Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:1933

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-03-2021
Datum publicatie
09-03-2021
Zaaknummer
10/741050-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdstrafrecht. Poging tot zware mishandeling door het gooien van vuurwerk richting politieagenten. 60 dagen jeugddetentie, waarvan 48 dagen voorwaardelijk. 40 uren leerstraf. Verminderd toerekeningsvatbaar. Toewijzing vorderingen benadeelde partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Jeugd

Parketnummer: 10/741050-20

Datum uitspraak: 4 maart 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] ,

raadsvrouw mr. M.P. Biesbroek, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 18 februari 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. C.J. Kroon heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 80 dagen, met aftrek
    van het voorarrest, waarvan 68 dagenvoorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich meldt bij de jeugdreclassering, dat hij zich inspant voor school of een andere passende dagbesteding en dat hij meewerkt aan een ambulante behandeling, voor zover noodzakelijk geacht door de jeugdreclassering,

  • -

    met opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een leerstraf So-Cool voor de duur van 40 uur, subsidiair 20 dagen vervangende jeugddetentie.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van alle feiten vrijspraak bepleit. De verdachte ontkent ter zitting dat hij degene was die op 3 juni 2020 op de Lijnbaan in Rotterdam vuurwerk heeft afgestoken en naar agenten heeft gegooid.

4.1.2.

Beoordeling

Het namens de verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het ten laste gelegde wordt weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen. De rechtbank acht op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde heeft begaan.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 03 juni 2020 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een politieambtenaar, [naam agent 1] , werkzaam bij politie eenheid Rotterdam, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen een zogenaamde Cobra Trate 4#, naar en/of in de richting van - de zich op korte afstand van hem, verdachte, bevindende - voornoemde [naam agent 1] heeft gegooid en/of heeft geworpen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 03 juni 2020 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een politieambtenaar, [naam agent 2] , werkzaam bij politie eenheid Rotterdam, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn

bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen een zogenaamde Cobra Trate 4#, naar en/of in de richting van - de zich op korte afstand van hem, verdachte, bevindende - voornoemde [naam agent 2] heeft gegooid en/of heeft geworpen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 03 juni 2020 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan meerdere politieambtenaren, [naam agent 3] en [naam agent 4] en [naam agent 5] en [naam agent 6] en [naam agent 7] en [naam agent 8] en [naam agent 9] , allen werkzaam bij politie eenheid Rotterdam, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen een zogenaamde Cobra Trate 4#, naar en/of in de richting van - de zich op korte afstand van hem, verdachte,

bevindende - voornoemde [naam agent 3] en voornoemde [naam agent 4] en voornoemde [naam agent 5]

en voornoemde [naam agent 6] en voornoemde [naam agent 7] en voornoemde [naam agent 8]

en voornoemde [naam agent 9] heeft gegooid en/of heeft geworpen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. poging tot zware mishandeling

2. poging tot zware mishandeling

3. poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straffen

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straffen zijn gebaseerd

De verdachte heeft zich op vijftienjarige leeftijd schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van negen politieagenten. Op 3 juni 2020 vond een demonstratie plaats in het kader van “Black Lives Matter”. Nadat de demonstratie door de burgemeester beëindigd was, verplaatsten groepen demonstranten zich naar het centrum van Rotterdam. De politieagenten waren aan het werk in het kader van de handhaving van de openbare orde. Zij stonden op de Lijnbaan voor een briefing. De verdachte heeft toen vuurwerk aangestoken en gegooid richting de groep agenten, waardoor het op zeer korte afstand van hen tot ontploffing kwam. Het gaat om professioneel knalvuurwerk, te weten Cobra Trate 4#. De agenten hebben als gevolg van de knal last van hun gehoor, in sommige gevallen gedurende langere tijd en in een enkel geval kan het blijvende gehoorschade opleveren. Zij zijn daarnaast zeer geschrokken en hebben zich erg onveilig gevoeld.

Het gedrag van de verdachte is naar het oordeel van de rechtbank onacceptabel, zeker omdat hij de agenten heeft belaagd terwijl zij bezig waren met de uitoefening van hun publieke functie. De verdachte heeft er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de agenten, evenmin voor hun lichamelijke integriteit. De feiten worden de verdachte dan ook zwaar aangerekend. Politieagenten behoren hun werk ongestoord te kunnen doen zonder hierin gehinderd te worden. Er was geen enkele aanleiding om vuurwerk naar hen te gooien. Bovendien is het algemeen bekend dat men gewond - en zelfs zwaar gewond - kan raken wanneer (zwaar) vuurwerk dicht in de buurt ontploft.

Daarnaast acht de rechtbank het zorgelijk dat de verdachte ter zitting geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen en het kwalijke hiervan niet lijkt in te zien.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 27 januari 2021, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages en verklaringen van deskundigen op de terechtzitting

Psycholoog [naam 1] heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 9 oktober 2020. Dit rapport houdt voor zover van belang het volgende in.

Er is bij de verdachte geen sprake (geweest) van een ziekelijke stoornis, maar wel van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, vanwege een milde gedragsstoornis, zwakbegaafdheid en een achterblijvende sociaal-emotionele, cognitieve en morele ontwikkeling. Deze gebrekkige ontwikkeling was ook aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde en heeft zijn gedragskeuzemogelijkheden minstens gedeeltelijk bepaald.

Geadviseerd wordt om het ten laste gelegde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Vanuit de milde gedragsstoornis bezien, beschikte de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde over onvoldoende gedragsinhibitie, een tekortschietende gewetensontwikkeling, weinig berouw, gewetenswroeging en slachtofferempathie, en een sterke neiging om te handelen vanuit eigen belang en korte termijn denken met beperkte reflectie op zichzelf en op de eventuele nadelige gevolgen van zijn gedragskeuzes voor zichzelf en anderen. Tevens was de verdachte door zijn zwakbegaafdheid onvoldoende in staat om de ontoelaatbaarheid en gevolgen van zijn eigen handelen op de ander te overzien en was hij beperkt in zijn gedragsremmingen, probleembesef, probleemoplossende vaardigheden en zijn empathisch en reflecterend vermogen. Vooral zijn zeer zwak ontwikkelde perceptuele redeneervermogen ligt hieraan ten grondslag. Dit brengt namelijk met zich mee dat hij veel moeite heeft met het organiseren en overzien van (de gevolgen van) zijn gedrag. De genoemde milde gedragsstoornis en zwakbegaafdheid werken versterkend op elkaar.

Het recidiverisico wordt beoordeeld als middelmatig bij het uitblijven van voldoende toezicht en sturing, bij het ontbreken van een goede daginvulling en bij het omgaan met antisociale leeftijdsgenoten. Het is vanuit het oogpunt van recidivepreventie geïndiceerd om aan de verdachte externe controle en ondersteuning op te leggen via begeleiding vanuit de jeugdreclassering, in combinatie met ambulante, poliklinische (forensische) behandeling. Een (deels) voorwaardelijke jeugddetentie met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van twee jaar wordt passend geacht. Als bijzondere voorwaarden wordt gedacht aan de inzet van begeleiding vanuit de jeugdreclassering en meewerken aan herstelrecht en ambulante (forensische) behandeling.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 11 februari 2021. Dit rapport houdt voor zover van belang het volgende in.

De Raad schat de kans op herhaling in op midden en ziet zowel beschermende factoren als risicofactoren. De Raad is van mening dat de verdachte ondersteuning nodig heeft van zijn sociale netwerk (vader, moeder en broer) en op professioneel gebied. Hoewel de vader betrokken is en zich inzet om de verdachte te ondersteunen, ziet de Raad ook risico’s in het domein gezin en geestelijke gezondheid. De verdachte heeft een belast verleden waarin er sprake is geweest van een scheiding van zijn ouders en een uithuisplaatsing. Investeren in de geestelijke gezondheid van de verdachte is van belang voor een adequate ontwikkeling en voor het voorkomen van risicovol gedrag. De Raad ziet daarnaast risico’s in de mogelijke beïnvloedbaarheid vanuit antisociale jongeren en de vaardigheden van de verdachte om situaties goed in te kunnen schatten. De verdachte snapt wat goed en fout is, maar moet leren hiernaar te handelen.

De Raad adviseert een deels voorwaardelijke jeugddetentie met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

  • -

    wordt bevolen zich op bepaalde tijdstippen te melden bij de jeugdreclassering zolang dit nodig wordt geacht;

  • -

    naar school gaat en/of een positieve dagbesteding heeft;

  • -

    meewerkt aan eventuele aanvullende behandeling en/of hulpverlening die de jeugdreclassering noodzakelijk acht.

De rechtbank heeft acht geslagen op deze rapporten.

Namens de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond heeft deskundige [naam 2] ter zitting naar voren gebracht dat vanuit de jeugdreclassering de leerstraf So-Cool Regulier wordt geadviseerd. Deze leerstraf is gericht op het verkrijgen van vaardigheden en inzicht in het gedrag. De verdachte heeft bij de jeugdreclasseerder aangegeven hieraan te willen meewerken. De jeugdreclasseerder heeft een goede samenwerkingsrelatie opgebouwd met de verdachte en zijn vader in het kader van het MST-traject dat inmiddels is afgerond. De verdachte heeft positieve stappen gezet. Als hij op deze manier doorgaat en blijft openstaan voor de begeleiding vanuit de jeugdreclassering, worden behalve de meldplicht geen verdere bijzondere voorwaarden nodig geacht. Indien op enig moment alsnog een aanvullende behandeling nodig wordt geacht, zou dit in het kader van het jeugdreclasseringstoezicht kunnen worden ingezet.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

De conclusie van de psycholoog wordt gedragen door zijn bevindingen. De rechtbank neemt die conclusie over en maakt die tot de hare. Nu bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling die ook aanwezig was ten tijde van de bewezen verklaarde feiten acht de rechtbank de verdachte voor deze feiten verminderd toerekeningsvatbaar.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Gelet op de bovengenoemde adviezen zal de rechtbank een deels voorwaardelijke jeugddetentie opleggen, waarbij de duur van het onvoorwaardelijke deel van de jeugddetentie gelijk is aan de duur van het voorarrest. Daarnaast zal de leerstraf So-Cool Regulier worden opgelegd.

Hoewel de jeugdreclassering heeft aangegeven naast de meldplicht geen bijzondere voorwaarden nodig te achten, ziet de rechtbank toch aanleiding om verdere bijzondere voorwaarden te verbinden aan het voorwaardelijk deel van de straf. Op dit moment werkt de verdachte goed mee en heeft hij een goede samenwerkingsrelatie met de betrokken jeugdreclasseerder, maar niet kan worden voorzien of de verdachte ook in de toekomst blijft meewerken aan deze begeleiding en of de huidige jeugdreclasseerder de gehele proeftijd betrokken blijft. Het voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend acht de rechtbank een jeugddetentie voor de duur van 60 dagen, waarvan 48 dagen voorwaardelijk, in combinatie met de leerstraf So-Cool Regulier passend en geboden.

8. Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

[naam agent 1]

Als benadeelde partij heeft [naam agent 1] zich in het geding gevoegd ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[naam agent 2]

Als benadeelde partij heeft [naam agent 2] zich in het geding gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 325,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[naam agent 4]

Als benadeelde partij heeft [naam agent 4] zich in het geding gevoegd ter zake van het onder 3 ten laste gelegde feit.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 250,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[naam agent 5]

Als benadeelde partij heeft [naam agent 5] zich in het geding gevoegd ter zake van het onder 3 ten laste gelegde feit.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 150,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[naam agent 6]

Als benadeelde partij heeft [naam agent 6] zich in het geding gevoegd ter zake van het onder 3 ten laste gelegde feit.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 1.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[naam agent 7]

Als benadeelde partij heeft [naam agent 7] zich in het geding gevoegd ter zake van het onder 3 ten laste gelegde feit.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 210,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[naam agent 8]

Als benadeelde partij heeft [naam agent 8] zich in het geding gevoegd ter zake van het onder 3 ten laste gelegde feit.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 210,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[naam agent 9]

Als benadeelde partij heeft [naam agent 9] zich in het geding gevoegd ter zake van het onder 3 ten laste gelegde feit.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 210,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht de vorderingen geheel voor toewijzing vatbaar.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft verzocht om bij de eventuele toewijzing van de vorderingen rekening te houden met de jonge leeftijd van de verdachte en de bedragen daarom te matigen.

8.3.

Beoordeling

[naam agent 1]

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij [naam agent 1] door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 500,00, zodat de vordering zal worden toegewezen.

[naam agent 2]

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij [naam agent 2] door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 325,00, zodat de vordering zal worden toegewezen.

[naam agent 4]

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij [naam agent 4] door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 250,00, zodat de vordering zal worden toegewezen.

[naam agent 5]

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij [naam agent 5] door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 150,00, zodat de vordering zal worden toegewezen.

[naam agent 6]

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij [naam agent 6] door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 500,00, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen. De benadeelde partij zal voor de overige gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard. De beoordeling hiervan vergt nader onderzoek en dat is een onevenredige belasting van dit strafgeding. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

[naam agent 7]

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij [naam agent 7] door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 210,00, zodat de vordering zal worden toegewezen.

[naam agent 8]

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij [naam agent 8] door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 210,00, zodat de vordering zal worden toegewezen.

[naam agent 9]

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij [naam agent 9] door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 210,00, zodat de vordering zal worden toegewezen.

De benadeelde partijen hebben gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat ten aanzien van alle benadeelde partijen het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 3 juni 2020.

Nu de vordering van de benadeelde partijen (in overwegende mate) zullen worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

8.4.

Conclusie

De vorderingen van de benadeelde partijen [naam agent 1] , [naam agent 2] , [naam agent 4] , [naam agent 5] , [naam agent 7] , [naam agent 8] en [naam agent 9] worden geheel toegewezen. De verdachte moet aan hen een bedrag van in totaal € 1.855,00 betalen. De vordering van de benadeelde partij [naam agent 6] wordt gedeeltelijk toegewezen. De verdachte moet aan hem € 500,00 betalen. De vorderingen worden telkens vermeerderd met de wettelijke rente. Tevens wordt ten aanzien van de verschillende vorderingen oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling of vervangende jeugddetentie worden toegepast.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 45, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 302 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 60 (zestig) dagen;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie groot 48 (achtenveertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op 2 (twee) jaren;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende een door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna ook: de jeugdreclassering), gevestigd te Rotterdam, te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zo vaak en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

- zich zal inspannen om naar school te gaan of een andere passende dagbesteding te hebben en te behouden;

- zijn medewerking zal verlenen aan een ambulante behandeling, indien en voor zover de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan jeugdreclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd te Rotterdam, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een leerstraf voor de duur van 40 (veertig) uur, waarbij de verdachte dient deel te nemen aan het leerproject So-Cool Regulier van de Raad voor de Kinderbescherming;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de leerstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 20 (twintig) dagen;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam agent 1] , te betalen een bedrag van € 500,00 (zegge: vijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 3 juni 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam agent 2] , te betalen een bedrag van € 325,00 (zegge: driehonderdvijfentwintig euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 3 juni 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam agent 4] , te betalen een bedrag van € 250,00 (zegge: tweehonderdvijftig euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 3 juni 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam agent 5] , te betalen een bedrag van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 3 juni 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam agent 6] , te betalen een bedrag van € 500,00 (zegge: vijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 3 juni 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam agent 7] , te betalen een bedrag van € 210,00 (zegge: tweehonderdtien euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 3 juni 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam agent 8] , te betalen een bedrag van € 210,00 (zegge: tweehonderdtien euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 3 juni 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam agent 9] , te betalen een bedrag van € 210,00 (zegge: tweehonderdtien euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 3 juni 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij [naam agent 6] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partijen begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam agent 1] te betalen € 500,00 (vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam agent 2] te betalen € 325,00 (driehonderdvijfentwintig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam agent 4] te betalen € 250,00 (tweehonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam agent 5] te betalen € 150,00 (honderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam agent 6] te betalen € 500,00 (vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam agent 7] te betalen € 210,00 (tweehonderdtien euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam agent 8] te betalen € 210,00 (tweehonderdtien euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam agent 9] te betalen € 210,00 (tweehonderdtien euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partijen tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partijen en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A. Verweij, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. S.E.C. Debets en A.L. Pöll, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.F. Verhaart, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 maart 2021.

De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 03 juni 2020 te Rotterdam,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan een (politie)ambtenaar, [naam agent 1] , werkzaam bij politie eenheid Rotterdam,

gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening,

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

een zogenaamde Cobra Tate 4#, althans een stuk (zwaar) (knal)vuurwerk, naar

en/of in de richting van - de zich op korte afstand van hem, verdachte,

bevindende - voornoemde [naam agent 1] heeft gegooid en/of heeft geworpen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 03 juni 2020 te Rotterdam,

een (politie)ambtenaar, [naam agent 1] , werkzaam bij politie eenheid Rotterdam,

gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening

heeft mishandeld door een zogenaamde Cobra Tate 4#, althans een stuk (zwaar)

(knal)vuurwerk, naar en/of in de richting van - de zich op korte afstand van

hem, verdachte, bevindende - voornoemde [naam agent 1] te gooien en/of te werpen;

2.

hij op of omstreeks 03 juni 2020 te Rotterdam,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan een (politie)ambtenaar, [naam agent 2] , werkzaam bij politie eenheid

Rotterdam, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn

bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

een zogenaamde Cobra Tate 4#, althans een stuk (zwaar) (knal)vuurwerk, naar

en/of in de richting van - de zich op korte afstand van hem, verdachte,

bevindende - voornoemde [naam agent 2] heeft gegooid en/of heeft geworpen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 03 juni 2020 te Rotterdam,

een (politie)ambtenaar, [naam agent 2] , werkzaam bij politie eenheid

Rotterdam, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn

bediening heeft mishandeld door een zogenaamde Cobra Tate 4#, althans een stuk

(zwaar) (knal)vuurwerk, naar en/of in de richting van - de zich op korte

afstand van hem, verdachte, bevindende - voornoemde [naam agent 2] te gooien

en/of te werpen;

3.

hij op of omstreeks 03 juni 2020 te Rotterdam,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan meerdere, althans een, (politie)ambtena(a)r(en), [naam agent 3] en/of [naam agent 4]

en/of [naam agent 5] en/of [naam agent 6] en/of [naam agent 7] en/of [naam agent 8]

en/of [naam agent 9] , allen werkzaam bij politie eenheid

Rotterdam, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van

zijn/haar/hun bediening opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

een zogenaamde Cobra Tate 4#, althans een stuk (zwaar) (knal)vuurwerk, naar

en/of in de richting van - de zich op korte afstand van hem, verdachte,

bevindende - voornoemde [naam agent 3] en/of voornoemde [naam agent 4] en/of voornoemde [naam agent 5]

en/of voornoemde [naam agent 6] en/of voornoemde [naam agent 7] en/of voornoemde [naam agent 8]

en/of voornoemde [naam agent 9] heeft gegooid en/of heeft geworpen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 03 juni 2020 te Rotterdam,

meerder, althans een, (politie)ambtena(a)r(en), [naam agent 3] en/of [naam agent 4] en/of

[naam agent 5] en/of [naam agent 6] en/of [naam agent 7] en/of [naam agent 8]

en/of [naam agent 9] , allen werkzaam bij politie eenheid Rotterdam, gedurende

en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening heeft

mishandeld door een zogenaamde Cobra Tate 4#, althans een stuk (zwaar)

(knal)/vuurwerk, naar en/of in de richting van - de zich op korte afstand van

hem, verdachte, bevindende - voornoemde [naam agent 3] en/of voornoemde [naam agent 4] en/of

voornoemde [naam agent 5] en/of voornoemde [naam agent 6] en/of voornoemde [naam agent 7] en/of

voornoemde [naam agent 8] en/of voornoemde [naam agent 9] te gooien en/of te werpen.