat deze werkzaamheden niet vallen onder de gemaakte prijsafspraken en dat zij de werkzaamheden daarom afzonderlijk mocht factureren. EY heeft subsidiair gesteld dat deze werkzaamheden voortvloeien uit calamiteiten. [persoon B en C] betwisten deze stellingen.

(i) werkzaamheden met betrekking tot advieswerk [naam belastingadviseursbedrijf]

4.3.

Tussen partijen staat, ook nu EY dit ter zitting heeft bevestigd, vast dat het beoordelen van het (advies)werk van [naam belastingadviseursbedrijf] door EY valt onder fiscale adviesdiensten als bedoeld in categorie 1B van de overeenkomst, waarvoor partijen een forfaitair bedrag van € 5.000,- zijn overeengekomen. Deze werkzaamheden kunnen dus niet apart door EY in rekening worden gebracht.

4.4.

Tussen partijen is in geschil of de volgens EY noodzakelijke werkzaamheden om de door haar gestelde gebreken in de advisering van [naam belastingadviseursbedrijf] te herstellen afzonderlijk in rekening mogen worden gebracht.

In dit kader is van belang dat paragraaf 4A van de overeenkomst, na het vermelden van de onder 4.3 bedoelde prijsafspraak, voorschrijft dat in overleg wordt getreden met [persoon B en C] wanneer zich in de loop van 2017 onverhoopt calamiteiten voordoen.

4.5.

EY heeft ter zitting onbetwist gesteld, zodat dit vaststaat, dat het maken van prijsafspraken over deze herstelwerkzaamheden niet mogelijk was, omdat vooraf niet kon worden voorspeld of deze werkzaamheden nodig zouden zijn en zo ja, wat de omvang daarvan zou zijn. Daaruit volgt echter nog niet dat de betreffende werkzaamheden afzonderlijk in rekening mochten worden gebracht. Gesteld noch gebleken is dat EY, voordat zij aan de herstelwerkzaamheden begon, overleg heeft gezocht met [persoon B en C] . Hiertoe was EY op grond van de overeenkomst al gehouden bij een calamiteit en te meer nu zij extra werkzaamheden wilde gaan verrichten en in rekening brengen waarvan zij niet gemotiveerd heeft gesteld dat die verband houden met een calamiteit. (De rechtbank begrijpt uit wat partijen hebben aangevoerd dat zij onder een calamiteit in de zin van de overeenkomst verstaan: een ernstige en onverwachte gebeurtenis die tot gevolg heeft dat EY werkzaamheden voor [persoon B en C] moet verrichten die niet onder de gemaakte vaste prijsafspraken vallen.) In dit verband is van belang dat [persoon B en C] meermaals, zo hebben zij onweersproken aangevoerd, zodat dit vaststaat, aan EY duidelijk hebben gemaakt dat zij vaste prijzen wilden afspreken en niet later voor verrassingen wilden komen te staan. Hier komt nog bij dat in de overeenkomst is opgenomen dat EY doorgaans een afzonderlijk Statement of Work opstelt voor een substantieel project dat buiten de in de overeenkomst gedefinieerde reikwijdte van haar diensten valt. Ook dat is niet gebeurd. EY heeft een jaar nadat zij de samenwerking met [persoon B en C] was aangegaan een factuur gestuurd waarin voor deze werkzaamheden € 40.389,- (exclusief kantoorkosten en btw) in rekening is gebracht, terwijl het overeengekomen forfaitaire totaalbedrag voor alle fiscale advieswerkzaamheden € 5.000,- bedroeg. Op dat moment was het voor [persoon B en C] niet meer mogelijk om af te zien van de herstelwerkzaamheden of deze eventueel door een derde te laten verrichten. De rechtbank acht in dit kader ten slotte van belang dat EY geen feiten heeft gesteld waaruit volgt dat [persoon B en C] ermee bekend waren of hadden moeten zijn dat EY omvangrijke herstelwerkzaamheden verrichtte en dat EY de daarmee verband houdende kosten afzonderlijk in rekening wilde brengen, laat staan dat [persoon B en C] daarmee stilzwijgend akkoord zouden zijn gegaan.

4.6.

Tegenover de gemotiveerde betwisting van dit onderdeel van de factuur door [persoon B en C] heeft EY haar stellingen onvoldoende nader onderbouwd. Evenmin heeft zij bijzondere omstandigheden gesteld op grond waarvan [persoon B en C] desondanks gehouden zouden zijn (een deel van) het bedrag van € 40.389,- te betalen. De vordering van EY zal in zoverre dan ook worden afgewezen.

(ii) aangiften inkomstenbelasting [land A] 2014 en 2015

4.7.

Nadat de [land A] aangifte inkomstenbelasting van [persoon B en C] over 2015 was ingediend, is gebleken dat (onder meer) de rentebaten van een spaarbankrekening van [persoon B en C] bij de [naam bank 1] Bank (hierna: de [naam bank 1] -rekening) niet waren opgegeven. Tussen partijen staat vast dat het in verband hiermee noodzakelijk was om de aangiften inkomstenbelasting in [land A] over 2014 en 2015 te corrigeren.

4.8.

Voor de beantwoording van de vraag of [persoon B en C] de door EY uitgevoerde correctiewerkzaamheden dient te betalen, is het volgende van belang.

In paragraaf 4A van de overeenkomst is opgenomen dat het honorarium is gebaseerd op de vooronderstelling dat de voor de aangiften benodigde gegevens volledig, geordend en overzichtelijk worden aangeleverd door [persoon B en C] . Vaststaat dat [persoon B en C] zijn vergeten de [naam bank 1] -rekening te vermelden bij het invullen van de door EY aan hen voorgelegde vragenlijst. De rechtbank volgt [persoon B en C] niet in hun stelling dat het bestaan van deze rekening voor EY duidelijk had moeten zijn toen zij de aangifte over 2015 opstelde. Dat [persoon B en C] rond de datum van het doen van de aangifte 2015 aan een medewerker van EY die zich niet met die aangifte bezig hield informatie hebben verstrekt waaruit het bestaan van deze rekening volgde, is hiertoe onvoldoende. Evenmin hebben [persoon B en C] voldoende concreet onderbouwd dat EY het bestaan van een niet opgegeven rekening had moeten afleiden uit de omstandigheid dat er ‘een opvallend verschil in saldo’ zou zijn.

4.9.

EY stelt zich terecht op het standpunt dat het corrigeren van de onjuiste belastingaangiften moet worden aangemerkt als een calamiteit, alleen al omdat het doen van een onjuiste aangifte inkomstenbelasting in [land A] strafbaar is. Gelet op 2.6 heeft EY [persoon B en C] duidelijk meegedeeld welke (extra) werkzaamheden volgens haar in dit verband verricht moesten worden. Weliswaar is in dit mailbericht niet vermeld welke kosten hieraan verbonden zouden zijn, maar [persoon B en C] had redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat deze extra werkzaamheden niet onder de vaste prijsafspraken zouden vallen. Deze afspraken zagen immers niet op belastingjaar 2014 – de aangiften over dat jaar zijn niet door EY opgesteld – en wat betreft belastingjaar 2015 was de prijsafspraak gebaseerd op de voorwaarde dat [persoon B en C] alle benodigde informatie overzichtelijk zouden aanleveren, wat zij gelet op het voorgaande niet hebben gedaan.

4.10.

EY heeft gesteld dat de herstelaangiften zorgvuldige voorbereiding behoefden, mede met het oog op de waarschuwing die [persoon B en C] eerder hadden gekregen van de [land A] belastingdienst (hierna: het [Belastingdienst land A] ) wegens een (andere) onvolledige belastingaangifte. Dit is door [persoon B en C] niet gemotiveerd betwist, zodat dit vaststaat. Hieruit volgt echter nog niet dat het noodzakelijk was om herstelwerkzaamheden te verrichten voor een totaalbedrag van € 36.070,- (exclusief kantoorkosten en btw). [persoon B en C] hebben de noodzaak van werkzaamheden van deze omvang betwist, onder meer door erop te wijzen dat het overeengekomen basistarief voor een aangifte inkomstenbelasting [land A] € 6.000,- is en door te stellen dat zij deze kwestie op eenvoudige wijze zonder hulp van EY hebben opgelost met de [land A] autoriteiten. Gelet op deze gemotiveerde betwisting door [persoon B en C] van de redelijkheid van de in rekening gebrachte kosten ligt het op de weg van EY om aan te tonen dat zij als gevolg van het niet opgeven van de [naam bank 1] -rekening noodzakelijke extra werkzaamheden heeft verricht die rechtvaardigen dat zij € 36.070,- bij [persoon B en C] in rekening heeft gebracht.

4.11.

De rechtbank zal EY in de gelegenheid stellen nader te onderbouwen dat zij bij [persoon B en C] € 36.070,- (exclusief kantoorkosten en btw) in rekening mocht brengen in verband met het corrigeren van de aangiften inkomstenbelasting [land A] 2014 en 2015.

(iii) boekenonderzoek

4.12.

Het [Belastingdienst land A] is in 2017 een boekenonderzoek gestart, waarbij een aantal in [land A] gedane aangiften van [persoon B en C] zou worden gecontroleerd. EY heeft primair gesteld dat de werkzaamheden die zij daartoe heeft verricht voortvloeien uit aangiftewerk en dat het gaat om onvoorziene werkzaamheden onder categorie 1A van de overeenkomst. Deze door [persoon B en C] betwiste stelling kan niet slagen, reeds omdat categorie 1A uitsluitend ziet op het doen van aangiften (en eventueel daarmee direct verband houdende werkzaamheden). De omstandigheid dat een boekenonderzoek betrekking heeft op aangiften, is onvoldoende om aan te nemen dat de werkzaamheden in dat kader onder categorie 1A vallen. De rechtbank is van oordeel dat deze werkzaamheden in beginsel vallen onder categorie 1B of 1C van de overeenkomst, waarvoor partijen een forfaitair bedrag van € 5.000,- zijn overeengekomen.

4.13.

Een boekenonderzoek is op zichzelf geen calamiteit. EY heeft ter zitting bevestigd dat een boekenonderzoek in [land A] een standaardprocedure is bij belastingplichtigen met een bepaald vermogen. EY heeft niet onderbouwd gesteld dat de werkzaamheden voor een doorsnee boekenonderzoek zo omvangrijk zijn dat die niet binnen de vaste prijsafspraak konden vallen en dat dit voor [persoon B en C] duidelijk had moeten zijn. Het enkele feit dat, zoals EY heeft gesteld, ten tijde van het aangaan van de overeenkomst nog niet bekend was dat een boekenonderzoek zou volgen, is hiervoor onvoldoende. Indien een boekenonderzoek als zodanig erg bewerkelijk was en het volgens EY gerechtvaardigd was om in verband hiermee meerkosten bij [persoon B en C] in rekening te brengen, dan lag het op de weg van EY om daarvoor een apart Statement of Work op te stellen of daarover contact op te nemen met [persoon B en C] . Dat is niet gebeurd, althans niet bij aanvang van het boekenonderzoek.

4.14.

EY heeft subsidiair gesteld dat het boekenonderzoek in dit specifieke geval moet worden aangemerkt als een calamiteit. Hoewel een boekenonderzoek op zichzelf geen calamiteit is, begrijpt de rechtbank dat EY subsidiair betoogt dat het boekenonderzoek vanwege de ontbrekende bankrekening in de aangiften inkomstenbelasting 2014 en 2015 een calamiteit werd of op zijn minst meer werk met zich bracht. In dit kader heeft EY gemotiveerd gesteld dat het boekenonderzoek in combinatie met het vergeten op te geven van de [naam bank 1] -rekening een serieuze zaak was, zeker nu [persoon B en C] in het verleden door de [land A] autoriteiten waren gewaarschuwd wegens een onvolledige aangifte. Dit betoog is door [persoon B en C] onvoldoende gemotiveerd weersproken.

EY heeft in februari 2018 een plan van aanpak met betrekking tot de correctie van de aangiften inkomstenbelasting opgesteld en naar de adviseur van [persoon B en C] gestuurd (zie 2.6). Uit dat plan volgt dat de kwestie van de vergeten bankrekening ook gevolgen kon hebben voor het boekenonderzoek. Weliswaar is niet vermeld welke extra kosten hieraan verbonden zouden zijn, maar [persoon B en C] had redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat deze extra werkzaamheden niet onder de vaste prijsafspraken zouden vallen.

4.15.

Uit het voorgaande volgt echter nog niet dat het noodzakelijk was om als gevolg van de vergeten bankrekening in het kader van het boekenonderzoek extra werkzaamheden te verrichten voor een totaalbedrag van € 25.996,- (exclusief kantoorkosten en btw). [persoon B en C] hebben de noodzaak van werkzaamheden van deze omvang betwist, onder meer door te stellen dat zij deze kwestie op eenvoudige wijze zonder hulp van EY hebben opgelost met de [land A] autoriteiten. Gelet op deze betwisting van de redelijkheid van de in rekening gebrachte kosten door [persoon B en C] ligt het op de weg van EY om aan te tonen dat zij als gevolg van het niet opgeven van de [naam bank 1] -rekening in het kader van het boekenonderzoek noodzakelijke extra werkzaamheden heeft verricht die rechtvaardigen dat zij € 25.996,- bij [persoon B en C] in rekening heeft gebracht.

4.16.

De rechtbank zal EY in de gelegenheid stellen nader te onderbouwen dat zij bij [persoon B en C] € 25.996,- (exclusief kantoorkosten en btw) in rekening mocht brengen in verband met noodzakelijke extra werkzaamheden in het kader van het boekenonderzoek als gevolg van de vergeten bankrekening.

in conventie en in reconventie

4.17.

De rechtbank zal in conventie iedere verdere beslissing aanhouden. Nu de vordering in reconventie nauw samenhangt met de vordering in conventie zal de rechtbank in reconventie iedere beslissing aanhouden.

4.18.

Het staat partijen uiteraard vrij om naar aanleiding van dit tussenvonnis opnieuw met elkaar te overleggen over een minnelijke regeling. Desgewenst kunnen zij de rechtbank in verband daarmee vragen of de in 5.1 bedoelde akte later mag worden genomen.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

verwijst de zaak naar de rol van 24 maart 2021 voor het nemen van een akte door EY waarin zij nader onderbouwt welke noodzakelijke extra werkzaamheden zij heeft verricht als gevolg van het niet betrekken van de [naam bank 1] -rekening bij de aangiften inkomstenbelasting [land A] 2014 en 2015 en dat deze werkzaamheden rechtvaardigen dat zij bij [persoon B en C] , bovenop de overeengekomen vaste prijzen,
A) € 36.070,- (exclusief kantoorkosten en btw) in rekening heeft gebracht in verband met het corrigeren van de aangiften inkomstenbelasting [land A] 2014 en 2015 en

B) € 25.996,- (exclusief kantoorkosten en btw) in rekening heeft gebracht in verband met het boekenonderzoek in [land A] ;

5.2.

bepaalt dat de zaak vier weken na het nemen van de akte door EY weer op de rol komt voor het nemen van een antwoordakte door [persoon B en C] ;

in conventie en in reconventie

5.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. B. van Velzen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. Y. Doğanyiğit, griffier, en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. C. Bouwman, rolrechter, op 24 februari 2021.

3085/3194/2294